nieuws

Hoge Raad: Stilzittende dga moet belasting betalen over niet-uitgekeerd pensioen

Pensioen 2062 PA

Een pensioen dat vorderbaar en inbaar was, maar niet is uitgekeerd, wordt geacht toch te zijn genoten. Dat blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad. Die deed uitspraak naar aanleiding van een zaak waarin een directeur-grootaandeelhouder zijn pensioen niet liet uitkeren. Hij moet daar toch inkomstenbelasting over betalen.

Hoge Raad: Stilzittende dga moet belasting betalen over niet-uitgekeerd pensioen

Een BV kent zijn directeur-grootaandeelhouder in 1993 pensioenaanspraken toe die ingaan op 1 mei 2013. Het opgebouwde pensioen is dan jaarlijks ruim € 57.000. De BV keert aan de dga in 2013 geen pensioen uit. De Belastingdienst rekent echter wel loonbelasting over het niet-uitgekeerde pensioen. Volgens de belastinginspecteur heeft de man zijn pensioen prijsgegeven. Voor de wet wordt dat gezien als afkoop van pensioenaanspraken.

Passief

De BV heeft zijn pensioenaanspraken laten herberekenen, volgens de dga, en heeft die verlaagd tot ruim € 8.500 per jaar. Dat bedrag zou beschikbaar zijn gesteld, maar de verloning en uitbetaling hebben dan nog niet plaatsgevonden omdat de middelen ontbraken om de loonheffing af te dragen.

De man maakt bezwaar tegen zijn belastingaanslag en stapt eerst naar de rechtbank Den Haag en gaat vervolgens in beroep bij het gerechtshof Den Haag. Hij vindt dat er geen sprake is van prijsgeven van zijn pensioen. Hij is immers passief gebleven, hij heeft stilzittend geaccepteerd dat zijn pensioen is verlaagd, maar heeft daar zelf geen actie voor ondernomen.

Pensioen was vorderbaar en inbaar

Het gerechtshof stelt echter dat van prijsgeven sprake kan zijn zowel wanneer de pensioengerechtigde actief aan het prijsgeven meewerkt door een rechtshandeling te verrichten als wanneer de pensioengerechtigde passief blijft (‘stilzitten’). Ook niet-handelen is volgens het hof een actie waarmee kan worden prijsgegeven.

De Hoge Raad ziet dat laatste anders. Enkel stilzitten van de pensioengerechtigde is onvoldoende om van prijsgeven van een pensioenaanspraak te kunnen spreken, aldus het arrest. Dat kan volgens de hoogste rechter echter niet tot cassatie leiden. In het oordeel van het hof ligt namelijk besloten dat de over 2013 verschuldigde pensioentermijnen in dat jaar vorderbaar en inbaar waren. “Die pensioentermijnen zijn daarom terecht in dat jaar in de heffing van IB/PVV betrokken. De mogelijkheid voor de BV om de pensioenaanspraak eenzijdig te verlagen doet daaraan niet af, reeds omdat uit de stukken niet anders kan worden afgeleid dan dat een dergelijke verlaging zich in 2013 niet heeft voorgedaan”, aldus de Hoge Raad.

Reageer op dit artikel