artikel

De H-factor. Rapportage over duurzaam verzekeren

Branche 150

De verzekeringsbranche is in de afgelopen jaren aan de slag gegaan met de principes voor duurzaam verzekeren en er zijn veel ontwikkelingen op dit gebied. In dit artikel wordt onderzocht hoe verzekeraars verslag doen over duurzaam handelen. Dat heeft ook een keiharde financiële noodzaak; het is namelijk belangrijk voor beleggers om te begrijpen in hoeverre de gerapporteerde successen en resultaten over een langere termijn kunnen worden herhaald. De auteur gaat op zoek naar de H-factor in de verslaggeving van verzekeraars.

De H-factor. Rapportage over duurzaam verzekeren

Inleiding

Toen wij1 schreven over de principes voor duurzaam verzekeren2 die in juni 2012 officieel werden, besteedden wij specifiek aandacht aan besturing en verslaggeving. Duurzamer zakendoen en hierover rapporteren waardoor het ‘waarom’ achter de vraag hoeveel er verdiend wordt, beter wordt beantwoord, zou de aandacht van beleggers verleggen van de korte naar de lange termijn. In dit artikel wil ik de ontwikkeling in de verzekeringsbranche nadien schetsen op het gebied van het verslag doen over duurzaam handelen.

Om het belang hiervan te onderstrepen wil ik al in deze inleiding een kort voorbeeld geven. Voor een aandeel in Allianz werd begin dit jaar € 190 betaald. Er werd een dividend uitgekeerd van € 8. Een belegger moet ongeveer 45 jaar dividend ontvangen om zijn investering terug te ontvangen en een redelijk rendement te realiseren. Het belang van de belegger die de kasstromen uit zijn investering wil gebruiken om bijvoorbeeld pensioenen uit te betalen (en niet van de handelaar of de bellenblazer) ligt dus per definitie op de lange termijn, waarin de onderneming de in die periode ongetwijfeld optredende crises moet overleven, relevant moet blijven voor zijn klanten, toegang moet houden tot de financiële markten, talent moet blijven aantrekken en zijn ‘licence to operate’ behouden. In dit licht is het belangrijk voor beleggers om te begrijpen in hoeverre de gerapporteerde successen en resultaten over een langere termijn kunnen worden herhaald; dat is de H-factor in de financiële verslaggeving waarnaar ik op zoek ben.

Er is in de afgelopen zes jaar veel gebeurd. De verzekeringsbranche is aan de slag gegaan met de principes voor duurzaam verzekeren, rapportage volgens het Global Reporting Initiative en het International Integrated Reporting Framework vindt steeds vaker plaats, er is een Europese Richtlijn gekomen voor niet-financiële verslaggeving, de VN heeft in 2015 de millenniumdoelstellingen vervangen door de Sustainable Development Goals 20303, de Task-Force Climate-related Financial Disclosures4 is opgericht, Richtlijn Solvabiliteit II is ingevoerd in de EU en de IASB heeft een herzien conceptual framework5 voor financiële verslaggeving gepubliceerd, en tevens de verslaggevingsrichtlijn voor verzekeringscontracten definitief gemaakt. Te midden van deze ontwikkelingen ben ik op zoek gegaan naar de H-factor. Ik gebruik hiervoor de verslagen van de verzekeringsgroepen die opgenomen zijn in de Dow Jones Sustainability Index (DJSI).

Achtereenvolgens behandel ik:

  • op duurzaamheid gerichte beursindices;
  • enkele belangrijke aspecten van financiële verslaggeving;
  • solvabiliteit als basis voor een duurzaam bestaan;
  • de niet-financiële informatie die de ondernemingen van belang vinden; en
  • een poging tot synthese tussen financiële en niet-financiële verslaggeving om een beter inzicht te krijgen in de H-factor.

Dit artikel kent een belangrijke beperking: het gaat over de verslaggeving van ondernemingen over hun handelen in het licht van hetgeen hen relevant maakt voor belanghebbenden en de wereld in het algemeen. Het gaat niet over het handelen zelf en de eventuele behoefte aan of de mogelijkheid van het uitzoeken van een ander economisch modelletje.

Op duurzaamheid gerichte beurs­indices

Er zijn diverse beursindices waarbij het criterium voor opname een zekere mate van duurzaam ondernemerschap is. Ik ga met name in op de DJSI.6 Het startpunt voor de selectie van de ondernemingen die hierin zijn opgenomen wordt gevormd door de rond 10.000 ondernemingen die zijn opgenomen in de S&P World BMI. Hiervan worden ongeveer 4.500 ondernemingen uitgenodigd om deel te nemen aan het RobecoSAM Corporate Sustainability Assessment. De 10% ondernemingen met de beste score worden in de index opgenomen. In 2017 waren rond 320 ondernemingen in de index opgenomen, waarvan 12 verzekeraars. De gegevens van deze verzekeraars zijn opgenomen in tabel 1. De som van premies en provisies is omgerekend naar miljarden euro’s.


Tabel 1: Verzekeraars die in de DJSI zijn opgenomen

In de grafiek in figuur 1 wordt het relatieve verloop weergegeven in de index ten opzichte van de S&P World BMI. Ter vergelijking zijn ook in de grafiek opgenomen de MSCI All Countries World-wide Index en de MSCI All Countries World Wide ESG Leaders Index. Laatstgenoemde wordt samengesteld uit de brede wereldwijde index door per sector de 50% ondernemingen met de beste ESG-score te selecteren. Uit rond 2.500 ondernemingen met een gemiddelde ESG-score van 5,5 zijn rond 1.200 ondernemingen met een gemiddelde ESG-score van 6,6 geselecteerd.7

Vergelijking wereldwijde indices met ESG indices


Figuur 1: Verloop indices november 2009 – juni 2018 (2009=100)

Uit figuur 1 blijkt dat de MSCI ESG-Leaders index iets beter scoort dan de algemene MSCI, maar dat de DJSI aanmerkelijk slechter scoort dan de S&P World BMI. Voegt duurzaam ondernemingsbeleid dan geen (financiële) waarde toe? Ik wil dat nuanceren. Op de eerste plaats is het over de getoonde periode overwegend mooi weer geweest op de aandelenmarkten. Niemand is nat geworden en de wandelaars zonder paraplu komen het eerst aan. Dit hoeft niet representatief te zijn voor een periode van 45 jaar of langer (zie inleiding). Daarnaast bevat de DJSI geen van de FAANG-aandelen.8 Het succes van deze aandelen wordt mede gedreven door hun dominante, soms bijna monopolistische positie in de markt waarin zij opereren. Op langere termijn kan redelijkerwijs een reactie van andere spelers of een ingreep van overheden worden verwacht.9

De vraag blijft dan, als een duurzaam opererende onderneming beter in staat is om over een lange termijn kasstromen te genereren, waarom beleggers deze dan niet beter waarderen dan minder duurzaam opererende ondernemingen. Begrijpen beleggers hun aloude welbegrepen eigen­belang niet meer of kunnen ondernemingen het nog niet goed uitleggen?

Financiële verslaggeving

De kern van het IASB Conceptual Framework (CF) is dat financiële verslaggeving is gericht op de weergave van bronnen van economisch voordeel, van aanspraken hierop en van economische verschijnselen.10 Deze weergave moet relevant zijn (het moet uitmaken voor de besluitvorming van de gebruiker) en getrouw. Dit laatste betekent dat de weergave het economische verschijnsel zo goed mogelijk moet representeren; populair gezegd: presenteer de secondelijm niet in een shampoofles want daardoor kunnen
zaken vastlopen.

In de jaarrekening worden niet alle bronnen van economisch voordeel en aanspraken hierop verantwoord, maar uitsluitend:

  • activa, dat zijn bronnen van economisch voordeel waarover een onderneming per balansdatum de beschikkingsmacht had als gevolg van een transactie of andere gebeurtenis uit het verleden;
  • passiva, dat zijn verplichtingen per balansdatum om bronnen van economisch voordeel over te dragen aan een derde als gevolg van een transactie of andere gebeurtenis uit het verleden; en
  • eigen vermogen, zijnde het saldo van activa en passiva.

Een klantenbestand of een goed ingewerkt team van experts is wel een bron van economisch voordeel maar geen actief, want de onderneming heeft er geen beschikkingsmacht over.

Inkomsten en kosten zijn mutaties in activa en passiva die leiden tot een stijging respectievelijk een daling van het eigen vermogen. Het is dus mogelijk dat inkomsten het gevolg zijn van het uitnutten van een bron van economisch voordeel die niet als actief is verantwoord of dat kosten het gevolg zijn van onderhoud aan of verbetering van een bron van economisch voordeel. Bezuinigingen op opleiding of innovatie leiden dus op korte termijn tot een hogere verantwoorde winst.

De IASB vindt de winst- en verliesrekening de primaire informatiebron over de financiële prestaties van een onderneming en constateert dat veel gebruikers het resultaat als startpunt van hun analyses of als belangrijkste indicator van de financiële prestaties van de onderneming beschouwen.11 Weliswaar stelt de IASB dat voor een volledig beeld kennis moet worden genomen van de gehele financiële verantwoording, maar het is opmerkelijk dat de primaire informatiebron een resultante is van de wijze waarop activa en passiva worden gedefinieerd en gewaardeerd, en activa en passiva niet worden gedefinieerd en gewaardeerd vanuit het belang van de primaire informatiebron. Dit is te begrijpen vanuit het streven naar objectiviteit en neutraliteit, maar de kans is groot dat de korte termijn voorrang krijgt op de lange termijn.

De verslagen van de verzekeringsgroepen die zijn onderzocht zijn grotendeels op basis van IFRS opgesteld. Aan­gezien IFRS 17 (verzekeringscontracten) nog niet is ingevoerd (gepland 2021), gebruiken verzekeraars nog verschillende grondslagen voor de waardering van verzekeringsverplichtingen. In tabel 2 wordt aangegeven wat de datum is van het laatste verslag, de grondslag van
verslaggeving en of de verzekeringsverplichtingen, respectievelijk de beleggingen die hiertegenover staan zijn gewaardeerd op een actuele grondslag dan wel een historische grondslag.12


Tabel 2: Jaarrekeninggrondslagen op hoofdlijnen

Zes verzekeringsgroepen hebben een zogenoemde accounting mismatch tussen beleggingen en verzekeringsverplichtingen, hetgeen niet helpt om de H-factor uit het gerapporteerde resultaat te halen. Van de Europese verzekeraars verantwoordt alleen Aviva de verzekeringsverplichtingen op actuele grondslagen. De Japanse verzekeraars mogen (op basis van J-GAAP, de in Japan geldende grondslagen voor financiële verslaggeving) de beleggingen die tegenover de verzekeringsverplichtingen staan nog waarderen op basis van geamortiseerde kostprijs.

Bijna alle verzekeringsgroepen hanteren een alternatieve grootheid om hun financiële prestaties uit te leggen. Een dergelijke grootheid wordt doorgaans in het financiële jaarverslag en in de gesegmenteerde informatie in de jaarrekening gebruikt. De belangrijkste voorbeelden zijn:

  • Aegon gebruikt ‘underlying earnings’. Hierbij zijn uit het resultaat gehaald de componenten die te maken hebben met accounting mismatches, schattingswijzigingen en posten die niet gerelateerd zijn aan de normale bedrijfsuitoefening (bijzondere waardevermindering, herstructurering enzovoort);
  • Allianz hanteert een ‘operating profit’ begrip waaruit zijn geëlimineerd de opbrengsten van beleggingen die niet tegenover verzekeringsverplichtingen staan, afschrijvingen op immateriële vaste activa en herstructureringskosten. Voor het levensverzekeringsbedrijf verstrekt Allianz een overzicht van het resultaat per bron, hetgeen enig inzicht geeft in de gerealiseerde marges. Anders dan Aegon elimineert Allianz niet het effect van de accounting mismatch. Hierbij moet worden opgemerkt dat het grootste deel van de obligatieportefeuille is gewaardeerd op basis van Available for Sale; het verschil tussen kostprijs en actuele waarde wordt pas bij verkoop in het resultaat verantwoord. Allianz had ultimo 2017 een ‘stuwmeer’ van ongerealiseerde winsten van € 52 miljard;
  • Aviva hanteert een group adjusted operating income. Voor het levensverzekeringsbedrijf wordt het beleggingsresultaat hierbij gebaseerd op een schatting van het rendement op lange termijn. Het verschil met het werkelijke rendement wordt als niet-operationeel resultaat verantwoord. Aviva heeft geen accounting mismatch, maar wil met deze handelwijze de markt­volatiliteit uit zijn prestatie-indicator elimineren;
  • AXA hanteert drie prestatie-indicatoren, te weten adjusted earnings (resultaat exclusief herstructureringskosten, mutaties in goodwill en immateriële activa en uitzonderlijke activiteiten), underlying earnings (adjusted earnings exclusief gerealiseerde waarde­mutaties beleggingen) en adjusted return on equity;
  • Insurance Australia Group (uitsluitend schadeverzekering) hanteert de underlying insurance margin als financiële KPI (premie minus claims, kosten en commissies plus beleggingsopbrengsten op activa tegenover verzekeringsverplichtingen gecorrigeerd voor de effecten van natuurrampen, mutaties in de prudentiemarges van meer dan 1% van de premiebaten en het effect van wijzigingen in de credit spread);
  • MS&AD brengt een integrated report uit (een Engelse versie van de jaarrekening heb ik niet kunnen bemachtigen). De belangrijkste financiële indicatoren volgens dit rapport zijn group core profit (resultaat gecorrigeerd voor herwaarderingen op zakelijke waarden en kredietderivaten, en incidentele baten en lasten), group return on equity, shareholder return (dividenden en koers­resultaten afgelopen 5 jaar), return on economic capital en value added (core profit minus kosten economisch kapitaal);
  • Munich Re hanteert een operating profit begrip waarbij zaken als valutaresultaten op deelnemingen, herstructureringskosten, afwaardering immateriële activa en financieringskosten in de holding buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast zijn economic earnings en return on risk adjusted capital belangrijke grootheden. De toelichting op het ‘waarom’ van de economic earnings is zeer summier;
  • NN hanteert een operationeel resultaat dat bestaat uit een interest marge, technische marge, commissies en premiegerelateerde opbrengsten, kosten en operationeel schaderesultaat. De belangrijkste posten die wel in het resultaat maar niet in het operationeel resultaat zitten worden concreet aangegeven en zijn afwaarderingen en herwaarderingen op beleggingen, en bijzondere baten en lasten. De samenstelling van bijvoorbeeld de interest marge is niet met normale inspanning te herleiden en wordt ook niet uitgelegd.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de alternatieve indicatoren niet uniform zijn maar wel veelal tot doel hebben om eenmalige schokken te elimineren. Of dit voldoende is om de H-factor te vinden is de vraag. Je kunt bijvoorbeeld herstructureringskosten en bijzondere waardeverminderingen elimineren, maar over een zeer lange periode treden die zeker op. Zonder meer de operationele winst of de onderliggende winst hanteren als zich herhalende waardecreatie leidt dus waarschijnlijk tot overschatting.

Daarnaast wordt in een aantal gevallen een deel van het operationele resultaat beïnvloed door resultaat bij verkoop van Available for Sale-beleggingen (zie bijvoorbeeld Allianz hierboven). Dit is waarde die al bestaat, maar nog moet worden geboekt. Daarnaast wordt het resultaat (al dan niet) beïnvloed door marges die voortkomen uit de bestaande portefeuille. Na invoering van IFRS 17 moeten die marges en de mutaties hierin apart worden toegelicht en kan hierbij ook de ‘waarom-vraag’ worden beantwoord13, maar zover is het nog niet. Toch kan voor verzekeringsgroepen die onder het regime van Solvency II vallen via een omweg worden bepaald hoe hoog die marges zijn. Dit wordt samengevat in tabel 3.


Tabel 3: Samenstelling voorziening verzekeringsverplichtingen volgens IFRS.

Uit dit overzicht blijkt dat het percentage overige marges (in IFRS 17 de contract service margin), en dus de waarde die al bestaat, maar nog in de toekomst moet worden
geboekt, sterk verschilt tussen de verzekeringsgroepen. Het is de vraag of de verantwoording van bestaande waarden in de toekomstige operationele resultaten inzicht geeft in de H-factor.

Solvabiliteit

Om duurzaam te kunnen bestaan moet een verzekeringsgroep een strategie hebben op basis waarvan hij ook op de lange termijn aan de vraag naar risicodekking en vermogensvorming kan voldoen, een redelijke mate van zekerheid hebben dat deze strategie kan worden gerealiseerd en een hoge mate van zekerheid dat aan alle verplichtingen kan worden voldaan. Voor de groepen die gevestigd zijn in de EU is dit laatste uitgewerkt in de eis dat zij over voldoende solvabiliteit moeten beschikken om een ongunstige ontwikkeling die zich eens per 200 jaar voordoet het hoofd te bieden en dan nog voldoende middelen over hebben om alle verplichtingen aan een derde partij te kunnen overdragen. Om dit te toetsen wordt een vereiste solvabiliteit berekend op basis van een intern model, een standaardmodel of een combinatie van beide. De aanwezige solvabiliteit waarmee de vereiste solvabiliteit wordt berekend verschilt van het eigen vermogen volgens IFRS; de aansluiting wordt gerapporteerd in het jaarlijks te publiceren Solvency & Financial Condition Report (SFCR).

Ook de twee Japanse verzekeringsgroepen en Insurance Australia Group in de DJSI berekenen een solvabiliteits­niveau dat gebaseerd is op een schok die zich eens per 200 jaar voordoet. MS&AD verstrekt in het integrated report een aansluiting op hoofdlijnen tussen het eigen vermogen volgens de jaarrekening en de aanwezige solvabiliteit op basis van een marktwaardebalans. Aldus kan de verhouding tussen aanwezige en vereiste solvabiliteit voor de acht groepen waarvoor dit op gelijksoortige grondslagen beschikbaar is in tabel 4 worden weergegeven.


Tabel 4: Solvabiliteitsratio op basis van een 99,5% zekerheidsniveau

Voor de verzekeringsgroepen in de selectie ligt de solvabiliteitsratio ver boven het vereiste14, hetgeen betekent dat de groepen hun ‘licence to operate’ in kwantitatieve zin op duurzame wijze hebben zeker gesteld en zij ruimte hebben voor groei en het opvangen van tegenvallers zonder dat de strategie direct moet worden aangepast.

Nu is het probleem met de aanwezige solvabiliteit zoals in tabel 4 gepresenteerd dat deze afkomstig is uit een marktwaardebalans. Veel belangrijke posten hierin (waaronder het grootste deel van de voorziening voor verzekeringsverplichtingen) worden bepaald op basis van modellen waarmee langjarige reeksen van kasstromen worden geschat. Een gebruiker heeft naar mijn mening weinig context bij de uitkomsten als hij de aard van de mutaties hierin niet kent. Ook hier is het belangrijk om te weten hoeveel solvabiliteit de onderneming met haar kernactiviteiten duurzaam kan genereren (de H-factor in de kapitaalgeneratie). Deze informatie is niet of slechts mondjesmaat aanwezig; het SFCR bevat immers geen winst- en verliesrekening en de vereiste uitleg over de mutatie in de aanwezige solvabiliteit is vormvrij.

Allianz, AXA en Munich Re geven een zeer beknopt overzicht van de mutaties in de aanwezige solvabiliteit. Allianz en AXA publiceren daarnaast nog een embedded value rapport (Allianz op basis van Solvency II grondslagen, AXA op basis van EEVP), dat enig inzicht verschaft in de aard van de mutaties in de aanwezige solvabiliteit. Aviva geeft een dergelijk overzicht in het supplement bij het financiële jaarverslag. De mutaties die hierin worden geschetst zien op het deel van de aanwezige solvabiliteit dat aan de aandeelhouder toekomt. Dit is begrijpelijk gezien de gangbare praktijk in het Verenigd Koninkrijk waarbij een groot deel van het risicodragend kapitaal door de polishouder wordt opgebracht en ook weer aan de polishouder toekomt. Aviva verklaart niet de mutatie in de aanwezige solvabiliteit, maar de mutatie in het aanwezige surplus boven de vereiste solvabiliteit.

In de toelichting van alle vier de groepen wordt onderscheid gemaakt tussen het economisch resultaat en kapitaalmutaties, zoals dividend, terugkoop van aandelen, aflossing
achtergestelde leningen. Munich Re geeft nauwelijks nadere informatie over de samenstelling van het economisch resultaat. Dat is opmerkelijk, want Munich Re geeft wel aan dat economisch resultaat een van de belangrijke prestatie-indicatoren is. De andere drie geven (hetzij in het SFCR, hetzij in rapportage over de embedded value) inzicht in:

  • waarde nieuwe productie (Allianz alleen over het levensverzekeringsbedrijf);
  • operationele winst uit de bestaande portefeuille;
  • operationele variantie en effect van wijziging in de
  • operationele assumpties. De eerste grootheid geeft aan hoe nauwkeurig en hoe neutraal er in het verleden is
  • geschat, de tweede geeft aan welke lering is getrokken uit de meest recente ervaring. Allianz presenteert deze grootheden afzonderlijk;
  • effect wijzigingen in de financiële markten zoals rentestand.

De waarde van nieuwe productie is met name voor het levensverzekeringsbedrijf, waar het vaak gaat om langlopende contracten, een belangrijke prestatie-indicator. Het geeft aan dat de onderneming voldoende relevant is voor potentiële polishouders om nieuwe contracten af te sluiten en in staat is om er (als het bedrag positief is) winst mee te maken. Andere ondernemingen dan de hierboven genoemde presenteren ook de waarde nieuwe productie, maar presenteren deze niet in de context van een mutatieoverzicht van de aanwezige solvabiliteit. Aegon bijvoorbeeld geeft deze informatie in het persbericht. Dat is opmerkelijk want de waarde van nieuwe productie is een van de indicatoren op basis waarvan de ondernemingsleiding beloond wordt; opname in het financiële of niet-financiële verslag met nadere uitleg en context zou op zijn plaats zijn.

Alhoewel de hierboven behandelde prestatie-indicatoren van belang zijn als basis om de H-factor van de desbetreffende onderneming te doorgronden kan weinig relatie gelegd worden met de niet-financiële indicatoren die worden gerapporteerd in de integrated reports en de CR-verslagen. Een uitzondering is wellicht Aegon, die als enige (overigens niet bij de meest materiële onderwerpen) het beginsel van redelijke verdeling tussen aandeelhouders, polishouders en intermediair noemt en aangeeft dat levensverzekeringsproducten op dit beginsel worden getoetst. Een positieve waarde nieuwe productie zou dus betekenen dat er aandeelhouderswaarde wordt gecreëerd gegeven het feit dat de andere stakeholders het hunne krijgen. Dat zou een basis moeten zijn om op ook op de lange termijn in staat te zijn om relevante, winstgevende contracten af te sluiten.

Niet-financiële informatie

Alle verzekeringsgroepen in de selectie verstrekken op enigerlei wijze een verslag met niet-financiële informatie die veelal is gebaseerd op afspraken en conventies van een internationale organisatie die niet tot de wetgevende macht behoort, zoals het Global Reporting Initiative (GRI), Task Force Climate-related Financial Disclosures (TCFD) en de Verenigde Naties onder wier initiatief de Principles for Sustainable Insurance (PSI) en de UN Sustainable Development Goals (SDGs) tot stand zijn gekomen. In tabel 5 wordt samengevat welke initiatieven een rol spelen bij de verslaggeving van de geselecteerde verzekeringsgroepen.15


Tabel 5: Overzicht initiatieven niet-financiële verslaggeving

De Europese verzekeringsgroepen moeten niet-financiële informatie verstrekken conform Richtlijn 2014/95/EU (in Nederland geregeld in het Besluit bekendmaking niet-financiële informatie). Deze informatie bevat in ieder geval:

  1. een korte beschrijving van het bedrijfsmodel van de groep;
  2. een beschrijving van het door de groep gevoerde beleid met betrekking tot milieu-, sociale en personeelsaangelegenheden, eerbiediging van mensenrechten en de bestrijding van corruptie en omkoping, inclusief beschrijving van de toegepaste zorgvuldigheidsprocedures;
  3. de resultaten van dit beleid;
  4. de voornaamste risico’s die verbonden zijn aan deze aangelegenheden in verband met de bedrijfsactiviteiten van de groep, waaronder – waar relevant en evenredig – zijn zakelijke betrekkingen, producten of diensten die deze gebieden waarschijnlijk negatief zullen beïnvloeden, en hoe de groep deze risico’s beheert;
  5. niet-financiële essentiële prestatie-indicatoren die relevant zijn voor de specifieke bedrijfsactiviteit.

Aegon verstrekt deze informatie in een apart deel van het bestuursverslag en Munich Re in een apart document. De overige verzekeringsgroepen in de selectie hebben deze informatie in hun niet-financiële rapportage ingebed. In de (niet-bindende) richtsnoeren bij genoemde EU-Richtlijn worden onder meer GRI, TCFD en verslaggeving over UN SDGs als voorbeelden genoemd van goede niet-financiële verslaggeving.

Een aantal geselecteerde verzekeringsgroepen presenteert een verslag volgens de beginselen van het International Integrated Reporting Framework waarmee wordt beoogd de meest materiële ontwikkelingen in financieel en niet- financieel kapitaal te schetsen. Met name MS&AD levert een relatief compact document van 95 single-frames waarin de hoofdlijnen van de financiële en niet-financiële ontwikkelingen in onderling verband worden geschetst.

Uit de verslagen blijkt dat de klimaatgerelateerde financiële toelichtingen volgens de TCFD nog in ontwikkeling zijn. Onder meer wordt nauwelijks verslag gedaan van de door de TCFD zo gepropageerde scenarioanalyse om de invloed van verschillende scenario’s op de waarde van activa, de toekomstige ontwikkelingen in schadeclaims, grenzen aan de verzekerbaarheid enzovoort inzichtelijk te maken.
In de rest van deze paragraaf concentreer ik mij op de UN SDGs, het GRI en de PSI.

UN Sustainable Development Goals
In 2015 hebben de Verenigde Naties hun millenniumdoelstellingen geactualiseerd naar een aantal duurzaamheidsdoelstellingen die rond 2030 gerealiseerd moeten zijn.16 Er zijn zestien concrete doelstellingen; de zeventiende doelstelling gaat over de samenwerking tussen bedrijven, overheden en andere organisaties om de andere zestien te bereiken. In het kader van deze doelstellingen is de World Benchmark Alliance in het leven geroepen. Het is de bedoeling dat deze organisatie op een transparante wijze ranglijsten gaat maken van de bijdrage van ondernemingen aan de SDGs. Ten tijde van het schrijven van dit artikel was het initiatief van de WBA nog in de consultatiefase. Aviva is één van de medeoprichters van de WBA.

Je zou de SDGs kunnen opvatten als de resultaten van een wereldwijd marketingonderzoek, een overzicht van behoeften die de mensheid als geheel bevredigd wil zien. Hoe meer een onderneming eraan voldoet, des te relevanter blijft zij op de lange termijn, dus des te beter kan zij haar producten blijven afzetten en des te beter is de continuïteit op lange termijn gewaarborgd. Dit is het klassieke welbegrepen eigenbelang, maar dan beter begrepen vanuit de mensheid als geheel in plaats van een categorie individuen. Dit is uitdagend, maar kansrijker dan het streven naar een ander economisch modelletje dat uitgaat van een radicale menselijke gedragsverandering.

Zoals uit tabel 5 blijkt geven alle geselecteerde verzekeringsgroepen op enigerlei wijze aan hoe zij bijdragen aan de SDGs. De doelstellingen hebben een onderling verband. Bijvoorbeeld, een onderdeel van doelstelling 8 (duurzame en inclusieve economische groei) is betere toegang tot financiële producten. Verzekeraars proberen dit onder meer te bereiken door middel van micro-insurance, dat zijn verzekeringsdekkingen (bijvoorbeeld tegen het verloren gaan van de oogst) met een betrekkelijk laag verzekerd belang en een lage premie. Deze verzekeringsvormen worden ook ingezet om te voorkomen dat bevolkingsgroepen die net de armoede zijn ontworsteld, weer in die armoede terugvallen (doelstelling 1).

De manier waarop ondernemingen hun strategie verbinden met de SDGs is vaak arbitrair. In sommige gevallen wordt een strategisch initiatief aan meerdere doelstellingen gekoppeld. Ik heb getracht om hier enige structuur in te brengen door ze te verdelen in initiatieven die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de aard van een verzekeraar en initiatieven die intern gericht zijn of gericht zijn op de gemeenschap. In tabel 6 worden de doelstellingen die verbonden zijn met de aard van de verzekeraar, onderverdeeld naar directe oplossingen in de sfeer van verzekeringen of beleggingen en activiteiten en samenwerking op het gebied van preventie, kennis en schadebeheersing, en onderzoek en ontwikkeling.

De belangrijkste oplossingen in de sfeer van verzekeringen houden verband met protectie tegen armoede (door ziekte, arbeidsongeschiktheid, natuurrampen enzovoort) voor de laagste inkomensklassen. Hierbij wordt mede gebruik gemaakt van het feit dat steeds meer mensen over een smartphone beschikken, waardoor deze producten digitaal kunnen worden aangeboden en de afhandeling van schade ook digitaal kan plaatsvinden.


Tabel 6: Verband SDGs met directe bedrijfsactiviteiten

Voorbeelden van oplossingen in de sfeer van beleggingen zijn investeringen in betaalbare woningen, duurzame energie, zorgvoorzieningen voor ouderen, duurzame infrastructuur enzovoort, en uitsluiting van beleggingen in bijvoorbeeld steenkoolwinning en tabaksindustrie. Voorbeelden van preventie enzovoort zijn hulpmiddelen die veilig en zuinig autorijden bevorderen, richtlijnen voor stormbestendig bouwen en aanbevelingen aan lokale overheden om de gevolgen van natuurrampen zo goed mogelijk te beperken.

Enkele verzekeraars hebben fondsen die met andere organisaties samenwerken op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. Een voorbeeld is het AXA Research Fund dat zich bezighoudt met de uitdagingen op het gebied van demografische ontwikkeling en natuurrampen en met het vinden van manieren om diabetes beter te kunnen voorspellen. De verslagen bevatten geen informatie over de resultaten op de aan de SDGs gekoppelde verzekerings- en beleggingsoplossingen en over de verwachte ontwikkelingen hiervan op de lange termijn. Hierdoor is het moeilijk om de betekenis van de gevonden oplossingen voor de continuïteit van de onderneming op de lange termijn te doorgronden.

De initiatieven die verband houden met werknemers en leveranciers hebben veelal te maken met inclusiviteit, rechtsbescherming en opleiding. Een initiatief dat ik specifiek wil vermelden is het Living Wage in London initiatief (Aviva), een soort minimumloon dat geldt voor alle werknemers van de onderneming en haar ketenpartners.


Tabel 7: Verband SDGs met indirecte activiteiten

Overige interne maatregelen zien met name op het beheersen en reduceren van de ecologische footprint van de onderneming zelf. De ondernemingen waarvoor in tabel 7 geen initiatieven met betrekking tot employees, ketenpartners en eigen ecologische footprint zijn vermeld, hebben deze initiatieven wel en ze worden ook in de niet-financiële rapportages genoemd. Deze ondernemingen hebben ze alleen niet aan SDGs gekoppeld.

De initiatieven voor ondersteuning van de gemeenschap kunnen in twee categorieën worden onderverdeeld, te weten de ondersteuning met een combinatie van expertise en geld en de ondersteuning in geld. Bij de laatste categorie kan men zich afvragen of dit de taak van een onderneming is; om het enigszins bot te stellen, wanneer meer dividend wordt uitgekeerd, meer winstdeling aan polishouders wordt verstrekt, meer salaris wordt uitbetaald, kunnen individuen naar eigen keuze bepalen welke goede werken ze ermee ondersteunen.

Global Reporting Initiative
GRI is een private organisatie, opgericht in 1997, die zich toelegt op het ontwikkelen en onderhouden van een standaard voor duurzaamheidsrapportages. In 2000 is het eerste complete raamwerk opgeleverd. Sinds 2002 is GRI gevestigd in Nederland. In dat jaar is GRI formeel aangewezen als samenwerkende organisatie met UNEP. Sinds 2005 heeft GRI een Technical Advisory Committee die de GRI Board ondersteunt. In 2008 zijn de eerste sectorgerelateerde richtlijnen gepubliceerd. In 2010 is afgesproken om de UN Global Compact principes in de GRI-standaarden te incorporeren. In 2011 worden de sectoren waarvoor specifieke richtlijnen worden gegeven uitgebreid naar mijnbouw, luchthavens, bouw en vastgoed. Er is in dat jaar een disclosure database aangelegd van duurzaamheidsrapporten. In 2012 worden olie en gas, media en event management toegevoegd. Sinds 2014 is standard-setting organisatorisch gescheiden van de andere activiteiten. Er is nu een Global Sustainability Standards Board, een Due Process Oversight Committee en een Independent Appointments Committee. De standaarden die tot 30 juni 2018 van toepassing zijn betreffen GRI 4. Vanaf die datum zijn de GRI-standaarden (GSS) van toepassing. Er is een tabel waarin GSS worden aangesloten op Richtlijn 2014/95/EU.

In de GRI-standaarden wordt als eis gesteld dat een onderneming onderzoekt wat de meest materiële thema’s zijn voor de belangrijkste groepen belanghebbenden en hoe deze thema’s de onderneming beïnvloeden. Over deze thema’s wordt dan verslag gedaan. In tabel 8 worden de materiële thema’s samengevat die door meer dan één onderneming in het niet-financiële verslag worden genoemd.


Tabel 8: Overzicht meest materiële thema’s

Opvallend is dat financial performance door slechts twee verzekeringsgroepen wordt genoemd. Het kan niet anders dan dat dit een materieel thema is voor alle ondernemingen; het is niet alleen de resultante van het succesvol adresseren van alle andere thema’s die voor alle betrokkenen van belang zijn, het is ook de voorwaarde om deze thema’s succesvol te kunnen blijven adresseren.

Verder valt op dat klimaatverandering overwegend als materieel thema wordt genoemd door de grote schadeverzekeraars. Dat is begrijpelijk. AXA, bijvoorbeeld, vermeldt in zijn niet-financiële rapportage dat gebouwen enzovoort bij een stijging van de gemiddelde temperatuur van 4 graden niet meer verzekerbaar zijn, omdat natuurrampen zich bij die temperatuurstijging structureel zullen voordoen. Evenzeer is begrijpelijk dat vergrijzing en demografie een belangrijk thema is voor de grote levensverzekeraars.

Principles for Sustainable Insurance
Het United Nations Environment Programme, Financial Initiative (UNEP FI) houdt nog altijd een database bij van de voortgangsrapporten die verzekeraars maken om aan hun verplichting uit hoofde van het vierde principe te voldoen. Uit deze rapportage blijkt dat aan het eerste principe wordt voldaan en dat bij missie, visie, strategie en bedrijfsvoering op systematische wijze ESG-onderwerpen worden betrokken. Dat gebeurt echter ook al door middel van koppeling van de strategische doelstellingen aan de UN SDGs. Ook het betrekken van ESG-aspecten bij productontwikkeling en samenwerking binnen de verzekeringsbranche gebeurt al door bepaalde SDGs bij de ontwikkeling van strategie en productontwikkeling te betrekken.

Ik vraag mij dan ook af in hoeverre de PSI zijn achterhaald door de SDGs en of zij nog veel toevoegen voor een verzekeraar die de branchespecifieke elementen van de SDGs bij zijn bedrijfsvoering betrekt. Enkele verzekeraars maken nog een jaarlijks verslag (of een paragraaf in hun jaarlijks verslag) om de voortgang met betrekking tot de PSI te bespreken. De overige hebben dit impliciet in hun niet-financiële verslag ingebed.

Een poging tot synthese

Aan de ene kant hebben we de financiële informatie die is opgesteld volgens de uitgebreide regels van de IASB en (voor Europese verzekeringsgroepen) Solvency II. IFRS is voor verzekeraars pas ‘af’ wanneer de standaard over verzekeringscontracten wordt ingevoerd en waardering en presentatie van deze contracten harmonieuzer wordt.

Solvency II is een regelset op grond waarvan iedereen op uniforme wijze waardeert en presenteert. Solvency II geeft aan de externe gebruiker te weinig context omdat de aard, kwaliteit en herhaalkracht van de vermogensmutatie niet of onvoldoende wordt uitgelegd. Beide rapportagesystemen kunnen kortetermijngedrag van gebruikers waaronder vermogensverschaffers (en dus ook van de onderneming, via de impulsen van die gebruiker) veroorzaken. Opbrengsten kunnen gegenereerd worden door bronnen van economisch voordeel die niet op de balans staan (uitputting ervan kan dus worden aangemoedigd), kosten kunnen in feite investeringen zijn in bronnen van economisch voordeel die niet op de balans staan (dergelijke uitgaven kunnen dus worden ontmoedigd).

Het is gevaarlijk om op grond hiervan te zeggen dat een op IFRS gebaseerd financieel verslag nutteloos is. Dat werd ook al gezegd in de hoogtijdagen van de internet bubbel en toen die barstte bleek dat een onhandig standpunt te zijn. Het is wel verstandig om de waarschuwing van de IASB zelf ter harte te nemen, namelijk dat de waardering van een onderneming (en daarmee ook de continuïteit over de in de inleiding geschetste periode) niet uit een IFRS-jaarrekening kan worden afgelezen. Een IFRS-jaarrekening is meer een databoek van financiële feiten en schattingen dat samen met andere informatiebronnen een basis vormt voor een verdere zoektocht naar de H-factor.

Aan de andere kant hebben we de niet-financiële informatie waarbij meerdere initiatieven over elkaar heen buitelen die ongeveer, maar niet helemaal hetzelfde beogen. Ook na mijn manmoedige poging om in de voorgaande paragraaf hierin structuur aan te brengen, blijft het beeld chaotisch. Hierbij speelt natuurlijk ook mee dat niet-financiële informatie niet het voordeel heeft van een gemeenschappelijke rekeneenheid (geld) waarmee alles kan worden opgeteld, afgetrokken en samengevat. Zelfs als een aangewezen prestatie-indicator met betrekking tot bijvoorbeeld het
sociale kapitaal een outputindicator is, blijft het moeilijk om hem tezamen te vatten met andere indicatoren die in een andere eenheid worden gemeten.

Is dit kritiek op de tot nu toe uitgebrachte niet-financiële verslagen? Geenszins. Serieuze financiële informatie wordt sinds 500 jaar opgesteld en er is nog altijd niet alles over gezegd. Serieuze niet-financiële informatie is ongeveer een decennium oud en er zijn grote stappen in gemaakt. Ik had alleen gehoopt om de H-factor in de prestaties van een onderneming te vinden in de synthese tussen de financiële (hoeveel) en de niet-financiële (waarom) informatie en die zie ik onvoldoende, dan wel ik moet ernaar raden. Inzicht in de H-factor is nodig om te kunnen inschatten of een onderneming over 45 jaar nog bestaat en haar marktnotering waarmaakt. Om alle belanghebbenden te kunnen blijven bedienen is het niet alleen noodzakelijk dat de wereld nog bestaat waarin mensen en objecten verzekerbaar zijn, maar ook dat de onderneming nog bestaat en gezond is. Eigenbelang en zelfverwezenlijking zijn dus goed, mits in de maatschappelijke context goed begrepen. Ondernemingen mogen bij het bepalen van hun bijdrage aan bijvoorbeeld de SDGs en de uitleg van de niet-financiële prestatie-indicatoren die hiermee verband houden uitgaan van hun (goed onderzochte en welbegrepen) eigenbelang. Wellicht moeten ze dit zelfs. Naar analogie: reddingsduikers leren om eerst hun eigen veiligheid te waarborgen voordat ze anderen helpen, omdat anders de hulp niet succesvol kan zijn. Ik noem enkele voorbeelden van een synthese tussen bijdragen aan de SDGs en het welbegrepen eigenbelang van de onderneming:

  • bijdragen aan onderzoek om gebouwen en steden meer bestand te maken tegen natuurrampen zoals overstromingen en orkanen: hoe draagt dit bij tot een lagere schadelast en daarmee het winstgevend verzekerbaar houden van objecten en wat is het belang voor de verzekeringsbranche in het algemeen en voor de verzekeraar specifiek?
  • beleggingen in duurzame energie: wat is de bijdrage aan het rendement nu en welke scenarioanalyse heeft plaatsgevonden om de bijdrage aan het rendement op zeer lange termijn te bepalen, en om tijdig uit stranded assets te stappen?
  • uitsluiting van bepaalde beleggingscategorieën: hoe past dit in het risicobeheer van de verzekeraar, inclusief de besluitvorming over de te verzekeren risico’s?
  • microverzekeringen en andere vormen van verzekeringen die grotere groepen mensen toegang moeten geven tot financiële producten: meestal zijn de geldstromen in kwantitatieve zin van te verwaarlozen betekenis, maar strategisch kan het van belang zijn om de schaderatio’s en kostenratio’s te kennen en om te weten hoe de ontwikkelingen op de langere termijn worden ingeschat.

Ten slotte noem ik twee belangrijke harde kwantitatieve grootheden die, mits voorzien van een goede toelichting en koppeling aan de niet-financiële informatie, inzicht kunnen geven in de H-factor.

  • waarde nieuwe productie in combinatie met de uitleg over een faire verdeling van waarden tussen klanten, ketenpartners en vermogensverschaffers; en
  • ervaringsresultaten (verschillen tussen werkelijke kasstromen en eerdere schattingen) in combinatie met de invloed hierop van omgevingsfactoren, maatregelen naar aanleiding van de ervaringen en bijstelling van de schattingen. Dergelijke informatie geeft inzicht in de richting en de accuratesse van schattingen van kas­stromen en resultaten naar de toekomst toe.

Samenvatting en conclusies

Duurzaam ondernemen wordt momenteel niet altijd door beleggers hoger gewaardeerd dan ondernemen in het algemeen. Dat kan worden veroorzaakt doordat beleggers duurzamer praten dan doen. Dat zou uiteindelijk een vergissing kunnen zijn, want de enige kans voor een aandelenbelegger om met een redelijk rendement zijn inleg terug te krijgen is het duurzaam voortbestaan van de onderneming waarin wordt belegd. Het kan ook worden veroorzaakt door het feit dat het verband tussen de niet-financiële informatie over duurzaam ondernemen en het belang hiervan voor een duurzaam sterke financiële positie en winstgevendheid niet goed wordt uitgelegd. Laten we aannemen en hopen dat het laatste het geval is.

Aan de ene kant hebben we de ‘harde’ kwantitatieve informatie waarin alles op geld wordt gewaardeerd en in geld wordt samengevat. Wanneer deze informatie de boventoon voert, liggen kortetermijnprikkels op de loer. Daarnaast hebben we gezien dat resultaten volgens IFRS vaak registraties van waarden bevatten die al bestaan (zoals resultaten bij verkoop van beleggingen en realisatie van marges op bestaande verzekeringscontracten). Dat geeft wel een voorspelbaar beeld van toekomstige resultaten, maar het is niet de H-factor die ik zoek. Na implementatie van IFRS 17 wordt de informatie wel transparanter omdat je dan weet hoeveel ongerealiseerde marge er nog in de balans zit. De IASB is overigens eerlijk in de beperkingen die een financieel verslag op basis van IFRS heeft; het is een startpunt dat tezamen met andere informatiebronnen inzicht geeft in de omvang, timing en onzekerheid van toekomstige kasstromen. Informatie over aanwezig en vereist economisch kapitaal is buitengewoon relevant voor de mate waarin een onderneming zich op duurzame wijze kan handhaven. De operationele elementen van de mutaties in aanwezig economisch kapitaal zijn zeer relevant voor inzicht in de H-factor. Helaas wordt hierover in het publieke domein zeer summier gerapporteerd.

Aan de andere kant zijn er de vele initiatieven op het gebied van niet-financiële informatie. Deze informatie is soms outputgericht (bijvoorbeeld reductie in de CO2-uitstoot van de ondernemingen in de beleggingsportefeuille, of van de onderneming zelf), vaak inputgericht (bijvoorbeeld aantal cursusdagen, aantal mensen die een gedragscode hebben ondertekend of aantal contracten die zijn gescreend op ESG-factoren) en nooit samengevat in een enkele waarde eenheid zoals het geval is bij financiële verslaggeving.

Samengevat is er heel veel informatie die onvoldoende met elkaar in verband wordt gebracht. Enkele suggesties:

  • saneer de diverse initiatieven op het gebied van niet-financiële informatie tot een raamwerk met enige eenvormigheid;
  • maak beter duidelijk wat de initiatieven die niet direct financieel zijn gericht betekenen voor het duurzaam profijtelijk voortbestaan van de onderneming zelf;
  • kijk bij de toelichting op segmenten, productgroepen enzovoort niet alleen naar het financieel belang, maar ook naar het strategisch belang van initiatieven die momenteel nog weinig financiële impact hebben, maar die op termijn een voor de onderneming en haar belanghebbenden belangrijk doel moeten realiseren;
  • koppel belangrijke financiële indicatoren beter aan de geïdentificeerde materiële thema’s en de initiatieven die in verband met deze thema’s worden ontplooid.

 


Noten

  1. Niek de Jager is voorzitter van Stichting Pensioenfonds Ernst & Young en partner van VCHolland. Hij schreef dit artikel onder persoonlijke titel.
  2. J.P. Balkenende en N.G. de Jager, Principes voor duurzaam verzekeren: solide normen en profijtelijke waarden? Het Verzekerings-Archief, nr. 1, 2012, 3-7.
  3. Zie https://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/
  4. Zie https://www.fsb-tcfd.org/
  5. Conceptual Framework for Financial Reporting, IASB maart 2018.
  6. http://www.sustainability-indices.com/
  7. Bron: MSCI-fact sheet maart 2018.
  8. Facebook, Apple, Amazon, Netflix en Google (Alphabet).
  9. Zie ook Coen Teulings en Richard Baldwin, Secular Stagnation: Facts, Causes and Cures, CEPR Press, 2014.
  10. Dat zijn transacties en gebeurtenissen die geleid hebben tot wijzigingen in die bronnen van economisch voordeel en de aanspraken hierop.
  11. IASB Conceptual Framework, par. 7.16.
  12. Voor Dongbu en Samsung Fire is geen Engelse vertaling van de jaarrekening gevonden. Het integrated report bevat wel balans, winst- en verliesrekening en kasstroomoverzicht, maar hierbij worden geen grondslagen van waardering en resultaatbepaling gegeven. De integrated reports van MS&AD en Sompo bevatten een verkorte jaarrekening met toelichting, inclusief uitleg van de grondslagen.
  13. Zie ook N.G. de Jager, IFRS-toelichtingen als poort naar geïntegreerde verslaggeving, Het Verzekerings-Archief, nr. 3, 2013, 139-143.
  14. Munich Re is in belangrijke mate een herverzekeringsbedrijf en heeft een aanzienlijk hogere solvabiliteitsratio dan de andere verzekeringsgroepen.
  15. Voor de GRI, de PSI en de TCFD wordt de status weergegeven zoals deze is vastgelegd door de desbetreffende organisaties.
  16. Zie https://sustainabledevelopment.un.org/sdgs
Reageer op dit artikel