nieuws

‘Nazorgplicht van tussenpersoon is vergaand, maar zeker niet onbegrensd’

Branche 2268

De overeenkomst van dienstverlening tussen tussenpersoon en klant is in veel gevallen vrij algemeen geformuleerd, constateert Roel Bosman van V&A Advocaten in de rubriek Verzekeringsrecht. Dat terwijl in de praktijk van het dienstverleningstraject vaak meermaals momenten zijn waarop de assurantietussenpersoon, met zijn zorgplicht in het achterhoofd, actief moet handelen. Wat mogen contractspartijen op het vlak van de (na)zorgplicht van elkaar verwachten? Advocaat Bosman legt het uit aan de hand van een recente uitspraak waarbij Rabobank werd verweten niet te hebben gewaarschuwd voor het risico op onderverzekering.

‘Nazorgplicht van tussenpersoon is vergaand, maar zeker niet onbegrensd’

Om de vraag te beantwoorden wat contractspartijen over en weer van elkaar mogen verwachten, ligt het voor hand om in eerste instantie de tussen partijen gesloten overeenkomst erbij te pakken. De overeenkomst is doorgaans immers bij uitstek het document waarin de wederzijdse verplichtingen van partijen zijn neergelegd en waaruit dus kan worden afgeleid wat zij met elkaar of voor elkaar zullen gaan doen. Een uitzondering hierop vormt in veel gevallen de overeenkomst (van dienstverlening) tussen de assurantietussenpersoon en diens klant. Die overeenkomst blijkt in de praktijk vaak vrij algemeen geformuleerd, terwijl, zoals wij hieronder zullen zien, zich in het dienstverleningstraject meermaals momenten voordoen waarop, indachtig de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht, (actief) handelen van de assurantietussenpersoon geboden is.

Juridisch kader

In het geval daarover contractueel niets is vastgelegd, zal dat wat de klant van zijn assurantietussenpersoon mag verwachten, en daarmee dus de omvang van de zorgplicht, nader moeten worden ingekleurd door de wet en de jurisprudentie. Uit de wet (art. 7:401 BW) volgt in algemene zin dat een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Voor een beroepsbeoefenaar als de assurantietussenpersoon houdt dit in dat hij tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot mag worden verwacht. In de jurisprudentie is deze norm nader geconcretiseerd. Uit het (standaard)arrest Brals/Octant (ECLI:NL:HR:2003:AF0122) volgt, kort gezegd, dat het de taak is van de assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille horende verzekeringen.

Drie fasen

Met dit toetsingskader in het achterhoofd kunnen vervolgens drie fasen in het dienstverleningstraject worden onderscheiden, te weten de adviesfase, de bemiddelingsfase en de nazorgfase. Tijdens de adviesfase zal de assurantietussenpersoon zowel de behoefte van de klant als diens (persoonlijke) situatie moeten inventariseren, zodat tot een daarbij passend advies kan worden gekomen. Daarnaast dient hij zijn klant adequaat te informeren over, en zo nodig te waarschuwen tegen de risico’s van het af te sluiten (verzekerings)product. In het kader van de bemiddelingsfase is de zorgplicht van de assurantietussenpersoon er (met name) op gericht dat hij van zijn klant de beschikking krijgt over alle relevante informatie, teneinde aan de verzekeraar voldoende inlichtingen te kunnen geven om deze ervan te weerhouden naderhand een beroep op verzwijging te doen (wegens schending van de mededelingsplicht).

Niet onderschatten

Het afsluiten van een (verzekerings)product vormt het sluitstuk van de advies- en bemiddelingsfase. Als assurantietussenpersoon is het echter wel van belang om de (reikwijdte van de) zorgplicht in de nazorgfase niet te onderschatten. Ook in deze fase kan de invloed van de assurantietussenpersoon namelijk van cruciaal belang zijn om te voorkomen dat de klant met (ongedekte) schade wordt geconfronteerd.

Als assurantietussenpersoon is het van belang om de reikwijdte van de zorgplicht in de nazorgfase niet te onderschatten

Dat de omvang van de zorgplicht van de assurantietussenpersoon in deze fase bovendien  niet gering is, wordt onder meer geïllustreerd door een arrest van Gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:2376). Wat was het geval in deze zaak? Door een vastgoedexploitant was een kantoorpand aangekocht voor een bedrag van € 1.000.000. Via haar verzekeringsadviseur, Rabobank, heeft de vastgoedexploitant een opstalverzekering voor het pand afgesloten. Op enig moment heeft een brand plaatsgevonden in het pand. De daarop ingeschakelde expert heeft vastgesteld dat de schade € 212.847 en de herbouwwaarde van het pand € 4.750.000 bedragen. Aangezien het pand was verzekerde voor een bedrag van € 1.000.000 heeft de verzekeraar (slechts) een bedrag uitgekeerd van € 44.810. Met succes heeft de vastgoedexploitant daarop Rabobank aangesproken tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het feit dat door de onderverzekering een deel van haar schade, te weten een bedrag van €,168.037, door de verzekeraar niet is uitgekeerd.

Verschil aankoopwaarde en herbouwwaarde

Het hof heeft als volgt overwogen (r.o. 3.5):

“Het hof is van oordeel dat Rabobank, in de persoon van [B], als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te weten dat er een zeer aanzienlijk verschil kan bestaan tussen de aankoopwaarde en de herbouwwaarde van een pand. Dit geldt te meer indien, zoals hier, het een groot kantoorpand betreft dat wordt aangekocht in een periode waarin als gevolg van de financiële crisis de prijzen voor kantoorpanden aanzienlijk waren gedaald en dat pand bovendien nog verbouwd zou gaan worden. Onder die omstandigheden had Rabobank behoren te begrijpen dat met het vaststellen van de verzekerde waarde op de aankoopwaarde van het pand, een reëel risico bestond dat het pand in zeer aanzienlijke mate onderverzekerd zou zijn. Rabobank had Lexit (de vastgoedexploitant) daar dan ook uitdrukkelijk voor moeten waarschuwen.”(…)

Proactief waken

Als gezegd, is (ook) de (na)zorgplicht van de assurantietussenpersoon omvangrijk. De hierboven aangehaalde uitspraak laat goed zien dat van de assurantietussenpersoon kan worden gevergd dat deze proactief tegen onder meer onderverzekering blijft waken en (ook) dat deze dit periodiek controleert. Bovendien kan een assurantietussenpersoon zich niet enkel baseren op mededelingen afkomstig van zijn klant, maar zal hij ook uit eigen beweging moeten handelen indien, op welke manier dan ook, tot hem gekomen relevante informatie daartoe aanleiding geeft.

Omvangrijk

De vergaande (na)zorgplicht voor de assurantietussenpersoon vloeit voort uit het feit dat de gevolgen van bijvoorbeeld schending van de mededelingsplicht of onderverzekering groot kunnen zijn, terwijl de klant hierop niet altijd bedacht is, maar van de assurantietussenpersoon wel mag worden verwacht dat die hiermee beroepshalve bekend is. Hoewel dus omvangrijk is de zorgplicht van de assurantietussenpersoon zeker niet onbegrensd.

Voorbeelden van factoren die de omvang van de zorgplicht (kunnen) beperken zijn de aard van het product (hoe eenvoudiger het product voor de klant te begrijpen valt, hoe minder ver de zorgplicht van de assurantietussenpersoon gaat) en de hoedanigheid van de klant (is de klant een consument of een ondernemer van wie een zekere mate van professionaliteit mag worden verwacht). Van belang is daarnaast dat een assurantietussenpersoon mag afgaan op de informatie die hij van de klant ontvangt, terwijl de assurantietussenpersoon evenmin hoeft in staan voor de juistheid van die informatie of achterwege gelaten informatie, tenzij daartoe concrete aanleiding bestaat.

Eigen verantwoordelijkheid

Daarnaast verdient het aanbeveling om in voorkomende gevallen oog te houden voor de eigen verantwoordelijkheid van de klant. Niet zelden is namelijk, in iedere fase van het dienstverleningstraject waarin de assurantietussenpersoon een zorgplichtschending valt te verwijten, wel sprake van omstandigheden aan de zijde van de klant die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de door de klant geleden schade. Goed voorbeeld hiervan is de klant die heeft nagelaten de polis op juistheid te controleren. In een dergelijk geval kan er aanleiding toe bestaan dat (een deel van) de schade in het kader van eigen schuld voor rekening van de klant dient te blijven.

Reageer op dit artikel