nieuws

Veertig jaar verzekeren in vier trends

Branche 1109

In de veertig jaar dat am: verschijnt zijn in de wereld veel dingen veranderd en toch hetzelfde gebleven. Dat gaat ook op voor de verzekeringsbranche. Vier decennia verzekeren in vier kenmerkende productontwikkelingen.

Veertig jaar verzekeren in vier trends
Beeld: Emanuel Wiemans

Bij de start van am: in 1979 zijn Nederland en West-Europa in de ban van de kou. IJzel en sneeuw zorgen wekenlang voor maatschappijontwrichtende omstandigheden. Egypte erkent in dat jaar als eerste Arabische land Israël en Margaret Thatcher grijpt de macht in Groot-Brittannië. Op technologisch gebied zitten we in de hoogtijdagen van het cassettebandje: Sony introduceert de walkman.

Veertig jaar later blijft de voorspelde strenge winter uit. Het aantal klimaatdemonstraties neemt hand over hand toe en in de door Donald Trump geregeerde VS klinken kritische geluiden over de banden met Israël. Onder leiding van Theresa May verlaat Groot-Brittannië de EU. En het cassettebandje maakt een comeback in tijden van streamingdiensten als Spotify. Wat gebeurde er in die tussenliggende jaren in de verzekeringsbranche?

1979-1989: premiedifferentiatie

Big data wordt graag gezien als een ultramodern fenomeen, maar verzekeraars zijn eigenlijk sinds hun ontstaan al bigdataspecialist geweest. De opkomst van de automatisering maakte in de jaren tachtig meer maatwerk mogelijk in premies. Daarvoor al, in de jaren zeventig, waren ziektekosten-verzekeraars op de proppen gekomen met leeftijdsgebonden tarieven en verzekeringen met een hoog eigen risico en dus ook lagere premie. Meer maatwerk, maar ook minder solidariteit, vonden critici.

Een van de nieuwe verschijnselen uit de jaren tachtig was bijvoorbeeld de introductie van premies die meer op het individuele risico waren afgestemd. Met als motto ‘de heer in het verkeer is meestal een vrouw’ lanceerde Zwolsche Algemeene het vrouwentarief bij de autoverzekering. Vrouwen rijden statistisch gezien nu eenmaal minder schade en krijgen daarom korting op de premie, was de gedachte. Die kreeg in de jaren erna navolging van meer verzekeraars.

Sekseneutrale tarieven

Maar de Europese regelgeving reed de vrouwen later in de wielen: premieonderscheid op basis van sekse mag sinds eind 2007 niet, zodat de korting noodgedwongen moest worden afgeschaft. Overigens was het aantal verzekeraars met een ‘roze’ tarief op dat moment al flink geslonken. EAG Assuradeuren was de laatste partij die het vrouwentarief hanteerde, maar hees in 2008 de witte vlag. Ook al blijven mannen meer schade veroorzaken dan vrouwen. Behalve onder de vijftigers: daar is de schadelast per incident bij vrouwen juist groter.

De eis van sekseneutrale tarieven had ook impact op overlijdensrisicoverzekeringen. Vrouwen leven gemiddeld genomen nog altijd langer dan mannen, dus ook bij de ORV deed het vrouwentarief zijn intrede, tot de EU-regels daar een einde aan maakten.

Bonus-malus

De autoverzekeraars zorgden in de jaren tachtig voor nog een andere doorbraak in risicogerelateerde tarieven: in 1982 werd het bonus-malussysteem ingevoerd. Daarvoor gold alleen het no-claimsysteem, waarbij verzekerden met een lagere premie werden beloond voor schadevrij rijden. Nu werkte het systeem twee kanten op: brokkenpiloten gingen boeten bij schade. De toen grootste zes verzekeraars waren aanjager van het systeem en de Contact Commissie Motorrijtuigen (CCM) werkte het uit. Daarbij werd ook afgesproken dat de basispremies voortaan werden gebaseerd op de leeftijd van de automobilist, de regio waar hij woonde en het gewicht van de auto.

De aanleiding voor het omgooien van het verzekeringssysteem was dat de WA-verzekeraars al jaren slechte resultaten boekten. Gedurende de jaren zeventig was de branche al druk bezig geweest om de big data te analyseren en zo de bepalende risicofactoren te identificeren. Vrije marktwerking zag er in die jaren overigens nog iets anders uit: de overheid had jaarlijks een stem in de premieverhogingen en toen er een wildgroei aan b/m-systemen ontstond, trok de CCM aan de rem om de verschillende tariefstructuren zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen.

1989-1999: bankverzekeren en beleggen

De fusie tussen NMB-Postbank en Nationale-Nederlanden tot ING in 1991 is zonder twijfel een van de meest spraakmakende gebeurtenissen uit de jaren negentig. “Wij hebben het gevoel een goede kameraad kwijt te zijn”, treurde toenmalig Stad Rotterdam-topman Luck van Leeuwen. Andere verzekeraars zagen de bui hangen: met de Postbank haalde NN een enorm distributiekanaal binnen. Dat was ook tegen het zere been van intermediairorganisaties NVA en NBVA, die repten van “een dolksteek in de rug van het intermediair”. Ruim 600 NVA-leden besloten zelfs tot een boycot van NN. Toenmalig NN-topman Jaap van Rijn liet zich later overigens ontvallen dat in eerste instantie aan een fusie met ABN werd gedacht. De soep werd minder heet gegeten dan opgediend: de boycot had weinig effect en NN bleef ook als onderdeel van een bankverzekeringsconcern de grootste intermediaire verzekeraar.

Structuurbeleid overboord

De fusie was een gevolg van de opheffing van het zogeheten structuurbeleid begin 1990, die samengaan van banken en verzekeraars mogelijk maakte. Daarvoor was er een strikte scheiding tussen de bank- en verzekeringswereld. Uiteindelijk stond de fusie Postbank-NN symbool voor een grote bankverzekeringsgolf: Interpolis was in 1990 al onderdeel geworden van Rabobank, SNS en Reaal fuseerden in 1997 en Stad Rotterdam en Amev gingen later op in Fortis ASR. Amev zelf had in 1990 de primeur gehad door als eerste verzekeraar met een bank (VSB) samen te gaan.

Beleggingsverzekering

Die bankverzekeringstrend maakte ook de weg vrij voor een van de grootste tijdbommen in de Nederlandse verzekeringshistorie: de beleggingsverzekering. Die werd in de jaren negentig massaal aan de man gebracht – al had Stad Rotterdam in 1956 al met De Waerdye beleggingspolissen geïntroduceerd. De koppeling van een overlijdensrisicodekking aan de fluctuerende waarde van de polis en de onduidelijkheid over kosten en (niet misselijke) adviseursbeloning bleef in de door economische opgang – en daardoor voor klant en verzekeraar winstgevende polissen – gekleurde jaren negentig onder de radar. Dat werd in het decennium erna wel anders.

1999-2009: Banksparen

Aan het begin van de 21e eeuw lijken de (beleggings)bomen nog tot in de hemel te groeien. Maar dat duurt niet lang: in 2001, het jaar van de aanslagen in New York op 11 september, beleven de aandelenbeurzen het op een na slechtste naoorlogse jaar. Al voor de aanslagen stonden de Nederlandse aandelen op een verlies van 23% ten opzichte van 2000. In een jaar tijd verdampt € 140 mld aan aandelenkapitaal. Het jaar 2000 had zelf al een kleine min laten zien, vooral in de telecom- en ICT-hoek.

2006 topjaar beleggingspolis

De levensverzekeraars draaien rond de eeuwwisseling nog op volle toeren. In 2000 gaat de koopsomproductie, mede gestimuleerd door een belastingherziening het jaar erop, waarbij lijfrentepremies minder ruim aftrekbaar zijn, met 23% omhoog. De individuele beleggingspolis boekt nog altijd dubbele groeicijfers, al zorgen de mindere beleggingsresultaten in 2001 en 2002 voor een dip in de verkoop. Die duurt niet lang; 2006 wordt het topjaar voor de individuele beleggingspolis: er worden er bijna 400.000 verkocht, goed voor een productie van meer dan € 2 mld. Daarmee is een op de drie verkochte levensverzekeringen een beleggingspolis. Aan periodieke premies boeken de levensverzekeraars dat jaar € 5,3 mld, alleen al uit beleggingsverzekeringen.

2006 markeert dus tegelijk het topjaar en het rampjaar voor de beleggingspolis, die door de dan opkomende aandacht voor kostenniveau en gebrekkige informatie wordt omgedoopt tot woekerpolis. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de beleggingsresultaten niet meer jaar na jaar in de plus staan, waardoor het negatieve effect van de gekoppelde overlijdensrisicodekking zichtbaar wordt.

Van woekerpolis naar banksparen

De kredietcrisis die in 2008 losbarst, brengt de levensverzekeraars een nieuwe slag toe. Ook de huizenmarkt zakt in, wat weer een aanzet is voor het nadenken over de negatieve aspecten van de aflossingsvrije hypotheek. In 2017, het laatste jaar waarvan cijfers bekend zijn, sluiten minder dan 6.000 mensen zo’n polis, goed voor nog geen € 200 mln aan nieuwe premies. Aan totale premieomzet uit nieuwe en lopende beleggingsverzekeringen resteert dan nog zo’n € 2 mld. Dat is minder dan de verkoop van nieuwe polissen in 2006 opleverde.

Als tegenhanger van de woekerpolis verschijnt in 2008 het banksparen ten tonele, compleet met fiscale aftrekmogelijkheden. Consumenten, bang geworden voor beleggen, moeten zo een alternatief hebben voor vermogensopbouw. Vijf jaar later is die optie voor huizenkopers alweer van de baan, omdat de aflossingsvrije hypotheek dan in de ban wordt gedaan. En of de bankspaarproducten dankzij de lage rentestanden sindsdien veel rendement hebben opgeleverd, valt te bezien.

De crisis blijkt tot slot ook een opmaat naar het einde van het bankverzekeringsmodel. Conglomeraten als ING, Fortis en SNS Reaal zijn inmiddels uiteengevallen.

2009-2019: het service-abonnement

Vanaf de eerste am: in 1979 staat het beloningsmodel voor adviseurs ter discussie. Die discussie vindt in eerste instantie vooral binnen de branche zelf plaats. Op wetgevingsgebied geldt dan zelfs nog een provisiegébod: ook al wil de tussenpersoon zich anders of minder laten belonen, het mag niet. Retourprovisie, het (deels) teruggeven van de beloning aan de klant, is strikt verboden.

Net na de start van am: toont topman Guus Kool van Aegon-voorloper Ennia zich een waar orakel. Zijn opmerkingen over het provisiestelsel in een van de eerste artikelen hadden ook dertig jaar later niet misstaan: “Moet dit beloningssysteem niet worden omgebouwd tot een systeem waarbij de tussenpersoon een honorarium ontvangt van de cliënt op basis van het gegeven advies en de tijd en moeite die eraan zijn besteed, zelfs als er geen verzekering tot stand komt? De tussenpersoon zal zijn adviesfunctie, dus eigenlijk zichzelf, meer en meer moeten verkopen. Dat is zijn toegevoegde waarde. De tussenpersoon moet de vertrouwensman zijn van de klant.”

Van verbod op retourprovisie naar verbod op provisie

Pas begin deze eeuw, in 2002, is het verbod op retourprovisie opgeheven. Daarna gaat het snel, onder invloed van de opkomst van internetverkoop en de woekerpolisaffaire. Die laatste gaat weliswaar vooral over de gebreken bij product en aanbieder, maar straalt ook negatief af op de verkopers van beleggingsverzekeringen, die de bijbehorende premie maal duur als provisie opstreken. Die vaak aanzienlijke bedragen gingen al in de eerste jaren van de inleg af.

In het kielzog van de kritiek op het bank- en verzekeringswezen krijgt ook het intermediair het na 2006 lastig: hoe onafhankelijk is de verzekeringsadviseur eigenlijk? De beweging van polisverkoop tegen provisie naar advies voor een fee wordt gemarkeerd door het provisieverbod voor complexe producten in 2013. De beloning wordt direct bij de klant geïncasseerd en niet meer bij de aanbieder.

MultiSafe zet de trend

Veel intermediairbedrijven worstelen met de omslag. Het serviceabonnement is een van de manieren om het advies op een betaalbare manier bij de klant in rekening te brengen. In 2009 zet MultiSafe de trend: klanten worden op grote schaal omgezet naar een serviceabonnement, waarbij per maand een vaste bijdrage wordt betaald voor de dienstverlening. Alleen: dat gebeurt naast het bestaande provisiemodel. En dat mag, oordeelt de rechter in 2012.

Hoewel schadeverzekeringen anno 2019 nog altijd een provisiecomponent kennen, is de basis van financieel advies inmiddels wel het bedienen van de klant. Ook al blijft provisie voor de grootste intermediairbedrijven van ons land goed voor meer dan de helft van de omzet.

De verzekeringsmarkt in cijfers

(Klik op de afbeelding om te vergroten.)

Reageer op dit artikel