nieuws

Dijsselbloem tevreden over functioneren zorgplicht

Branche 1463

Dijsselbloem tevreden over functioneren zorgplicht

Minister Dijsselbloem is vooralsnog tevreden over het functioneren van de algemene zorgplicht voor financieel dienstverleners. De minister stelt dit naar aanleiding van de evaluatie van de plicht, die onlangs werd afgerond. Vanwege het vooralsnog ontbreken van jurisprudentie bepleit Dijsselbloem wel een nieuwe evaluatie die uiterlijk op 1 januari 2022 moet zijn afgerond.

Op 1 januari 2014 werd de algemene zorgplicht wet als artikel 4:24a van de Wet financieel toezicht. Bij de introductie van het artikel had de minister op aandringen van de Kamerleden De Vries en Koolmees een evaluatie binnen drie jaar toegezegd. Het ministerie sprak daartoe de afgelopen maanden met de AFM, vertegenwoordigers van de financiële sector, Vereniging Eigen Huis (VEH), de Consumentenbond, de Rechtbank Rotterdam, het Kifid en diverse academici en advocaten.

Dijsselbloem stelt in zijn brief aan de Tweede Kamer  mede naar aanleiding van de gesprekken geen aanleiding voor fundamentele wijzigingen aan het wetsartikel. De minister: “Wat voorop staat is dat de algemene zorgplicht in de Wft is ingevoerd als een aanvulling op het systeem van consumentenbescherming (normerende werking) en als vangnetbepaling op grond waarvan de AFM kan handhaven indien specifieke regels in de Wft ontbreken. Artikel 4:24a Wft functioneert volgens (het merendeel van de) gesproken partijen in die opzichten goed.”

Tijdens de evaluatie brachten enkele belanghebbenden naar voren dat er sprake zou zijn van een verschuiving van formeel naar informeel toezicht en rechtsonzekerheid over de invulling van de algemene norm door de toezichthouder en bestuursrechter. Dit zou volgens deze partijen (kunnen) leiden tot grote voorzichtigheid bij financiële dienstverlening en in het uiterste geval tot het niet of slechts in beperkte mate aanbieden van bepaalde producten en diensten.

Adequate aanpassingen in het belang van de consument
De minister stelt een verschuiving van formele handhaving naar informele beïnvloeding door de toezichthouder op zichzelf wenselijk te vinden. “In sommige gevallen is hard ingrijpen door de toezichthouder onverkort aangewezen. In andere gevallen kan informele beïnvloeding effectiever en aangewezen zijn. Zo kan informeel toezicht leiden tot (snelle) aanpassingen in de organisatie van een onderneming waardoor schadelijk gedrag wordt beëindigd. Dit komt ten goede aan het in acht nemen van de gerechtvaardigde belangen van de klant of het borgen van het klantbelang alsmede consumentenbescherming in brede zin. Daarbij wordt de onderneming via informeel toezicht (middels een dialoog) in staat gesteld snel adequate aanpassingen in de organisatie in het belang van de consument te verrichten zonder risico op (publieke) reputatieschade.”

Vermeende voorzichtigheid niet onwenselijk
Ook de vermeende voorzichtigheid bij financiële dienstverleners noemt Dijsselbloem op zichzelf niet onwenselijk. “Integendeel, met de introductie van de algemene zorgplicht in de Wft is juist een zekere mate van nadere bezinning in de sector c.q. cultuuromslag beoogd: met de introductie van de algemene zorgplicht in de Wft werd gestreefd naar een cultuur waarbij financiële dienstverleners niet enkel controleren of alle specifieke voorschriften zijn nageleefd, maar ook in breder verband kijken of de dienstverlening de belangen van de klant op zorgvuldige wijze in acht neemt en daarbij waar nodig op de rem trappen.”

Te vroeg voor verdergaande conclusies
Wel ontbreken volgens de minister nog harde empirische gegevens met betrekking tot de algemene zorgplicht in de Wft aangezien er tot op heden nog niet formeel gehandhaafd is en er vooralsnog geen bestuursrechtelijke rechtspraak tot stand is gekomen. “Het is naar mijn oordeel dan ook te vroeg om verdergaande conclusies te trekken ten aanzien van de doeltreffendheid en de effecten van de algemene zorgplicht zoals neergelegd in de Wft. (…) Eerst zal meer zicht op onder meer de (formele) handhavingspraktijk en ontwikkeling in de bestuursrechtelijke rechtspraak moeten ontstaan. Om die reden kondig ik hierbij aan dat er een nieuwe evaluatie zal worden uitgevoerd naar de doeltreffendheid en de effecten van artikel 4:24a Wft in de praktijk. De Staten-Generaal zal uiterlijk 1 januari 2022 een verslag met de bevindingen van deze evaluatie ontvangen.”

Reageer op dit artikel