nieuws

Verlies huis en haard niet vergoed door verzwegen wanbetalingen

Archief

Het achterhouden van informatie over herhaalde problemen met de premiebetaling heeft ertoe geleid dat een verzekerde zijn brandschade aan huis en haard niet vergoed krijgt. De verzekeraar mag zich terecht beroepen op verzwijging van de kant van verzekerde. Tot dit oordeel komt de Raad van Toezicht Verzekeringen.

De verzekerde heeft op 22 januari 2001 in een aanvraagformulier voor onder meer een brandverzekering voor woonhuis en inboedel nagelaten mededelingen te doen over “omstandigheden die voor de maatschappij van belang zouden kunnen zijn” voor de acceptatie van het aangeboden risico.
Op 7 april 2001 wordt door inbrekers brand gesticht in de woning, die vervolgens volledig in de as wordt gelegd. Ook alle inboedel gaat verloren. Van de inbraak en brandstichting, vastgesteld op grond van technisch onderzoek, is door de politie proces-verbaal opgemaakt
Wanbetalingen
De brandverzekeraar weigert evenwel de schade te vergoeden. De maatschappij beroept zich op verzwijging (art.251 WvK) van “relevante feiten en omstandigheden”. Het gezin van de verzekerde heeft volgens de verzekeraar een lange historie van te late (premie)betalingen, wanbetalingen en royementen. Verder zijn het gezin verzekeringen geweigerd dan wel tegen bijzondere en afwijkende voorwaarden geoffreerd.
De verzekerde die zijn polis(sen) via een tussenpersoon heeft gesloten, vindt dat er geen sprake is van verzwijging. “De tussenpersoon heeft tegenover de politie verklaard dat er over de verzekeringsaanvraag met medewerkers van verzekeraar overleg is geweest, waarna verzekeraar nader onderzoek heeft uitgevoerd. Dat onderzoek heeft ertoe geleid dat de verzekeringsaanvraag onder het stellen van nadere voorwaarden is aanvaard”, aldus de verzekerde. Ook de problemen met de premiebetaling in het verleden zijn volgens hem nadrukkelijk onderwerp geweest van bespreking en van onderzoek door verzekeraar.
Verzekeringsverleden
Tegenover de Raad van Toezicht Verzekeringen voert de brandverzekeraar nog aan dat de verklaring van de tussenpersoon aan de politie slechts een deel van het verzekeringsverleden van het gezin betreft. “Aangenomen mag worden dat ook de tussenpersoon slechts een deel van de relevante informatie meegedeeld.”
De tussenpersoon had de hem verstrekte informatie op zijn beurt weer doorgegeven aan de buitendienstmedewerker van de maatschappij. Daaruit bleek dat niet was gesproken over onder meer een royement van een inboedelverzekering en een avp in januari 1995, respectievelijk 1996.
Ook was er niet gesproken over offertes voor motorrijtuigenverzekeringen op basis van bijzondere, afwijkende voorwaarden, waarop de verzekerde niet meer had gereageerd. “Aan de buitendienstmedewerker was slechts meegedeeld dat er problemen waren bij een andere verzekeraar”, aldus de maatschappij. Zij sluit niet uit dat nog meer ‘dekkingsproblemen’ uit een lopend onderzoek naar voren komen.
Oordeel
De Raad van Toezicht oordeelt dat het aanvraagformulier niet naar voor de verzekeraar relevante gegevens vraagt, maar een verklaring van de aanvrager over (het niet verzwijgen van) die informatie.
Uit de stukken blijkt volgens de Raad dat door de tussenpersoon over het verzekeringsverleden van de klager mededelingen zijn gedaan vóór het sluiten van de polis(sen). “Volgens zowel de tussenpersoon als de verzekeraar bevat die mededelingen slechts een deel van dat verzekeringsverleden en is relevante informatie niet verstrekt”, aldus de Raad.
Omdat over de precieze inhoud van deze mededelingen onduidelijkheid bestaat en omdat verdedigbaar is dat de verzekeraar niet aansprakelijk is voor mogelijke tekortkomingen van de tussenpersoon, is de goede naam van het verzekeringsbedrijf niet geschaad, aldus de Raad van Toezicht.
Raad van Toezicht, uitspraaknummer 2002/34 Brand, klachtnummer 136.01.

Reageer op dit artikel