nieuws

‘Aanmerken van kind als fiscaal partner niet onrechtvaardig’

Branche 1925

Het aanmerken van een kind als fiscaal partner is niet onrechtvaardig. Dat zegt Menno Snel, staatssecretaris van Financiën in antwoord op vragen van de leden Renske Leijten en Bart van Kent (SP).

‘Aanmerken van kind als fiscaal partner niet onrechtvaardig’

Leijten en Van Kent stelden de vragen naar aanleiding van een bestaande situatie waarin een vader aan zijn dochter (ouder dan 27) en kleinkinderen na haar scheiding onderdak verschaft. Door de komst van zijn dochter worden vader en dochter gezien als fiscale partners en verliest de dochter haar zorgtoeslag en haar kindgebonden budget.

De Kamerleden vragen zich af of dat rechtvaardig is. Zij vragen zich af waarom er bij bloedverwantschap in de eerste graad bij de toeslagen mogelijkerwijs sprake van partnerschap, terwijl bij de schenk- en erfbelasting sprake is van een kind. “Waarom is ervoor gekozen ook kinderen als fiscaal partner aan te (kunnen) merken?”

Basispartnerbegrip

Staatssecretaris Menno Snel antwoordt uitgebreid en behandelt eerst het basispartnerbegrip. “In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is het basispartnerbegrip opgenomen dat geldt voor alle belastingwetten en de toeslagen. Ingevolge dat partnerbegrip zijn gehuwden, geregistreerde partners en samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract die in de basisregistratie personen staan ingeschreven op hetzelfde woonadres partners. Vervolgens is het basispartnerbegrip in afzonderlijke wetten uitgebreid of zijn de voorwaarden aangevuld. Op basis van objectieve criteria wordt bepaald of sprake is van partnerschap en wanneer het partnerschap begint en ophoudt te bestaan. Dit basispartnerbegrip geldt voor alle belastingwetten, dus ook voor de Successiewet 1956. Voor de schenk- en erfbelasting is vanwege het specifieke karakter van de schenk- en erfbelasting, waarbij partners een aanzienlijk voordeel genieten, een aantal aanvullende eisen gesteld.  Een van die voorwaarden is dat bloedverwanten in de rechte lijn geen partners zijn.”

Objectieve criteria

Vervolgens legt Snel uit dat het basispartnerbegrip voor de inkomstenbelasting en de toeslagen is aangevuld met objectieve criteria op basis waarvan sprake is van partnerschap in situaties van samenwoning. Daar geldt dat ongehuwd samenwonenden met een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling als elkaars partner worden aangemerkt als zij in de basisregistratie personen staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Snel voegt toe dat daarvoor is gekozen om te voorkomen dat ongehuwd samenwonenden die kinderen in hun gezin hebben uit een andere relatie (de zogenaamde “samengestelde gezinnen”) een aanzienlijk voordeel zouden kunnen genieten.

Huishouden

Ongehuwd samenwonenden worden daardoor ook als partners aangemerkt indien zij samen met een kind van een van beiden op hetzelfde adres in de basisregistratie personen staan ingeschreven. Dit criterium sluit volgens Snel ook aan bij het draagkrachtbeginsel van de wet Awir om voor wat betreft het recht op toeslagen het inkomen op huishoudenniveau in aanmerking te nemen.

In de fiscaliteit en toeslagen wordt onder partner dus verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belastingplichtige en die evenals die belastingplichtige meerderjarig is, waarbij op dat adres ook een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven. Niet als partner wordt aangemerkt een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belanghebbende of belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt. Indien beiden de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt, wordt verondersteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.”

Volgens Snel wordt in de casus die de SP-leden inbrachten voldaan aan de hiervoor omschreven criteria inzake de bepaling voor samengestelde gezinnen en gaat het om twee personen die de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt.

Snel voegt toe: “Hierbij merk ik op dat het partnerschap naast negatieve gevolgen voor de aanspraak op (een) toeslag(en) positieve gevolgen kan hebben in de inkomstenbelasting.”

Toekomst meer lijn?

De Kamerleden willen ook nog weten of Snel voornemens is om de criteria voor partnerschap in verschillende wetten meer met elkaar in lijn te brengen. Snel is dat niet van plan: “De vastlegging van het partnerbegrip in de AWR heeft ertoe geleid dat voor alle fiscale wetten hetzelfde basispartnerbegrip geldt. In de inkomstenbelasting en toeslagen zijn aanvullende, objectief toetsbare, partnercategorieën opgenomen, die met elkaar in overeenstemming zijn. Door dit volledig geharmoniseerde partnerbegrip in de inkomstenbelasting en toeslagen is het stelsel juist vereenvoudigd. Dit heeft geleid tot duidelijkere regelgeving voor de burger, administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging van de uitvoering voor de Belastingdienst. Zoals ik hiervoor al heb aangegeven geldt het basispartnerbegrip ook in de schenk- en erfbelasting en is vanwege het specifieke karakter ervan een aantal aanvullende eisen gesteld. Voor de fiscaliteit en toeslagen is dus het uitgangspunt dat partnerschap aan de hand van objectieve criteria kan worden bepaald.”

Dit artikel is onderdeel van am: permanent actueel. Onderaan het artikel staan vragen die pa-abonnees kunnen beantwoorden. Het artikel inclusief resultaat wordt dan toegevoegd aan de persoonlijke toetsresultaten. Interesse om mee te doen aan am:permanent actueel? Klik hier voor meer informatie. 

Reageer op dit artikel