artikel

Het Verzekerings-Archief: jurisprudentie Europees Hof, Hoge Raad en College van Beroep voor het Bedrijfsleven

Branche 16

De rubriek Juridisch uit Het Verzekerings-Archief biedt een overzicht van alle verzekeringsrechtspraak, regelgeving en literatuur. Hieronder publiceren we de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Hoge Raad en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

Het Verzekerings-Archief: jurisprudentie Europees Hof, Hoge Raad en College van Beroep voor het Bedrijfsleven

Rechtspraak Hof van Justitie van de Europese Unie

Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Art. 11, lid 1, onder b, en art. 13, lid 2 – Bevoegdheid in verzekeringszaken – Personele werkingssfeer – Begrip ‘getroffene’ – Beroepsbeoefenaar in de verzekeringssector daarvan uitgesloten

Een voertuig dat aan een natuurlijke persoon met woonplaats in Polen toebehoorde, is beschadigd bij een verkeersongeval in Duitsland, dat is veroorzaakt door een Duitse onderdaan die bij LVM was verzekerd. De eigenaar van dat voertuig heeft vervolgens in Polen een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten voor de huur van een vervangende auto. De huurkosten zijn opgelopen tot 14.600 PLN (ongeveer 3.465 EUR). Deze persoon is echter slechts ten belope van 2.800 PLN (ongeveer 665 EUR) vergoed door een vennootschap die LVM in Polen vertegenwoordigt. Teneinde de resterende 11.800 PLN (ongeveer 2.800 EUR) te verkrijgen, heeft die persoon een overeenkomst voor de cessie van een schuldvordering gesloten, waarbij hij zijn recht op vergoeding overdroeg aan P. Hofsoe, die zijn handelsactiviteit uitoefent in Polen. In het kader van deze activiteit zorgt Hofsoe zelf, op basis van een contractuele cessie van een schuldvordering, voor de invordering bij de verzekeraar van de schadevergoeding waarop de getroffene aanspraak kan maken. Hij maakt de zaak aanhangig bij de rechter van de woonplaats van de getroffene in Polen. De Duitse verzekeraar beroept zich op de onbevoegdheid van die rechter. In hoger beroep wordt het oordeel van het HvJEU gevraagd. Het Hof herformuleert allereerst de prejudiciële vraag:

‘De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of art. 13, lid 2, van Verordening nr. 1215/2012, gelezen in samenhang met art. 11, lid 1, onder b), van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling kan worden aangevoerd door een natuurlijke persoon van wie de beroepsactiviteit met name bestaat in de invordering van schadevergoedingen bij verzekeraars en die zich beroept op een overeenkomst voor de cessie van een schuldvordering die met het slachtoffer van een verkeersongeval is gesloten om de verzekeraar van de veroorzaker van dat ongeval op grond van zijn burgerlijke aansprakelijkheid te dagvaarden voor een rechter van de lidstaat waar de getroffene zijn woonplaats heeft en die niet de lidstaat is waar de verzekeraar is gevestigd’.

Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend, en stelt daarbij voorop:

‘dat de verwijzing in art. 13, lid 2, van Verordening nr. 1215/2012 tot doel heeft de opsomming van eisers in art. 11, lid 1, onder b, van deze verordening aan te vullen met personen die schade hebben geleden, zonder dat de kring van deze personen is beperkt tot degenen die rechtstreeks schade hebben geleden (arrest van 20 juli 2017, MMA IARD, C-340/16, EU:C:2017:576, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve moet het forum actoris worden uitgebreid tot respectievelijk de erfgenamen van een verzekerde en de werkgever die het loon van een werknemer heeft doorbetaald tijdens diens ziekteverlof na een verkeersongeval (arresten van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C-347/08, EU:C:2009:561, punt 44, en 20 juli 2017, MMA IARD, C-340/16, EU:C:2017:576, punt 35). Die beslissingen zijn gebaseerd op een motivering volgens welke ten eerste de bepalingen die deel uitmaken van afdeling 3 van hoofdstuk II van Verordening nr. 1215/2012 tot doel hebben de zwakkere partij te beschermen door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels, en ten tweede een persoon die is gesubrogeerd in de rechten van de rechtstreeks getroffene, die misschien zelf als zwakke partij kan worden aangemerkt, moet kunnen gebruikmaken van de bijzondere bevoegdheidsregels van art. 11, lid 1, onder b, gelezen in samenhang met art. 13, lid 2, van Verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C-347/08, EU:C:2009:561, punten 40 en 44)’.

Het Hof overweegt ten gronde:

‘De afwijkingen van het beginsel dat de rechter van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd is, moeten evenwel uitzonderlijk zijn en strikt worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 17 juni 1992, Handte, C-26/91, EU:C:1992:268, punt 14; 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton, C-89/91, EU:C:1993:15, punten 14-17; 13 juli 2000, Group Josi, C-412/98, EU:C:2000:399, punten 49 en 50, en 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C-347/08, EU:C:2009:561, punten 36-39). Uit de beschermingsfunctie van art. 13, lid 2, van Verordening nr. 1215/2012, gelezen in het licht van art. 11, lid 1, onder b, van deze verordening, vloeit dan ook voort dat de in die bepalingen vastgestelde bijzondere bevoegdheidsregels niet mogen worden uitgebreid tot personen die deze bescherming niet nodig hebben (zie in die zin arresten van 13 juli 2000, Group Josi, C-412/98, EU:C:2000:399, punten 65 en 66; 26 mei 2005, GIE Réunion européenne e.a., C-77/04, EU:C:2005:327, punt 20, en 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C-347/08, EU:C:2009:561, punt 41). Daaruit volgt dat geen bijzondere bescherming nodig is wanneer het gaat om betrekkingen tussen beroepsbeoefenaren in de verzekeringssector, die geen van allen kunnen worden geacht in een zwakkere positie te verkeren dan de andere (zie arresten van 26 mei 2005, GIE Réunion européenne e.a., C-77/04, EU:C:2005:327, punt 20; 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C-347/08, EU:C:2009:561, punt 42, en 21 januari 2016, SOVAG, C-521/14, EU:C:2016:41, punten 30 en 31). Derhalve kan een persoon als Hofsoe, die een beroepsactiviteit uitoefent op het gebied van de invordering van verzekeringsuitkeringen, als contractuele cessionaris van dergelijke schuldvorderingen niet de bijzondere bescherming van het forum actoris genieten.

Weliswaar heeft afdeling 3 van hoofdstuk II van Verordening nr. 1215/2012, zoals in overweging 18 van deze verordening wordt gepreciseerd, tot doel de zwakkere partij te beschermen door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels, maar het blijkt dat de vordering die in het hoofdgeding aan de orde is, een vordering tussen beroepsbeoefenaren is en de proces­situatie van een zwakker geachte partij niet ongunstig kan beïnvloeden (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, SOVAG, C-521/14, EU:C:2016:41, punten 29 en 30). In dit verband brengt de omstandigheid dat een beroepsbeoefenaar als Hofsoe zijn activiteit uitoefent in het kader van een kleine structuur, niet met zich mee dat hij ten opzichte van de verzekeraar als een zwakkere partij moet worden beschouwd. Een beoordeling per geval van de vraag of een dergelijke beroepsbeoefenaar als een ‘zwakke partij’ kan worden aangemerkt en onder het begrip ‘getroffene’ in de zin van art. 13, lid 2, van Verordening nr. 1512/2012 kan vallen, zou namelijk een risico van rechtsonzekerheid doen ontstaan en in strijd zijn met de in overweging 15 van die verordening vermelde doelstelling dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn (zie in die zin arrest van 20 juli 2017, MMA IARD, C-340/16, EU:C:2017:576, punt 34). Deze uitlegging vindt overigens steun in de in overweging 15 van Verordening nr. 1215/2012 in herinnering gebrachte doelstelling dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder’.

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 31 januari 2018, zaak C-106/17 (Pawel Hofsoe tegen LVM Landwirtschaftlicher Versicherungsverein Münster AG), ECLI:EU:C:2018:50

Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2002/92/EG – Werkingssfeer – Begrip ‘verzekeringsbemiddeling’ – Richtlijn 2004/39/EG – Werkingssfeer – Begrip ‘beleggingsadvies’ – Advies dat bij verzekeringsbemiddeling wordt verstrekt en dat betrekking heeft op de belegging van een kapitaal in het kader van een kapitaalverzekering – Kwalificatie van de activiteit van een verzekeringstussenpersoon wanneer deze niet het voornemen heeft om daadwerkelijk een verzekeringsovereenkomst te sluiten

Deze zaken hebben betrekking op het verlies van geldsommen die waren belegd in producten in het kader van kapitaalverzekeringen die waren aangegaan bij vennootschappen die actief waren op het gebied van verzekeringsbemiddeling en die op hun beurt een aansprakelijkheidsverzekering hadden afgesloten bij Läns­försäkringar. Het Hof overweegt met betrekking tot de vraag of art. 2, punt 3, van de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling (2002/92) aldus moet worden uitgelegd dat de realisatie van voor­bereidend werk tot het sluiten van een verzekeringsovereenkomst onder het begrip ‘verzekerings­bemiddeling’ valt, ook al heeft de betrokken verzekeringstussenpersoon niet het voornemen om daadwerkelijk een verzekeringsovereenkomst te sluiten:

35 Zoals blijkt uit art. 1, lid 1, van richtlijn 2002/92, strekt de werkingssfeer van deze richtlijn zich onder meer uit tot de uitoefening van het verzekerings­bemiddelingsbedrijf, waarvoor die richtlijn voorschriften vaststelt.

36 Te dien einde wordt het begrip ‘verzekeringsbemiddeling’ in art. 2, punt 3, eerste alinea, van richtlijn 2002/92 gedefinieerd als ‘de werkzaamheden die bestaan in het aanbieden, voorstellen, voorbereidend werk realiseren tot het sluiten van of sluiten van verzekeringsovereenkomsten, dan wel in het assisteren bij het beheer en de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten, in het bijzonder in het geval van een schadegeval’.

37 Uit het feit dat de in deze bepaling opgesomde werkzaamheden worden gepresenteerd als alternatieven, vloeit voort dat elk van deze werkzaamheden op zichzelf beschouwd verzekeringsbemiddeling vormt. De realisatie van voorbereidend werk tot het sluiten van verzekeringsovereenkomsten valt onder het begrip ‘verzekeringsbemiddeling’, ongeacht of die activiteit leidt tot de sluiting van dergelijke overeenkomsten. Daarover bestaat overeenstemming tussen de verwijzende rechter en alle belanghebbenden in de zin van art. 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie die zich over dit onderwerp hebben uitgesproken in hun schriftelijke opmerkingen.

38 Volgens Länsförsäkringar vormt dergelijk voorbereidend werk evenwel enkel verzekeringsbemiddeling in de zin van art. 2, punt 3, van richtlijn 2002/92 indien de verzekeringstussenpersoon bij de realisatie van dat werk het voornemen heeft om daadwerkelijke verzekeringsovereenkomsten te sluiten. Zij is dus van mening dat er in de zaak Strobel e.a./Länsförsäkringar geen verzekeringsbemiddeling heeft plaatsgevonden, omdat de directeur-generaal van Connecta zich de door Strobel e.a. in die zaak overgemaakte bedragen heeft toegeëigend terwijl deze bedragen waren bestemd voor de sluiting van dergelijke overeenkomsten.

39 Met het oog op de vaststelling of de uitoefening van het verzekeringsbemiddelingsbedrijf die bestaat in de realisatie van voorbereidend werk tot het sluiten van verzekeringsovereenkomsten, zoals bedoeld in art. 2, punt 3, van richtlijn 2002/92, onderstelt dat de verzekeringstussenpersoon het voornemen heeft om dergelijke overeenkomsten te sluiten, zij eraan herinnerd dat voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening dient te worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie met name arrest van 23 januari 2018, Piotrowski, C 367/16, EU:C:2018:27, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Wat om te beginnen de bewoordingen van art. 2, punt 3, van richtlijn 2002/92 betreft, vloeit met name uit de woorden ‘werkzaamheden’, ‘aanbieden’, ‘voorstellen’, ‘realiseren’ en ‘assisteren’ voort dat het begrip ‘verzekeringsbemiddeling’ in deze bepaling wordt gedefinieerd onder uitsluitende verwijzing naar handelingen die objectief gesproken worden verricht door de verzekeringstussenpersoon. Daarentegen kan geen enkele in die bepaling gebezigde uitdrukking aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde werkzaamheden enkel als verzekeringsbemiddeling kunnen worden aangemerkt indien zij gepaard gaan met een bijzondere intentie van die tussenpersoon.

41 Wat vervolgens de context van art. 2, punt 3, van richtlijn 2002/92 betreft, zij opgemerkt dat de lidstaten krachtens art. 4, lid 4, van deze richtlijn verplicht zijn alle nodige maatregelen te treffen om de klanten te beschermen tegen het onvermogen van de verzekeringstussenpersoon om de premie aan de verzekeringsonderneming over te dragen. Bij gebreke van een andersluidende precisering dient ervan te worden uitgegaan dat laatstgenoemde bepaling ertoe strekt de klanten te beschermen tegen elk onvermogen van die tussenpersoon om voor die overdracht te zorgen, wat ook de oorzaak daarvan is. Deze bescherming moet zich derhalve ook uitstrekken tot de onmogelijkheid om de bovengenoemde premie over te dragen aan de verzekeringsonderneming, wanneer een werknemer van de verzekeringsbemiddelingsonderneming zich die premie heeft toegeëigend bij de realisatie van voorbereidend werk tot het sluiten van een verzekeringsovereenkomst.

42 Ten slotte zij eraan herinnerd dat richtlijn 2002/92, zoals blijkt uit de overwegingen 8, 9 en 17 ervan, onder meer tot doel heeft de bescherming van de consument op het gebied van verzekeringsbemiddeling te verbeteren. Daartoe moeten alle personen en instellingen die verzekeringsproducten distribueren, onder deze richtlijn vallen, zoals in overweging 9 wordt opgemerkt. Ten eerste zou het, ten nadele van de klanten van de verzekeringstussenpersoon, indruisen tegen het rechtszekerheidsbeginsel indien het van de subjectieve intentie van de verzekeringstussenpersoon die een activiteit verricht, afhankelijk werd gemaakt of deze activiteit binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt. Ten tweede zou een dergelijke juridische situatie, zoals wordt opgemerkt door de Europese Commissie, tot gevolg hebben dat de verzekeringstussenpersoon zich op zijn eigen bedrieglijke handelwijze kan beroepen om onder zijn aansprakelijkheid jegens zijn klanten op grond van richtlijn 2002/92 uit te komen.

43 Uit het voorgaande vloeit voort dat de realisatie van voorbereidend werk tot het sluiten van verzekeringsovereenkomsten een objectief begrip is. Die realisatie vormt dus een activiteit op het gebied van verzekeringsbemiddeling in de zin van art. 2, punt 3, van die richtlijn, ongeacht of de verzekeringstussenpersoon al dan niet het voornemen heeft om dergelijke overeenkomsten te sluiten.

44 Hieruit volgt dat noch het ogenblik waarop bij de tussenpersoon het voornemen ontbreekt om verzekeringsovereenkomsten te sluiten, noch de subjectieve perceptie van de betrokken klanten met betrekking tot de activiteit van die tussenpersoon die bestaat in de realisatie van voorbereidend werk tot het sluiten van verzekeringsovereenkomsten, relevant is voor de kwalificatie van deze activiteit als verzekeringsbemiddeling in de zin van de bovengenoemde bepaling.

45 Op de eerste vraag dient dan ook te worden geantwoord dat art. 2, punt 3, van richtlijn 2002/92 aldus moet worden uitgelegd dat de realisatie van voorbereidend werk tot het sluiten van een verzekeringsovereenkomst onder het begrip ‘verzekeringsbemiddeling’ valt, ook al heeft de betrokken verzekeringstussenpersoon niet het voornemen om daadwerkelijk een verzekeringsovereenkomst te sluiten.

Het Hof overweegt met betrekking tot de vraag of finan­cieel advies dat in verband met de belegging van een kapitaal wordt verstrekt in het kader van verzekeringsbemiddeling met het oog op de sluiting van een kapitaalverzekeringsovereenkomst, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/92 valt:

47 Zoals blijkt uit de punten 35 en 36 van dit arrest, valt een activiteit alleen binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 2002/92 indien zij overeenkomt met een van de werkzaamheden als bedoeld in art. 2, punt 3, van deze richtlijn, alwaar het begrip ‘verzekeringsbemiddeling’ wordt gedefinieerd.

48 Aangezien alle in deze bepaling opgesomde werkzaamheden betrekking hebben op verzekeringsovereenkomsten, dient in de eerste plaats te worden onderzocht of een kapitaalverzekeringsovereenkomst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een ‘verzekeringsovereenkomst’ in de zin van die bepaling vormt.

49 In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip ‘verzekeringsovereenkomst’ nergens in richtlijn 2002/92 wordt gedefinieerd, en dat in deze richtlijn op dit punt evenmin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het recht van de lidstaten. Tevens vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat bij de vaststelling van de draagwijdte van de term ‘verzekeringsovereenkomst’ rekening wordt gehouden met de context van die richtlijn, en dat die draagwijdte in de hele Europese Unie autonoom en uniform wordt uitgelegd (zie naar analogie arrest van 1 maart 2012, González Alonso, C 166/11, EU:C:2012:119, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Het Hof heeft reeds in verschillende contexten geoordeeld dat het volgens een algemeen aanvaarde opvatting kenmerkend is voor verzekeringstransacties dat de verzekeraar zich tegen voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt de verzekerde bij het intreden van het verzekerde risico de uitkering te verstrekken die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen (arresten van 25 februari 1999, CPP, C 349/96, EU:C:1999:93, punt 17, en 26 maart 2015, Litaksa, C 556/13, EU:C:2015:202, punt 28). Dergelijke transacties impliceren naar hun aard dat er een contractuele verhouding bestaat tussen degene die de verzekeringsdienst verricht en degene wiens risico’s door de verzekering worden gedekt, dat wil zeggen de verzekerde (arrest van 17 maart 2016, Aspiro, C 40/15, EU:C:2016:172, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Opdat een kapitaalverzekeringsovereenkomst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder het in art. 2, punt 3, van richtlijn 2002/92 bedoelde begrip ‘verzekeringsovereenkomst’ valt, moet derhalve bij deze overeenkomst zijn bepaald dat de verzekerde een premie betaalt en dat de verzekeraar als tegenprestatie voor deze betaling een uitkering verstrekt wanneer de verzekerde overlijdt of zich een andere in die overeenkomst genoemde gebeurtenis voordoet. In casu is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, een verzekeringsovereenkomst in de zin van de bovengenoemde bepaling, wat overigens niet wordt betwist door Länsförsäkringar.

52 In de tweede plaats rijst dan ook de vraag of financieel advies, zoals het advies dat in het hoofdgeding aan de orde is, onder de in art. 2, punt 3, van richtlijn 2002/92 opgesomde werkzaamheden kan vallen, wanneer het wordt verstrekt in het kader van verzekeringsbemiddeling met het oog op de sluiting van een kapitaalverzekeringsovereenkomst.

53 In dit verband dient te worden vastgesteld dat die werkzaamheden in ruime bewoordingen zijn omschreven. Meer bepaald bestaan zij niet alleen in het aanbieden en voorstellen van verzekeringsovereenkomsten, maar ook in het realiseren van ander voorbereidend werk tot het sluiten daarvan, zonder dat de aard van het bedoelde voorbereidende werk op enigerlei wijze wordt beperkt.

54 Volgens de verwijzende rechter had het in het hoofdgeding aan de orde zijnde financiële advies, dat in het kader van verzekeringsbemiddeling werd verstrekt, betrekking op de belegging van een kapitaal in een beleggingscertificaat. Voorts blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Zweedse regering dat dit kapitaal bestond in verzekeringspremies die werden belegd in het betreffende product. Derhalve dient te worden geoordeeld dat die belegging een integrerend bestanddeel van de verzekeringsovereenkomst vormde, zodat het advies dat met diezelfde belegging verband hield, deel uitmaakte van het voorbereidende werk tot het sluiten van die overeenkomst.

55 Deze uitlegging is bovendien in overeenstemming met de doelstelling van richtlijn 2002/92 die in punt 42 van dit arrest in herinnering is gebracht en die erin bestaat de bescherming van de consument op het gebied van verzekeringsbemiddeling te verbeteren. Zij heeft namelijk tot gevolg dat het advies dat in het hoofdgeding aan de orde is, onder meer is onderworpen aan de vereisten van art. 12, leden 2 en 3, van die richtlijn, volgens welke de verzekeringstussenpersoon die de klant meedeelt dat hij adviseert op grond van een objectieve analyse, verplicht is om zijn advies op een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare verzekeringsovereenkomsten te baseren met het oog op de aanbeveling van een verzekeringsovereenkomst die aan de behoeften van die klant voldoet, en om vóór de sluiting van een specifieke verzekeringsovereenkomst ten minste te preciseren wat de verlangens en behoeften van de betrokken klant zijn alsook op welke elementen zijn advies over een bepaald verzekeringsproduct is gebaseerd, waarbij deze preciseringen moeten worden afgestemd op de complexiteit van de voorgestelde overeenkomst.

56 De uitlegging in punt 54 van dit arrest wordt tevens bevestigd door richtlijn 2014/65, die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding nog niet van kracht was. Bij deze richtlijn is richtlijn 2002/92 gewijzigd, in dier voege dat er een nieuw hoofdstuk III bis aan is toegevoegd, met als opschrift ‘Aanvullende vereisten ter bescherming van de klant met betrekking tot verzekeringen met een beleggingscomponent’. Deze verzekeringen worden thans in een nieuw punt 13 van art. 2 van richtlijn 2002/92 gedefinieerd als verzekeringsproducten waarmee een looptijd of een afkoopwaarde wordt aangeboden die geheel of gedeeltelijk – en zulks direct of indirect – is blootgesteld aan marktfluctuaties.

57 Uit deze definitie vloeit voort dat een verzekering met een beleggingscomponent, net zoals de kapitaalverzekeringsovereenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is, deels een belegging is waarvan de evolutie onderhevig is aan de ontwikkelingen op de financiële markten. Bij richtlijn 2014/65 is de in art. 2, punt 3, eerste alinea, van richtlijn 2002/92 gegeven definitie van verzekeringsbemiddeling evenwel niet gewijzigd, wat impliceert dat adviezen die in verband met een dergelijke beleggingscomponent worden verstrekt, te beschouwen zijn als een activiteit op het gebied van verzekeringsbemiddeling zoals gedefinieerd in die bepaling. Voorts blijkt uit het feit dat het bovengenoemde hoofdstuk III bis ‘aanvullende’ vereisten voor verzekeringsproducten met een beleggingscomponent bevat, dat de bemiddeling die betrekking heeft op dergelijke producten, reeds binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/92 viel voordat deze richtlijn werd gewijzigd bij richtlijn 2014/65.

58 Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat financieel advies dat in verband met de belegging van een kapitaal wordt verstrekt in het kader van verzekeringsbemiddeling met het oog op de sluiting van een kapitaal­verzekeringsovereenkomst, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/92 valt.

62 Vastgesteld dient te worden dat de beroepswerkzaamheid van een verzekeringstussenpersoon volgens art. 2, punt 5, van richtlijn 2002/92 bestaat in verzekeringsbemiddeling. Voor zover tot de verzekeringsproducten die worden aangeboden door een dergelijke verzekeringstussenpersoon, een product behoort zoals de kapitaalverzekering die in het hoofdgeding aan de orde is, moet advies dat wordt verstrekt in verband met de belegging van het kapitaal waarop dat product betrekking heeft, worden beschouwd als een incidentele activiteit, aangezien het wordt verstrekt in het kader van bemiddeling bij de sluiting van een verzekeringsovereenkomst, een werkzaamheid die is onderworpen aan wettelijke bepalingen van het Unierecht, te weten die van richtlijn 2002/92.

69 Gelet op een en ander valt financieel advies dat in verband met de belegging van een kapitaal wordt verstrekt in het kader van verzekeringsbemiddeling met het oog op de sluiting van een kapitaalverzekeringsovereenkomst, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/39.

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 31 mei 2018, zaak C-542/16 (Länsförsäkringar Sak Försäkrings­aktiebolaget tegen Dödsboet efter Ingvar Mattsson en vier anderen), ECLI:EU:C:2018:369

Rechtspraak Hoge Raad

Dekkingsuitsluiting wegens schending onderhoudsplicht catamaran van toepassing

Een catamaran werd vanaf 2010 op een vaste ankerplaats afgemeerd aan een ‘mooring’. Deze bestond uit een 400 liter grote drijver (markeringston) die als ‘dobber’ fungeerde en die met een staalkabel en een anker aan de zeebodem was verankerd. Tijdens een storm breekt de staalkabel en ontstaat schade aan de catamaran. De eigenaar doet een beroep op de afgesloten casco- en aansprakelijkheidsverzekering. De verzekeraars weigeren de schade te vergoeden met een beroep op de clausule die schade als gevolg van aan verzekeringnemer te verwijten onvoldoende onderhoud van het verzekerde vaartuig uitsluit. Zij menen dat de staalkabel onvoldoende is onderhouden. Uit onderzoek door een door verzekeraars aangestelde expert was naar voren gekomen dat de staalkabel niet gekeurd en/of gecertificeerd was. Tevens was de kabel doorgeroest en had de kabel volgens deze expert geruime tijd geleden vervangen dienen te worden. Men name de lus/het oog bleek al ernstig aan het doorroesten. Daarbij was de kabel goed te inspecteren aangezien iedere keer als deze wordt opgehaald om aan te koppelen dan wel los te koppelen, men
direct ziet dat de kabel sterk is geroest en beschadigd, aldus deze expert.

De rechtbank wijst (na een deskundigenbericht) de vordering tot vergoeding van de schade af. Daar bij werd overwogen dat de ‘splashzone’ (het gedeelte van de kabel dat zich het dichtst bij het wateroppervlak bevindt, en dat in eerste instantie alleen geïnspecteerd hoeft te worden) ten tijde van het incident zichtbaar corrosie vertoonde. Bij zijn controle de dag voor het incident had de verzekeringnemer de aanzienlijke corrosie moeten opmerken. Gezien de ernst van de corrosie bracht de onderhoudsplicht als bedoeld in de betreffende polisbepaling mee dat de verzekeringnemer de kabel zo spoedig mogelijk had moeten vervangen. Ook in hoger beroep worden de vorderingen van de verzekeringnemer afgewezen. In cassatie concludeert de A-G tot verwerping van het cassatieberoep en de Hoge Raad volgt dit met een beroep op art. 81 RO.

HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1780

Polisbepaling m.b.t. vaststelling arbeidsongeschiktheid. Oneerlijk beding?

Een verzekeringnemer meldt zich arbeidsongeschikt onder diens Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandige. In de polisvoorwaarden is een beding opgenomen dat bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een rapportage van een door de verzekeraar aangewezen deskundige, en dat de verzekerde geacht wordt de vaststelling van de verzekeraar te hebben aanvaard als niet binnen 30 dagen bezwaar is gemaakt. Er ontstaat een discussie met betrekking tot de uitleg van deze bepaling. De verzekeringnemer meent in dat kader dat het beding oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13 /EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De rechtbank stelt naar aanleiding van deze stelling prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

De eerste prejudiciële vraag is of de verzekering is aangegaan als consument en welke uitgangspunten bij de beoordeling daarvan gelden. Het polisblad vermeldt als verzekerd beroep: ‘consultant commercieel/administratief werkzaam’. De Hoge Raad overweegt dat een consument volgens art. 2, onder b, Richtlijn 93/13 iedere natuurlijke persoon is die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Vervolgens brengt de Hoge Raad naar voren dat het hier gaat om een natuurlijke persoon die als zelfstandig ondernemer een beroep of bedrijf uitoefent en een verzekering afsluit met het doel om, ingeval hij dat beroep of bedrijf door gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet of slechts beperkt kan uitoefenen, met een uitkering uit hoofde van die verzekering in vervangend inkomen te voorzien. Aldus maakt de verzekering geen deel uit van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de ondernemer en wordt deze verzekering ook niet ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsactiviteit afgesloten. Het doel van de verzekering is immers juist, aldus de Hoge Raad, dat de ondernemer als privépersoon op alternatieve wijze in zijn levensonderhoud kan voorzien als de mogelijkheid tot verwerving van inkomen uit het beroep of bedrijf wegvalt of wordt beperkt. In een dergelijk geval is de betrokkene de overeenkomst als consument aangegaan.

Een andere prejudiciële vraag is of de betreffende polisbepaling een kernbeding is als bedoeld in art. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 en art. 6:231, aanhef en onder a, BW en het beding om die reden is uitgezonderd van een beoordeling op oneerlijkheid. De Hoge Raad concludeert dat hier geen sprake is van een kernbeding. Daarbij wordt naar voren gebracht dat het beding gaat over de wijze waarop wordt vastgesteld of sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis. Het is geen beding dat het verzekerde risico en de verbintenis van de verzekeraar duidelijk omschrijft of afbakent. Ook zijn de verbintenissen die uit de overeenkomst voortvloeien, zonder het beding niet onvoldoende bepaalbaar. De wijze van vaststelling van de gestelde arbeidsongeschiktheid zou dan door de toepasselijke wettelijke regels worden bepaald.

De volgende prejudiciële vraag betreft de uitleg van het beding. De Hoge Raad overweegt allereerst dat in geval van twijfel over de betekenis van een beding de voor de consument gunstigste uitleg prevaleert (uitleg contra proferentem). Verder geldt, gezien eerdere jurisprudentie, dat nu over de polisvoorwaarden niet is onderhandeld, de uitleg met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Bij het vaststellen van de betekenis van de bepaling betrekt de Hoge Raad het Protocol bij claims op Individuele Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (2016) van het Verbond van Verzekeraars. Vervolgens komt de Hoge Raad tot het oordeel dat de in het beding beschreven procedure leidt tot een standpunt van de verzekeraar waartegen de verzekerde bezwaar kan maken en dat hij (al dan niet na onderzoek door een door hemzelf ingeschakelde deskundige) ter beoordeling kan voorleggen aan een klachtencommissie of de rechter, ook indien hij de in het beding genoemde bezwaartermijn niet heeft benut. Na deze uitleg van het beding, wordt beoordeeld of het beding oneerlijk is. Gezien art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 is dat het geval als een beding een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt. De Hoge Raad oordeelt dat dit in deze zaak niet het geval is.

HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800

Schending mededelingsplicht en het acceptatiebeleid van de redelijk handelend verzekeraar

Deze zaak betreft de rechtsgevolgen van een schending van de precontractuele mededelingsplicht door de verzekeringnemer. In het bijzonder gaat het hier om de vraag naar welke maatstaf moet worden beoordeeld of de verzekeraar ook bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering zou hebben gesloten.

Verzekeringnemer A heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Delta Lloyd. Daarbij heeft hij een gezondheidsverklaring ingevuld. Op een gegeven moment heeft de verzekeringnemer een schademelding gedaan. Delta Lloyd heeft toen een onderzoek ingesteld. Daaruit is gebleken dat de verzekeringnemer voor de totstandkoming van de verzekering verschillende aandoeningen heeft gehad, die hij niet in de gezondheidsverklaring heeft vermeld. Delta Lloyd bericht naar aanleiding daarvan aan de verzekeringnemer dat hij bij juiste wetenschap niet door Delta Lloyd zou zijn geaccepteerd. Delta Lloyd zegt de verzekering op wegens verzwijging, weigert verdere uitkering en kondigt aan terugbetaling van reeds gedane uitkeringen te gaan vorderen.

De verzekeringnemer start een procedure en vordert primair nakoming van de verzekeringsovereenkomst door de verzekeraar. In reconventie vordert Delta Lloyd onder meer terugbetaling van reeds gedane uitkeringen. De rechtbank wijst de vorderingen van de verzekeringnemer af en de vorderingen van Delta Lloyd toe. In hoger beroep bekrachtigt het Hof Amsterdam de beslissing van de rechtbank. Het Hof overweegt dat vaststaat dat de verzekeringnemer de precontractuele mededelingsplicht van art. 7:928 lid 1 BW heeft geschonden. Volgens art. 7:930 lid 4 BW is de verzekeraar in dat geval geen uitkering verschuldigd, indien hij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten.

Bij het beantwoorden van de vraag of dat het laatste het geval is, moet volgens het Hof niet geheel of gedeeltelijk worden geabstraheerd van de concrete acceptatiecriteria van de desbetreffende verzekeraar. Daarbij merkt het Hof op, dat uit HR 19 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6258 (Hotel Wilhelmina) het tegendeel niet kan worden afgeleid. Uit dat arrest volgt wel dat bij de beoordeling van het optreden van een verzekeraar betekenis dient te worden toegekend aan hetgeen van een ‘redelijk handelend verzekeraar’ mag worden verwacht. Vervolgens beziet het Hof het concrete acceptatiebeleid van Delta Lloyd en oordeelt dat Delta Lloyd voldoende heeft aangetoond dat zij volgens haar acceptatiebeleid bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekeringsovereenkomst met de verzekeringnemer zou hebben gesloten.

Voorts overweegt het Hof dat de verzekeringnemer weliswaar heeft aangevoerd dat hij door een redelijk handelend verzekeraar zou zijn geaccepteerd, maar dat laat onverlet dat het Delta Lloyd in beginsel vrijstaat om bij een verzekering als de onderhavige het door haar gestelde beleid te volgen. Daarnaast geldt dat de verzekeringnemer uit de aan hem voorgelegde gezondheidsverklaring en toelichting daarop, had behoren te begrijpen dat de gevraagde informatie van belang was voor de beoordeling van het te verzekeren risico en daarmee voor de vraag of Delta Lloyd al dan niet bereid was om dit risico te verzekeren. Bij de beantwoording van de vraag of Delta Lloyd als redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekeringsovereenkomst zou hebben gesloten, is blijkens het voorgaande in dit geval niet maatgevend wat ‘een redelijk handelend verzekeraar’ of een individuele concurrent bereid zou zijn te accepteren.

De verzekeringnemer gaat in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat een beroep van de verzekeraar op art. 7:930 lid 4 BW in beginsel alleen zal kunnen slagen indien de verzekeraar aantoont dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten. De verzekeraar die een acceptatiebeleid voert dat afwijkt van dat van een redelijk handelend verzekeraar, kan zich daarop alleen ten nadele van de verzekeringnemer beroepen als hij aantoont dat de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering wist of behoorde te begrijpen welk acceptatiebeleid de verzekeraar hanteerde. Indien dat het geval was, kon de verzekeringnemer de relevantie van de niet-meegedeelde feiten of omstandigheden binnen dat acceptatiebeleid overzien. Alsdan geldt niet ook de eis dat de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering wist dat het acceptatiebeleid van zijn verzekeraar afweek van dat van een redelijk handelend verzekeraar.

De Hoge Raad brengt verder nog naar voren dat bij het beantwoorden van de vraag wat een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken zou hebben gedaan, groot gewicht kan toekomen aan het acceptatiebeleid van andere verzekeraars. Niet uitgesloten is echter dat het beleid van een of meer andere verzekeraars op inhoudelijke gronden de toets aan de maatstaf van een redelijk handelend verzekeraar niet kan doorstaan, zodat daarop geen beroep kan worden gedaan. Evenmin is uitgesloten dat het acceptatiebeleid van de betrokken verzekeraar op inhoudelijke gronden blijkt te voldoen aan de maatstaf van de redelijk handelend verzekeraar, ook al voeren andere verzekeraars een ander (of geen) beleid ten aanzien van de betrokken feiten en omstandigheden.

Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar Hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1841

Rechtspraak College van Beroep voor het Bedrijfsleven

Hoger beroep. Boete wegens overtreding art. 3 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (cliëntenonderzoek) en art. 16 Wwft (meldplicht ongebruikelijke transactie). Ongebruikelijk karakter van twee leningen niet aangetoond

Het College overweegt als volgt:

3. Appellant is als hij zijn bedrijf uitoefent een instelling op grond van art. 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwft. Dit betekent dat hij in de uitoefening van zijn bedrijf verplicht is de Wwft na te leven. Dit is tussen partijen niet in geschil.

4.3 Ingevolge art. 3, eerste lid, van de Wwft verricht een instelling ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntenonderzoek. Ingevolge art. 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwft stelt het cliëntenonderzoek de instelling in staat om de cliënt te identificeren en diens identiteit te verifiëren. Ingevolge het vijfde lid van art. 3, aanhef en onder a, van de Wwft verricht een instelling het cliëntenonderzoek indien zij in of vanuit Nederland een zakelijke relatie aangaat. In art. 11 Wwft is bepaald dat de identiteit wordt geverifieerd aan de hand van gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. In art. 4 van de Uitvoeringsregeling Wwft zijn documenten aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan art. 11 van de Wwft. In art. 33, eerste lid, van de Wwft is bepaald dat een instelling die op grond van deze wet een persoon heeft geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd de in dat artikel bepaalde gegevens op opvraagbare wijze dient vast te leggen.

4.5 Het College is voorts van oordeel dat het betoog van appellant dat de meeste van de door BFT onderzochte cliënten al voor de inwerkingtreding van de Wwft in 2008 bij hem cliënt zijn geworden, geen doel treft. De verplichting van art. 3, eerste lid, van de Wwft geldt ook voor bestaande cliënten. Dit volgt uit art. 38 van de Wwft waarin is bepaald wanneer het cliëntenonderzoek moet worden verricht ten aanzien van cliënten die reeds op grond van de Wid zijn geïdentificeerd of ten aanzien van wie geen verplichting tot identificatie op grond van die wet was
vereist. Op grond van art. 3, eerste lid, van de Wwft is appellant derhalve ook verplicht tot het verrichten van cliëntenonderzoek zoals omschreven in het tweede lid ten aanzien van cliënten met wie appellant op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wwft al een zakelijke relatie was aangegaan en die op dat moment nog niet waren geïdentificeerd. De omstandigheid dat appellant sommige cliënten uit hoofde van zijn werkzaamheden voor hen, naar hij stelt, al jaren kent, doet niet af aan de wettelijke verplichting tot cliëntenonderzoek. De Wwft kent geen uitzondering voor een dergelijke situatie.

4.6 Gelet op het onderzoeksrapport is het College van oordeel dat BFT terecht heeft geconstateerd dat appellant heeft nagelaten een toereikend cliëntenonderzoek te verrichten. Uit het onderzoek dat door BFT is verricht blijkt dat in alle vijftien onderzochte dossiers op het moment van onderzoek ofwel geen uittreksel uit het handelsregister van de KvK, ofwel geen kopie van het identiteitsbewijs (of andere vastlegging van de verificatiegegevens) van de (uiteindelijk belanghebbende van de) cliënt in deze dossiers aanwezig was. Ingevolge art. 33 van de Wwft dient een instelling die een persoon heeft geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd, dit op opvraagbare wijze vast te leggen. Nu uit het onderzoek dat door BFT is verricht volgt dat appellant in de door BFT onderzochte dossiers geen kopie van het identiteitsbewijs heeft bewaard en de verificatiegegevens ten aanzien van de identiteit van de (uiteindelijk belanghebbende van de) cliënten ook niet op andere wijze heeft vastgelegd, is niet gebleken dat appellant deze personen heeft geïdentificeerd en hun identiteit heeft geverifieerd zoals vereist op grond van de Wwft. Appellant heeft de juistheid van deze bevindingen van BFT niet betwist. Dat appellant, naar hij heeft aangevoerd, voor deze cliënten al gedurende een aantal jaren de belastingaangifte verzorgde en dat daarbij onjuiste persoonsgegevens van deze cliënten allang zouden zijn gebleken, doet geen afbreuk aan de constateringen door BFT. Het verzorgen van de belastingaangifte is geen verificatie van de identiteit als bedoeld in art. 3 en art. 11 van de Wwft. Ingevolge art. 11 van de Wwft dient de identiteit van de cliënt te worden geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. BFT heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellant art. 3 van de Wwft heeft overtreden.

5.1 Ingevolge art. 16, eerste lid, van de Wwft meldt een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden aan de Financiële inlichtingen eenheid. Een ongebruikelijke transactie is ingevolge artikel 1, onder n, van de Wwft een transactie die op grond van de indicatoren bedoeld in art. 15, eerste lid, van de Wwft als ongebruikelijk is aan te merken.

5.4 Het College is van oordeel dat BFT met de verwijzing naar de aandachtspunten E12 en E13 van de Specifieke Leidraad niet heeft aangetoond dat appellant de leningen in de onderhavige situatie had moeten aanmerken als ongebruikelijke transacties. Het College overweegt daartoe dat de lening van € 7000,- schriftelijk is vastgelegd in een (door de verstrekker van de lening) opgestelde leningsovereenkomst, zodat de in de Specifieke Leidraad genoemde indicator E13 op de lening van € 7000,- niet van toepassing is. Appellant heeft voorts voor de omstandigheid dat beide leningen zonder renteafspraken zijn aangegaan een specifieke en acceptabele verklaring kunnen geven, namelijk dat het gaat om een lening tussen personen met een Marokkaanse achtergrond en in de familiekring en dat het ontbreken van een rentevergoeding in deze omstandigheden niet ongebruikelijk is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het College van oordeel dat het argument van BFT dat in Nederland bij een onderhandse lening nooit een te lage rente of geen rente kan worden afgesproken, niet steekhoudend is. Dat de Belastingdienst uit een fiscaal oogpunt bepaalde consequenties kan verbinden aan een renteloze onderhandse lening, doet er niet aan af dat het, onder andere in de familiekring, geenszins ongebruikelijk is om een lening aan te gaan met de afspraak dat hiervoor geen rente is verschuldigd. Ook de omstandigheid dat voor deze leningen kennelijk geen zekerheden waren bedongen acht het College, gelet op de hoogte van de door geleende bedragen van respectievelijk € 7000,- en € 3000,- niet dusdanig bijzonder dat daarmee het ongebruikelijke karakter van de leningen zou zijn aangetoond. Gelet op het voorgaande leveren de volgens BFT aan de orde zijnde twee aandachtspunten uit de Specifieke Leidraad onvoldoende grond voor de conclusie dat er aanleiding was om te veronderstellen dat deze transacties verband kunnen houden met witwassen of financieren van terrorisme.

College van Beroep voor het Bedrijfsleven, uitspraak van 29 mei 2018, zaak 17/1230 (X, handelend onder de naam Y, tegen Bureau Financieel Toezicht (BFT)), ECLI:NL:CBB:2018:233

Hoger beroep. Financieel toezicht. Vordering om (wils­afhankelijke) informatie, gevolgd door een last onder dwangsom aan een in het buitenland gevestigde onderneming. Het College is van oordeel dat AFM op grond van richtlijnconforme interpretatie van art. 1:74, eerste lid Wft bevoegd is om kopieën van stukken te vorderen voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van haar taak. Als enkel sprake is van het toezenden van inlichtingenvorderingen, lasten onder dwangsom en invorderingsbeschikkingen aan in het buitenland gevestigde rechtspersonen is van het uitoefenen van onderzoeksbevoegdheden in het buitenland geen sprake. Geen misbruik van bevoegdheid. In de lasten onder dwangsom ontbrak de restrictie dat wilsafhankelijke informatie niet mede zal worden gebruikt voor doeleinden van bestuurlijke beboeting of strafvervolging. Vernietiging van de aangevallen uitspraak

Verwezen wordt naar de uitspraak van 10 januari 2018, waarin een soortgelijke bevoegdheid van DNB wordt aanvaard (ECLI:NL:CBB:2018:2) en de uitspraak van dezelfde datum met betrekking tot de door art. 6 EVRM vereiste restrictie in dwangsombesluiten, zie deze Rubriek in Het Verzekerings-Archief 2018, p. 108-109.

College van Beroep voor het Bedrijfsleven, uitspraak van 4 september 2018, zaak 17/1142 (X en Y tegen Stichting Autoriteit Financiële Markten), ECLI:NL:CBB:2018:444
Reageer op dit artikel