nieuws

Beroepscommissie: forse verhoging Euribor-opslag toch toegestaan

Financiële planning 927

De Beroepscommissie van klachteninstituut Kifid heeft in hoger beroep geoordeeld dat ING de Euribor-opslag op de rente voor een lening fors mocht verhogen. De geschillencommissie had vorig jaar nog bepaald dat de bank de opslagverhoging aan de klant moest terugbetalen.

Beroepscommissie: forse verhoging Euribor-opslag toch toegestaan

De klant en zijn partner sluiten in 2011 een lening van € 135.000 met een looptijd van vijf jaar bij ING. Daarmee worden aandelen gekocht in het bedrijf waar de man werkt. Ze betalen als rente het Eurtibortarief plus een opslag van 2,75%. Die opslag gaat drie jaar later naar 3,5%. In 2015 volgt nogmaals een verhoging: de klant moet nu een opslag van 4,85% ophoesten. Dat wordt hem te gortig. De klacht komt voor de geschillencommissie van Kifid. Die oordeelt dat de bank niet eenzijdig de opslag op het Euribortarief mocht verhogen. “De commissie oordeelt dat in het onderhavige opslagwijzigingsbeding en in de overige leningdocumentatie niet is duidelijk gemaakt onder welke omstandigheden, volgens welke mechanismen en in welke mate de opslag kan worden gewijzigd.” Daardoor kon de klant vooraf niet overzien welke gevolgen het beding voor hem kon hebben. Het beding is geen kernbeding en onredelijk bezwarend.

Kernbeding

Maar de Commissie van Beroep kijkt er anders tegenaan. Het beding op basis waarvan de rente jaarlijks door de bank wordt gewijzigd, is een kernbeding “omdat de (flexibele) rentevergoeding de kern van de prestatie jegens de bank betreft”. Een jaarlijks aan te passen opslag is een wezenskenmerk van de lening. “In de offerte wordt dus tot uitdrukking gebracht dat de totale rentevergoeding – zowel de Euribor als de opslag – naar haar aard flexibel is.”

Beding niet transparant

Dat beding is niet transparant, afgemeten aan de Europese richtlijnen. “Nergens maakt de bank duidelijk hoeveel de opslag concreet kan worden gewijzigd (verhoogd), van welke factoren dat afhankelijk is en in welke mate bij die verhoging bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met een risico-opslag verbonden aan de
leningnemer en/of (externe) marktomstandigheden. Dat gebrek klemt temeer omdat het aan de professionele opsteller van het beding (de bank) is overgelaten om de omvang van de tegenprestatie van de wederpartij eenzijdig te bepalen.”

Maatwerkkrediet

Maar dat maakt nog niet dat het beding oneerlijk is, overweegt de commissie. Die stelt dat het om een specifiek soort lening ging, waarbij tussentijds werd afgelost. “De lening betrof derhalve geen
consumptief krediet, maar een maatwerkkrediet met een aantal zakelijke trekken en met een substantiële leensom.” Bovendien kon de klant elke drie maanden aflossen tegen relatief lage kosten (€ 125). “Als hij
het gewijzigde tarief niet aanvaardbaar achtte, had hij slechts gedurende een zeer beperkte periode, afgezet tegen de lange looptijd van de lening (100 maanden), een verhoogd rentepercentage behoeven te accepteren.” Ook was de rente lager vergeleken met andere leningopties.

De klant zou ook als hij volledig van het beding op de hoogte was geweest, de lening hebben gesloten, aldus de commissie van beroep. Het beding is alles bij elkaar niet onredelijk bezwarend: het beroep wordt toegekend.

Lees hier de volledige uitspraak 2018-059

Reageer op dit artikel