blog

‘Verzekeraars moeten tijd investeren in goede communicatie met toezichthouders’

Branche

In de nasleep van de wereldwijde financiële crisis van 2008 hebben toezichthouders erkend dat er dringend behoefte is om financiële instellingen aan te pakken die ‘too big to fail’ zijn. Een flink aantal grote Europese verzekeraars moet daarom binnenkort herstelplannen opstellen. Volgens Robert-Jan Hagens en Jeroen van der Kroft van Ernst & Young is het zaak dat ze er samen voor zorgen dat de toezichthouders op één lijn zitten. Dat zorgt er wellicht voor dat de werklast niet onnodig hoog is.

Toezichthouders zijn van mening dat, indien instellingen onder extreme stress overheidssteun behoeven, zij de mogelijkheid moeten hebben om de reorganisatie en het herstel van dergelijke organisaties te beïnvloeden. Om die reden zijn herstel- en afwikkelingsplannen geïntroduceerd. Door middel van deze plannen proberen overheden systeemrelevante financiële instellingen te bestendigen tegen de gevolgen van een financiële crisis, zowel qua liquiditeit als solvabiliteit. De plannen zijn in feite blauwdrukken voor maatregelen die genomen kunnen worden tijdens of in voorbereiding op periodes van financiële stress. Daarnaast bieden de plannen de mogelijkheid om een instelling te liquideren of te herstructureren, zodanig dat de invloed op particuliere klanten (spaarders) en het wereldwijde financiële systeem zoveel mogelijk wordt beperkt.  

Vijf factoren

Na een lange periode van onderzoek bij de banken, richten toezichthouders zich nu op verzekeraars. De International Association of Insurance Supervisors (IAIS) heeft een lijst van 48 mondiale systeemrelevante verzekeraars (Globally Systemically Important Insurers , de G-SII’s) geleverd aan de ‘Financial Stability Board’ (FSB). Deze lijst zal eind deze maand gepubliceerd worden. Deze G-SII’s worden verplicht om gedetailleerde herstel- en afwikkelingsplannen in te dienen. Op mondiaal niveau is de IAIS, onder de bevoegdheid van de FSB en het toeziend oog van de G20, nu 48 verzekeraars aan het beoordelen op systeemrisico’s. Dit gebeurt aan de hand van vijf factoren: grootte, wereldwijde activiteiten, verwevenheid met de financiële markten, het gemak van substitueerbaarheid van de dekking en tot slot de niet-traditionele en niet-verzekeringsactiviteiten. De Nederlandsche Bank (DNB) heeft overeenkomstig deze internationale ontwikkelingen de grootste lokale systeemrelevante verzekeraars (circa 4 tot 5) in Nederland verzocht om herstelplannen op te stellen. De deadline hiervoor is januari 2014, met een aantal tussentijdse rapportagemomenten om onder meer de voortgang te bewaken. De verwachting is dat DNB de overige verzekeraars voor het vierde kwartaal van 2015 zal verzoeken om ook herstelplannen op te stellen.   

Bezwaren

De reactie van de verzekeringssector om herstel- en afwikkelingsplannen op te stellen is gevarieerd. Sommige partijen maken bezwaar tegen het vooruitzicht van nog meer regeldruk; zij blijven lobbyen tegen de stempel van G-SII. Andere verzekeraars erkennen dat hun wereldwijde bereik, grote omvang en niveau van diversificatie bijdragen aan een meer voorzichtige aanpak. Sommige verzekeraars erkennen het belang van herstel- en afwikkelingsplannen en hebben, vooruitlopend op maatregelen vanuit overheden en toezichthouders, strategische mogelijkheden geïdentificeerd om hun producten (bijvoorbeeld herverzekering van non-life op tail risk en insurancelinked securities) te positioneren als herstelmaatregelen. Daarnaast kunnen veel verzekeraars bouwen op hun voorbereidende werkzaamheden voor een reeks andere initiatieven, zoals bijvoorbeeld Solvency II. Duidelijk is wel dat de herstelspannen een slag dieper gaan dan Solvency II. Verzekeraars pleiten ervoor dat nationale, regionale en wereldwijde regelgevers eenzelfde beleid voeren, zodat toezichthouders geen concurrerende doelen nastreven. Het is namelijk in het belang van verzekeraars om hun belangrijkste toezichthouders op één lijn te hebben, zodat de inspanning die nodig is om herstelen afwikkelingsplannen te creëren niet onnodig groot is. Systeemrisico’s voor verzekeraars verschillen substantieel met die van de banken, en daardoor zijn de herstelmaatregelen verschillend. Dit is één van de belangrijkste thema’s die verzekeraars zullen moeten benadrukken, zowel in hun eigen plannen als in de dialoog met regelgevers. Niemand betwist dat verzekeraars minder last van liquiditeitsrisico’s hebben dan banken. Het is echter zaak voor verzekeraars om tijd te investeren in duidelijke communicatie met de toezichthouder, teneinde een gezamenlijk beeld te vormen over doel en aanpak en daarmee het niveau van inspanning te optimaliseren.  

Zware last

Voorbereidend werk voor de programma’s Solvency II en Enterprise Risk Management (ERM) biedt een goede basis voor het herstel- en afwikkelingsplan. Toch zal devraag van de regelgever een zware last zijn voor verzekeraars. De complexiteit van verzekeringsregimes in de verschillende landen en de mate van onderlinge verbondenheid binnen verzekeringsgroepen, bijvoorbeeld middels joint ventures, dragen hier fors aan bij. Banken hebben ontdekt dat sponsoring vanuit de top van de organisatie, naast de betrokkenheid van veel specialistische vaardigheden, een vereiste is voor het succesvol organiseren van herstel- en afwikkelingsplanning. Dit wordt bemoeilijkt door de verregaande verandering van verzekeringsregelgeving in tal van landen. Met name in Europa staat verzekeraars nog veel te wachten, omdat de implementatie van Solvency II ook veel van hen vraagt. Gecombineerd met herstel- en afwikkelingsplanning kan dit tot concurrerende vraag naar mensen en middelen leiden. Het grootste risico voor verzekeraars ligt echter in het niet tijdig beginnen met het proces of het verkeerd inschalen van de werklast.

Reageer op dit artikel