Feit of fabel: Bij een aanrijding veroorzaakt door een voorrangsvoertuig bent u volledig aansprakelijk

Feit of fabel: Bij een aanrijding veroorzaakt door een voorrangsvoertuig bent u volledig aansprakelijk

U heeft de situatie vast wel eens meegemaakt: u staat bij het verkeerslicht voor een kruispunt te wachten tot u door mag en u ziet in de binnenspiegel van uw auto in de verte  blauwe zwaailichten opdoemen. Naarmate de blauwe zwaailichten dichterbij komen, hoort u ook de sirene van de naderende ambulance aanzwellen.

De bestuurders van de auto’s om u heen beginnen allemaal paniekerig te manoeuvreren om ruimte te maken, zodat de naderende ambulance vrije doorgang heeft. U kunt zelf ook nog een plekje half op de vluchtheuvel vinden om uw auto tot stilstand te brengen om zo de weg vrij te maken voor de snel dichterbij komende ambulance, waarvan de sirene nu oorverdovend hard dichtbij klinkt. Door de snelheid aan te passen, kan de ervaren en behendige ambulancechauffeur tussen de wirwar van plaatsgemaakte auto’s door sturen en kan na het oversteken van het kruispunt zijn weg weer op volle snelheid vervolgen.

“Dat ging maar net goed”, denkt u als de zwaailichten niet meer zichtbaar zijn en de sirene niet meer hoorbaar is. En tegelijkertijd vraagt u zich af wat er zou zijn gebeurd als de ambulance tegen uw auto aangereden zou zijn. Wie is er dan eigenlijk aansprakelijk?

Voorrangsvoertuig

Een politieauto, een ambulance of een brandweerauto wordt een voorrangsvoertuig genoemd. Om voorrang te krijgen van het overige verkeer moet er wel actief een zwaailicht en een sirene gebruikt worden. De bestuurder van zo’n voorrangsvoertuig mag dan, op grond van artikel 147 Wegenverkeerswet 1994 (WVW), van de geldende verkeersregels afwijken om zijn beroep uit te kunnen oefenen. In een aantal gevallen mogen politieauto’s van de verkeersregels afwijken zonder gebruik te maken van optische en geluidssignalen. Bijvoorbeeld als een verdacht persoon moet worden achtervolgd waarbij de politie zich niet kenbaar wil maken, maar door rood moet rijden om de verdachte niet kwijt te raken.

Vrijstelling van verkeersregels

Op grond van artikel 147 WVW zijn hulpverleningsdiensten dus vrijgesteld van de bepalingen in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV) als zij kunnen worden aangemerkt als voorrangsvoertuig en dit mede in de uitoefening van hun taak wordt vereist. Een voorrangsvoertuig mag dus een rood stoplicht, voorrang geven aan rechts, haaientanden en verkeersborden negeren. Verder mag een voorrangsvoertuig harder rijden dan de maximaal toegestane snelheid.

Een belangrijke voorwaarde is dat de vrijstelling alleen mag worden ingezet wanneer het noodzakelijk is, er moet sprake zijn van een dringende taak. Van een dringende taak is sprake als de hulpverlener moet uitrukken naar aanleiding van een zogenaamde prioriteit 1 melding. Bij een prioriteit 1 melding is hoge spoed geboden. Artikel 2 van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 stelt dat er sprake is van een dringende taak in het geval van een voor de mens levensbedreigende situatie (sub a), ter voorkoming daarvan (sub b), of bij een ernstige verstoring van de openbare orde waarvoor directe en snelle inzet noodzakelijk is (sub c).

Een andere voorwaarde is dat de verkeersveiligheid niet in gevaar mag komen en dat een voorrangsvoertuig optische (zwaailicht) én geluidssignalen (sirene) voert.
Uitsluitend als rechtsgeldig gebruik wordt gemaakt van de zwaailichten en de sirene wordt het voertuig aangemerkt als voorrangsvoertuig in de zin van de Regeling optische en geluidssignalen en de artikelen 1 en 29 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV).

Een derde voorwaarde is dat er met maximaal 20 kilometer per uur door een rood verkeerslicht mag worden gereden.

In artikel 5 van de Wegenverkeerswet wordt vermeld dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of verkeer kan worden gehinderd.”

VOORRANG dus

De benaming van dit soort voertuigen zegt het al: in artikel 50 RVV moeten de overige weggebruikers bestuurders van een voorrangsvoertuig VOOR laten gaan. Uit deze bepaling valt af te leiden dat als er een ongeval plaatsvindt met een voorrangsvoertuig, de andere weggebruiker in beginsel een verkeersfout heeft gemaakt. Er is immers geen voorrang verleend terwijl dat wel had gemoeten. Dit zou impliceren dat de stelling uit de vorige nieuwsbrief een feit is. Maar zo eenvoudig is het niet.

In artikel 5 van de Wegenverkeerswet wordt vermeld dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of verkeer kan worden gehinderd. De inhoud van dit artikel geldt ook voor bestuurders van voorrangsvoertuigen. Verder staat in artikel 6 WVW dat het een ieder die aan het verkeer deelneemt, verboden is zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood, of zwaar lichamelijk letsel aan een ander wordt toegebracht.

Bij een ongeval wordt, bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een voorrangsvoertuig, altijd gekeken naar de omstandigheden tijdens dit ongeval. Was de bestuurder ter plaatse bekend? Hoeveel harder werd gereden ten opzichte van het overige verkeer en hoe overzichtelijk was de verkeerssituatie? Dit soort vragen blijven ondanks de bijzondere positie van het voorrangsvoertuig van belang voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder.

Onrechtmatige daad

Als iemand betrokken raakt bij een verkeersongeval met een voorrangsvoertuig, kan die betrokkene zich mogelijk beroepen op artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, de onrechtmatige daad. De basis voor deze onrechtmatige daad is terug te vinden in de overtreding van het hierboven genoemde artikel 5 WVW. Er moet aannemelijk gemaakt worden dat de bestuurder van het voorrangsvoertuig een voor hem voorzienbare gevaarlijke situatie heeft gecreëerd. Wat voorzienbaar is, hangt weer af van de bovengenoemde omstandigheden van het geval. Wordt gereden binnen of buiten de bebouwde kom, zijn er verkeerslichten voor fietsers of voetgangers die eventueel op groen kunnen staan, is een kruispunt onoverzichtelijk door geparkeerde auto’s, een hoge schutting of bebouwing?

Ook speelt de vraag of andere weggebruikers tijdig hadden kunnen anticiperen op het voorrangsvoertuig een belangrijke rol. Als bijvoorbeeld een politieauto met zwaailichten en gierende sirenes langsraast, moet je er als weggebruiker op bedacht zijn dat er mogelijk nog meer voorrangsvoertuigen achteraan kunnen komen.

Als een weggebruiker de optische en geluidssignalen van een voorrangsvoertuig niet (op tijd) opmerkt omdat de autoradio hard aanstaat of een hoofdtelefoon gedragen wordt, dan wordt dat die weggebruiker aangerekend. Wanneer een weggebruiker niet precies weet waar de sirenes vandaan komen, wordt verwacht dat hij extra oplettend is en een kruispunt met de nodige voorzichtigheid nadert. Maar ook het tijdstip waarop de aanrijding plaatsvindt, speelt een rol: is het overdag of ‘s nachts, dus is het licht of donker, is het rustig of druk op straat, allemaal factoren die zullen meetellen bij het bepalen van de mate van schuld. Immers, ’s nachts is een zwaailicht beter zichtbaar en een sirene beter hoorbaar en is het rustiger op straat dan overdag.

Omstandigheden

De positie van een voorrangsvoertuig is sterk, een bestuurder van een voorrangsvoertuig mag er, als optische en geluidssignalen worden gevoerd, van uitgaan dat het overige verkeer rekening met hem houdt. Te hard, en door rood licht rijden maakt niet direct dat er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid aan de kant van de bestuurder van het voorrangsvoertuig. Hij zal zich er wel continu bewust van moeten zijn dat overige weggebruikers onvoorspelbaar kunnen reageren.

Bij elke aanrijding waar een voorrangsvoertuig bij betrokken is, zal de mate van aansprakelijkheid afhangen van de omstandigheden op het moment van de aanrijding. Een voorrangsvoertuig heeft voorrang, dus overige weggebruikers zijn weliswaar verplicht om voorrang te verlenen, maar afhankelijk van de omstandigheden kan de bestuurder van het voorrangsvoertuig bij een aanrijding toch ook (gedeeltelijk) aansprakelijk zijn voor de veroorzaakte schade. Vaak zijn de exacte omstandigheden van de aanrijding niet meer geheel te herleiden, waardoor bij de schadebehandeling regelmatig gekozen wordt voor gedeelde aansprakelijkheid.

Het is dus te ‘zwart-wit’ om de stelling van de feit of fabel thuis te laten horen in het rijtje van de feiten, en dus is het een fabel.

In dit artikel is gebruik gemaakt van informatie van Damsté Advocaten.