blog

Gevolgen van het solvabiliteitscriterium

Branche

In de rubriek Martktvisie werpt steeds een adviesorganisatie een blik op de verzekeringsbranche. Jan Niewold en Rob Gaillard van EY Nederland gaan in op het theoretisch solvabiliteitscriterium (TSC) voor levensverzekeraars dat het ministerie van Financiën in het voorjaar heeft aangekondigd. Bij de uitwerking zijn DNB en het Verbond betrokken. Dit past in de modernisering van het solvabiliteitstoezicht. Maar Solvency II is er nog niet, dus wat zijn de gevolgen van het theoretisch solvabiliteitscriterium voor levensverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars?

De huidige Europese toets op de solvabiliteit van levensverzekeraars vergelijkt de aanwezige solvabiliteit (eigen vermogen en toegelaten andere instrumenten) met een minimum: de vereiste solvabiliteit. Het minimum is voornamelijk gerelateerd aan de aanwezige technische voorzieningen. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien logisch: hoe meer voorzieningen, hoe omvangrijker kennelijk het risico, dus hoe groter het minimum (buffer)vermogen zou moeten zijn. Maar het is eigenlijk onlogisch: hoe prudenter de maatschappij voorzieningen vaststelt, hoe meer buffervermogen wordt vereist. De risico’s in de beleggingenportefeuille spelen ten onrechte geen rol. En ten slotte bestaat, ondanks de eenvoud van de regels, verschil van inzicht over welk percentage op welke polissen van toepassing is. In dit alles gaat Solvency II grondig verandering brengen, maar dat duurt nog even. Toezichthouders willen tussentijds al stappen maken. De impactstudie naar het Theoretisch Solvabiliteitscriterium, kortweg TSC, sluit hier op aan.
 
Doel van de studie
De impactstudie is bedoeld om de methoden en de parameters van het theoretisch solvabiliteitscriterium vast te stellen. Levensverzekeraars hebben daartoe begin augustus 2013 bij DNB proefresultaten ingeleverd van een aantal ‘schokeffecten’ die de Wft-solvabiliteit kunnen raken. Het heeft, evenals eerdere informatie-uitvragen van de toezichthouder, veel weg van de Solvency II-benadering.
De impactstudie houdt in dat het effect op de Wft-solvabiliteit is berekend middels scenario’s van schokken op de balans, de toereikendheidstoets en het prudentieel filter. Het gaat dan om debiteurenrisico, stijging en daling van de marktrente en de waardeontwikkeling van aandelen en vastgoed. Verder is het effect van een ongunstige ontwikkeling van kosten en overlevingskansen berekend.
 
Omdat tussen al deze (kansen op) ontwikkelingen bepaalde verbanden worden verondersteld, is het totaaleffect op de solvabiliteit bepaald via een correlatiematrix. Na verrekening van een belastingeffect rolt hier uiteindelijk het netto-effect op de aanwezige solvabiliteit van het hele programma van scenario’s uit. De vereiste minimum solvabiliteit is gelijk gebleven.
Alle informatie is verstrekt via een standaardrekensheet, die evenals alle toelichtingen te vinden is op de Open Boek-pagina’s van DNB. De toezichthouder beoordeelt de effecten in relatie tot de vereiste minimumsolvabiliteit en zal, ook rekening houdend met de ontwikkelingen van de Solvency II-voorstellen, de definitieve technische uitgangspunten van het TSC vastleggen in de toezichtregels. In juni 2014 moet dan de eerste formele rapportage plaatsvinden. Die zal, zolang de wet op Solvency I gebaseerd is, als extra rapportage worden opgevraagd.
Mede op basis van de conclusies per verzekeraar kan DNB in de toekomst besluiten om dividendvoorstellen van de verzekeraar te onderwerpen aan een goedkeuringsprocedure (verklaring van geen bezwaar of Vvgb), of de verzekeraar verplichten een herstelplan in te dienen.
Het TSC is verplicht voor grote en middelgrote levensverzekeraars. Natura-uitvaartverzekeraars zijn hiervan uitgezonderd. Het instrument van een Vvgb zal op alle verzekeraars van toepassing zijn.
 
Impact op de bedrijfsvoering
Naast de maatschappelijke druk en de noodzaak tot het doorvoeren van andere ingrijpende aanpassingen (provisieverbod!), hebben levensverzekeraars te maken met flinke rapportagestress. Het toenemende verlangen zowel intern als extern meer informatie te verzamelen, te analyseren en te rapporteren leidt tot druk op de interne organisatie. Veel interne systemen zijn niet gebouwd voor de uitdijende informatie-uitvraag van de afgelopen jaren en waarvan, getuige deze recente en snelle ontwikkeling, het einde nog niet in zicht is. Het is veelal onvermijdelijk dat de (nieuwe) informatie wordt verzameld en veredeld in spreadsheets en gelegenheidsdatabases, maar deze minder formeel ingerichte ‘informatiestraten’ zijn moeilijker beheersbaar (consistentie, kwaliteit) dan de (financiële) basissystemen. Op onderdelen kan echter al systeemconsolidatie plaatsvinden, nu ook de ORSA- en Pillar III-rapportages voor Solvency II vorm krijgen en ook de voorstellen voor IFRS4 Phase II concreter zijn.
 
De aanpassingen in de toezichtwetgeving bieden de toezichthouder een breder instrumentarium om het buffervermogen van verzekeraars te toetsen aan het mogelijke effect van economische en demografische wijzigingen. De verzekeraar zal dan ook naast de impact van uitbreiding van de rapportageverplichtingen, bij het actualiseren van het kapitaal- en dividendbeleid rekening moeten houden met een mogelijk afwijkende visie van DNB op de uitkeerbaarheid van vermogen.
 
Jan Niewold is industryleader Insurance van EY Nederland en als partner betrokken bij de controle en advisering van verzekeraars. Rob Gaillard is als senior manager verbonden aan het directoraat vaktechniek.
 

Reageer op dit artikel