Update beroepsaansprakelijkheid: zorgplicht eindigt bij onwil

Arnold van Eijsden, senior jurist beroepsaansprakelijkheid, zet in deze kwartaalupdate de laatste ontwikkelingen over beroepsaansprakelijkheid op een rij. In dit artikel: een casus waarbij de assurantieadviseur werd aangesproken voor het niet afsluiten van een adequate verzekering. Vervolgens komt aan de orde dat de zorgplicht eindigt bij onwil van de verzekeringsnemer en ter afsluiting de gevolgen van het te laat klagen over de prestatie van een hypotheekadvies uit 2003 aan bod.

In de update voor makelaars/taxateurs komt een arrest aan de orde waarbij de makelaar weliswaar de bestemming van het verkochte had moeten onderzoeken, maar de schade toch volledig voor rekening van de verkoper blijft. Daarna wordt ingegaan op de aansprakelijkheid van een taxateur als bindend adviseur. Ten slotte komt een uitspraak aan bod waarin wel een foutieve woonoppervlakte was vermeld, maar er geen schade is geleden, omdat de kopers een marktconforme prijs voor de woning hebben betaald.

Assurantieadviseurs

Geen adequate verzekering afgesloten

Een medewerkster van een marketingbureau heeft in 2008 met een leaseauto een ongeval gehad waarbij zij letsel heeft opgelopen. Het marketingbureau is aansprakelijk gesteld omdat zij als werkgever in beginsel verplicht is een schadeverzekering inzittenden of een soortgelijke verzekering voor de werknemers af te sluiten. Nu het marketingbureau dat had nagelaten leverde dat een schending op van artikel 7:611 BW (‘goed werkgeverschap’).

Het Hof Amsterdam heeft in het op 17 januari 2022 gepubliceerde arrest vastgesteld dat het marketingbureau niet aan de assurantieadviseur had gemeld dat zij een leasecontract had afgesloten en een leaseauto ter beschikking had gesteld.
NN had betoogd dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat medewerkers van een marketingbedrijf zich voor hun werkzaamheden regelmatig in het verkeer begeven. De aard van het (marketing)bedrijf zou volgens NN ook aanleiding zijn daarop door te moeten vragen. Het hof gaat daar echter niet in mee.

De assurantieadviseur had volgens NN ook kennis van het dienstverband en salaris van de medewerkster, omdat er ook was bemiddeld bij de ziekteverzuimverzekering en er had een pensioengesprek plaatsgevonden. Maar dat is volgens het hof onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de assurantieadviseur wist of moest weten dat de medewerkster zich bij de uitoefening van haar werkzaamheden in het verkeer begaf. Het hof oordeelde dan ook dat de assurantieadviseur zijn zorgplicht niet had geschonden en wees de vordering van NN af.

Zorgplicht eindigt bij onwil of onmacht

In 2017 is een woning door brand verloren gegaan. De brandverzekeraar heeft de vastgestelde schade niet volledig uitgekeerd, omdat sprake is van onderverzekering. Hierop is de assurantieadviseur aangesproken, omdat hij niet actief heeft onderzocht of het verzekerde bedrag van de woonhuisverzekering wel toereikend was en de verzekeringsnemer niet (voldoende) heeft geïnformeerd over het belang daarvan. De assurantieadviseur had in het verleden er echter op aangedrongen een afspraak te maken om de verzekeringen te bespreken. Verder is in 2012 en in 2016 een herbouwwaardemeter toegestuurd, die niet werd ingevuld.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in het arrest van 22 februari 2022 geoordeeld dat de assurantieadviseur niet tekortgeschoten is in zijn zorgplicht. Daarbij geeft het hof heel treffend aan dat de zorgplicht van de assurantieadviseur eindigt waar de onwil of onmacht van de eiser begint, om gevolg te geven aan de instructies van de assurantieadviseur.

Deze kwestie vertoont overigens interessante gelijkenissen met een recente uitspraak op 18 maart 2022 van Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid. In die zaak waren na het afsluiten van de inboedelverzekering verscheidene brieven en een e-mail aan de consument gestuurd, met het verzoek de inboedelwaardemeter in te vullen, waarna een garantie tegen onderverzekering zou worden verleend. De consument heeft steeds nagelaten die inboedelwaardemeter in te vullen en terug te sturen. De vordering van de consument is afgewezen, omdat niet de zorgplichtschending van de tussenpersoon, maar het nalaten van de consument zelf de schade door de onderverzekering veroorzaakt heeft.

Te laat geklaagd

De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid heeft in een uitspraak van 25 januari 2022 geoordeeld dat er te laat is geklaagd. In deze kwestie had de consument een klacht ingediend over het hypotheekadvies uit 2003. Volgens de consument was er niet overeengekomen dat er een overbruggingslening verstrekt zou worden. Daar was de consument naar eigen zeggen pas in 2017 achter gekomen. Daarnaast had de consument vragen over de levensverzekeringen bij de hypothecaire geldlening. De commissie is van oordeel dat de consument al in 2003 redelijkerwijze op de hoogte kon zijn dat er een overbruggingslening verstrekt werd. Het beroep van de hypotheekadviseur dat er over het advies uit 2003 te laat was geklaagd (artikel 6:89 BW) slaagt dan ook. Bij dat oordeel is door de commissie meegewogen dat het tijdsverloop nadelig is voor de adviseur. De adviseur had terecht naar voren gebracht dat hij in zijn (bewijs)positie benadeeld is, omdat de betrokken adviseur nu niet meer gedetailleerd over de kwestie kan verklaren. In een eerdere kwartaalupdate kwam het te laat klagen over de prestatie(s) van een adviseur ook al aan de orde.

Makelaars en taxateurs

Niet onderzochte bestemming

In 2017 is een woning op een bedrijventerrein verkocht. Het verkochte bestaat uit een woonhuis en een bijgebouw waarin de dochter van de kopers zou gaan wonen. Het bijgebouw bleek een bedrijfsruimte te zijn, waarin niet gewoond mocht worden. Het bijgebouw was echter wel als woning ingericht. De verkoper wist dat, zo bleek tijdens de zitting bij het hof, maar vertelde dat niet aan de kopers en zijn verkopend makelaar. Na ondertekening van de koopovereenkomst hebben de kopers ontdekt dat op het perceel van de woning de bestemming ‘bedrijventerrein’ rust. Dat heeft tot gevolg dat in het bijgebouw niet gewoond mag worden. De kopers hebben daarop de koopovereenkomst ontbonden, omdat het verkochte niet in haar geheel geschikt was voor bewoning.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in het arrest van 18 januari 2022 allereerst geoordeeld dat de verkoper de contractuele boete van 10% van de koopsom moet betalen aan de kopers. De verkoper had echter zijn verkopend makelaar aangesproken en aangevoerd dat de makelaar zijn zorgplicht heeft geschonden door de bestemming van het perceel niet voor de koop te controleren.

Het hof heeft daarover geoordeeld dat de makelaar in deze specifieke casus onderzoek had moeten doen naar de vraag of in het hele object gewoond mocht worden. De schade is echter mede een gevolg van het door de verkoper verzwijgen van de kennis dat in het bijgebouw niet gewoond mocht worden. De verkoper had de schade kunnen voorkomen door de makelaar te informeren, ook nog op het moment toen bleek dat het de kopers om bewoning van het bijgebouw te doen was en de kans op schade duidelijker werd. Desondanks is de verkoper ook toen nog blijven zwijgen, waardoor het hof van oordeel is dat de schade geheel voor rekening van de verkoper moet blijven.

De taxateur als bindend adviseur

Een taxateur heeft als bindend adviseur de woning van twee scheidende partners getaxeerd op een marktwaarde van € 430.000,-. Een van de ex-partners is van mening dat de taxateur bij de taxatie op drie punten onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Hof Amsterdam heeft in het op 25 januari 2022 gepubliceerde arrest allereerst geoordeeld dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden, door geen concept van het taxatierapport voor te leggen. Voor de waarde van de te taxeren woning is dat immers niet van belang en daarbij komt dat de ex-partners ieder een ander belang hebben bij de taxatie.

Het hof volgt de taxateur in het standpunt dat het enkele feit dat een ander adres niet als referentieobject is gebruikt, niet maakt dat de objecten die wel als referentieobjecten zijn gebruikt onjuist waren. Het staat een taxateur namelijk vrij om naar eigen inzicht en expertise geschikte referentieobjecten te kiezen. Daarbij gaat het altijd om een subjectieve keuze van de taxateur.
Ter vergelijking valt bijvoorbeeld te wijzen op de uitspraak van 29 juni 2020 waarin het Tuchtcollege van het NRVT een overeenkomstig oordeel gaf over de gehanteerde referentieobjecten. Dat een ander adres achteraf ook een geschikt referentieobject had kunnen zijn, maakt volgens het hof dus niet dat de taxateur onzorgvuldig heeft gehandeld door dit object niet als referentie te selecteren.

Ten slotte was de taxateur uitgegaan van een onjuiste woonoppervlakte. Volgens de ex-partner had de woning daarom minimaal getaxeerd moeten worden op een marktwaarde van € 532.000,-. Daarbij verwees de ex-partner naar de taxatie van een ander adres (met de juiste oppervlakte). De taxateur heeft dit betwist, omdat bij een taxatie andere omstandigheden van belang zijn, zoals de locatie, de voorzieningen, de bouwwijze en de staat van het onderhoud. Het hof gaat niet mee in het betoog van de ex-partner en refereert terecht aan het hiervoor al genoemde subjectieve element dat inherent is aan een taxatie. Uit de taxatie van een ander adres blijkt dus niet dat een taxatie door de taxateur op basis van de juiste woonoppervlakte op een substantieel hoger bedrag uit was gekomen. Het hof wijst de vordering dan ook af.

Ondanks foutieve woonoppervlakte geen schade geleden

De kopers van een woning hebben de verkopend makelaar aangesproken, omdat ten onrechte een woonoppervlakte van 140 m2 was vermeld in de verkoopbrochure. De Rechtbank Rotterdam heeft daarop een deskundige benoemd die tot een woonoppervlakte van 130,4 m2 kwam en de marktwaarde (ten tijde van de verkoop) op € 276.000,- taxeerde. De rechtbank heeft in de uitspraak die op 3 januari 2022 is gepubliceerd geoordeeld dat er onrechtmatig is gehandeld door de makelaar.

Ter beantwoording van de vraag of de kopers schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen heeft de rechtbank een vergelijking gemaakt tussen de door de deskundige vastgestelde marktwaarde ten tijde van de koop en de door de kopers betaalde koopsom van € 275.000,-.
Daaruit volgt dat de kopers een marktconforme prijs hebben betaald voor de woning en dus geen schade hebben geleden. Terecht overweegt de rechtbank daarbij:

“Dat betekent dat [eisers] – ondanks het feit dat [gedaagde] onjuiste informatie heeft verstrekt over de oppervlakte van de woning – geenszins te veel voor de woning hebben betaald. Dit illustreert duidelijk het gegeven dat de oppervlakte van een woning slechts één van de factoren is, die van invloed kunnen zijn op de verkoopprijs van een woning, maar niet per definitie doorslaggevend hoeft te zijn. In dit kader valt niet uit te sluiten dat in casu factoren als de locatie van de woning en de luxe en afwerking een grotere (prijsverhogende) invloed hebben gehad op de verkoopprijs van de woning en daarmee het prijsverlagende effect van de hantering van een onjuiste oppervlakte teniet hebben gedaan.

De door de kopers gevorderde schadevergoeding is dan ook afgewezen.

Dit is een partnerartikel van De Vereende / Bekijk hier meer artikelen …

Lees ook van deze partner: