nieuws

‘Veralgemenisering ORV-uitspraak Kifid ligt niet voor de hand’

Financiële planning 4014

‘Veralgemenisering ORV-uitspraak Kifid ligt niet voor de hand’

Het Kifid had er goed aan gedaan om de geruchtmakende orv-zaak wat beter toe te lichten, vindt Coen Fledderus van Polis Advocaten. Ondanks de beperkte motivatie moeten er volgens de advocaat geen al te grote consequenties verbonden worden aan de uitspraak. “Van een redelijk handelend en bekwaam adviseur hoeft naar mijn mening niet verwacht te worden dat hij voortdurend in de gaten houdt of er een geringe premiebesparing behaald kan worden.”

In hoeverre valt de ORV-uitspraak te veralgemeniseren voor andere zaken?

“In beginsel is een rechter, waaronder ik gemakshalve ook de leden van de Geschillencommissie schaar, niet gebonden aan uitspraken van andere rechters. Dit beginsel strekt zich zelfs uit tot zogeheten ‘hogere rechtspraak’. Een rechter kan (en moet!) dus geheel onafhankelijk en onpartijdig zijn oordeel geven in een geschil dat aan hem wordt voorgelegd. Uiteraard is het zo dat in de praktijk aan ‘hogere rechtspraak’, met name de uitspraken (arresten) van de Hoge Raad, veel waarde wordt gehecht. De Hoge Raad heeft immers de taak om de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling te bewaken. Bijvoorbeeld door richting te geven, een normenkader te scheppen, et cetera. Dit gezegd hebbende, ligt het mijns inziens niet voor de hand om de uitspraak van de Geschillencommissie al te snel te veralgemeniseren. Een eventuele nieuwe zaak die aan de Geschillencommissie (of de rechtbank) wordt voorgelegd, dient op zijn eigen merites beoordeeld te worden. De uitkomst van een dergelijke zaak is mede afhankelijk van alle feiten en omstandigheden in dat dossier.”

Het ligt niet voor de hand om de uitspraak van de Geschillencommissie al te snel te veralgemeniseren.

De adviseur maakte geen afspraken met de klant over nazorg. Kun je dan uit de uitspraak afleiden dat het in de gaten houden en doorgeven van premiedalingen onderdeel is van de wettelijke nazorg?

“Als de adviseur een doorlopende vergoeding voor zijn werkzaamheden ontvangt, ligt het voor de hand dat de klant doorlopende dienstverlening kan en mag verwachten. Als er door een adviseur wordt bemiddeld bij het tot stand komen van een verzekering, is deze gehouden om de verzekering te beheren zolang deze klant tot diens portefeuille behoort. Ook dit beheer tijdens de looptijd valt volgens de definitie in artikel 1:1 Wft onder het begrip bemiddelen. De adviseur in deze zaak kreeg voor dit beheer betaald via de doorlopende provisie die hij op de overlijdensrisicoverzekering van de maatschappij ontving. Tijdens het beheer rust op de adviseur de verplichting om te waken voor de belangen van diens klanten bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. De Geschillencommissie hanteert dus naar mijn mening het juiste toetsingskader. Wat daar precies onder valt, is niet exact vastgelegd. In ieder geval zal de adviseur er voor moeten waken dat de verzekerde som toereikend blijft, dat zijn klant wordt gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet voldoen aan polisvoorwaarden en dat wijzigingen die van belang zijn voor de dekking zoals een bestemmingswijziging of leegstand tijdig aan de maatschappij worden doorgegeven. Als er sprake is van substantiële en structurele dalingen in de premie voor een bepaalde verzekering (bij gelijkblijvende of betere voorwaarden), zal ook dit van belang kunnen zijn voor de klant. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur hoeft naar mijn mening daarentegen niet verwacht te worden dat hij voortdurend voor zijn klanten in de gaten dient te houden of er voor de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen van zijn klanten een geringe premiebesparing behaald kan worden.”

Als er sprake is van substantiële en structurele dalingen in de premie zal ook dit van belang kunnen zijn voor de klant.

Als de uitspraak (te) dun gemotiveerd is, heeft de adviseur dan steken laten vallen in zijn verweer of maakt Kifid een fout?

Net als een rechter heeft de Geschillencommissie een behoorlijke mate van vrijheid bij het verwoorden van de motivering. Een rechter is bijvoorbeeld niet gehouden om op alle argumenten en naar voren gebrachte stellingen van partijen in te gaan. Wel dient de rechter de door hem genomen beslissingen in voldoende mate toe te lichten en wel zodanig dat duidelijk wordt hoe de rechter tot zijn oordeel is gekomen. In deze zaak had de Geschillencommissie er naar mijn smaak goed aangedaan om de genomen beslissing wat uitgebreider toe te lichten. Dit geldt te meer nu de Geschillencommissie had kunnen voorzien dat een dergelijke uitspraak stof zou doen opwaaien. Of de adviseur steken heeft laten vallen in diens verweer, kan ik niet goed beoordelen omdat ik het dossier inhoudelijk niet ken. Mij valt wel op dat de eigen verantwoordelijkheid van de klant in de uitspraak in het geheel niet aan de orde komt. Een beroep op de zogeheten ‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) zou in deze zaak naar mijn mening wel voor de hand hebben gelegen. Want de klant had immers ook via andere (nieuws)bronnen in de afgelopen jaren kunnen vernemen dat de premies van overlijdensrisicoverzekeringen sterk waren gedaald. Het zou de klant dan verweten kunnen worden dat hij zelf niet eerder het initiatief had genomen om de overlijdensrisicoverzekering over te sluiten.”

Heeft een adviseur die zijn klanten op de hoogte houdt met een algemene nieuwsbrief voldaan aan zijn zorgplicht?

“Op de adviseur rust de verplichting om periodiek aandacht te besteden aan (de verzekeringen van) de klant. Hoe vaak dit gebeurt en op welke wijze zal tussen de adviseur en diens klanten afgesproken moeten worden. Met louter het sturen van nieuwsbrieven aan klanten loopt de adviseur het risico dat hij daarmee jegens zijn klanten tekortschiet in zijn zorgplicht. Wel kunnen nieuwsbrieven nuttig gebruikt worden door daarin klanten te wijzen op algemene ontwikkelingen in de markt. De Geschillencommissie oordeelt tussen de regels door dat de adviseur mogelijk de dans had kunnen ontspringen indien hij in nieuwsbrieven aan zijn klanten melding had gemaakt van de premieverlagingen bij overlijdensrisicoverzekeringen. Het argument ‘ik wist van niets’ dat door de klant in deze zaak werd gebruikt, gaat dan in ieder geval niet meer op.”

Kan een adviseur zich met voorwaarden indekken voor dergelijke claims?

“Kort door de bocht gesteld: in algemene voorwaarden kan een exoneratiebeding worden opgenomen, waarbij een adviseur zichzelf op voorhand vrijpleit en iedere aansprakelijkheid van de hand wordt gewezen. Maar bedenk wel dat algemene voorwaarden door een rechter ook terzijde kunnen worden geschoven. Dit geldt in ieder geval als de klant een consument is en er een dergelijke bepaling in de algemene voorwaarden is opgenomen. Een adviseur doet er verstandiger aan om duidelijk met de klant te communiceren wat hij voor de klant doet. Bijvoorbeeld hoe vaak een polischeck wordt uitgevoerd, hoe dat gebeurt en waar er bij zo’n polischeck op gelet wordt. Het verdient de voorkeur om zowel die afspraak als de bevindingen van de daadwerkelijke polischeck schriftelijk vast te leggen. Op die manier kunnen misverstanden met de klant op eenvoudige wijze worden voorkomen.”

Reageer op dit artikel