nieuws

Recente wijzigingen in de belastingwetgeving

Archief

In AM 21 van 1 november 2002 (pag. 47) deed ik in deze rubriek een aantal voorspellingen over het belastingplan 2003. Op de meeste punten kwamen zij uit, maar op sommige punten niet. Het ging vooral om de vraag of bepaalde onderdelen van het wetsvoorstel belastingplan 2003 na de val van het kabinet te controversieel zouden zijn om per 1 januari 2003 in te voeren. Gelukkig zijn er door de belastingdienst nog wat handreikingen gedaan, die nuttig kunnen zijn voor de advisering van cliënten en voor pensioenuitvoerders.

door Alfred Lagendijk
Veel beweging heeft er gezeten in de spaarloonregeling. Oorspronkelijk werd voorgesteld de spaarloonregeling tezamen met de winstdelings- en premiespaarregeling af te schaffen. Staatssecretaris van Financiën Steven van Eijck is echter teruggefloten door de Tweede Kamer. Als volgend regeringsvoorstel werd de maximuminleg voor de spaarloonregeling in eerste instantie verlaagd van e 788 euro naar e 470. In het najaarsoverleg tussen kabinet en sociale partners is dit bedrag verhoogd tot e 615 en later aangepast op e 613.
De bedragen die in de jaren 1999 en 2000 zijn gespaard in een spaarloonregeling kunnen per 1 januari 2003 vrijvallen zonder dat er een fiscale sanctie is. Winstdelings- en premiespaarregelingen zijn per 1 januari 2003 afgeschaft, waarbij tegoeden van vóór 2002 met ingang van 1 januari 2003 zonder fiscale gevolgen vrijvallen.
Pensioen
Eén van de voorstellen die van weinig consistentie en weinig doordacht beleid getuigt, is het beperken van de pensioenopbouw tezamen met de invoering van een levensloopregeling. Een levensloopregeling heeft naar mijn mening als begrip een heel zware lading. Mijn eerste indruk zou zijn iets van een universal-lifeverzekering of een spaarrekening die voor vele gebeurtenissen in een mensenleven kan worden gebruikt. Dat zou ook betekenen dat er substantiële bedragen – bijvoorbeeld drie maal het spaarloon (uit 2002) – met bijbehorende fiscale faciliteiten gespaard kunnen worden.
Het kabinet kwam echter met een zeer beknopt voorstel, dat maar enkele onderdelen uit de levensloop belichtte en een spaarfaciliteit waar zeer schampere opmerkingen over gemaakt zijn. Het was ook niet zo handig van het kabinet om te komen met een levensloopregeling terwijl er eigenlijk alleen maar bezuinigd moest worden. Daar wek je ongerechtvaardigde verwachtingen mee. Terecht is het voorstel naar de tekentafel terugverwezen.
Inmiddels is wel in de wet opgenomen dat de pensioenopbouw wordt beperkt. Tegelijkertijd is er bij vermeld dat de beperking van deze opbouwpercentages wordt ingevoerd binnen twee jaar na inwerkingtreding van het belastingplan, dus uiterlijk 1 januari 2005. De inwerkingtreding zal bij Koninklijk Besluit worden bepaald. Omdat de Wet fiscale behandeling van pensioenen ook een overgangsregeling kent die afloopt per 1 juni 2004, kunnen er allerlei ongewenste gevolgen ontstaan, indien men de pensioenregeling in de tussentijd gaat veranderen. Spekkopers zijn in elk geval diegenen die in 2002 een pensioenverhoging of een bijspaarregeling hebben ingevoerd boven het nieuwe fiscale maximum.
In de komende twee jaar zal er dus een behoorlijke levensloopregeling op tafel moeten komen ter compensatie van de beperking van de pensioenopbouw. De nieuwe percentages zullen als volgt luiden: in eindloonsystemen wordt het ouderdomspensioen van 2% verlaagd tot 1,75% en het nabestaandenpensioen van 1,4% tot 1,23% (wezenpensioen naar 0,25%). In middelloonsystemen wordt het ouderdomspensioen van 2,25 verlaagd tot 2% en het nabestaandenpensioen van 1,58% tot 1,4% (wezenpensioen naar 0,28%). Bij beschikbare premieregelingen zijn de opbouwpercentages gebaseerd op middelloon en zullen navenant worden verlaagd.
Lijfrente
Over de afschaffing van de basisaftrek in de lijfrentesfeer die nu in de lijn der politieke verwachtingen realiteit is geworden, ondanks dat de branche collectief in het geweer is geweest om hiertegen te strijden. Voor de lijfrenteaftrek wordt ook aandacht gevraagd in de commissie van het Verbond van Verzekeraars onder leiding van Willem Vermeend. Het is wat dat betreft jammer, dat het economisch tij en dus de politieke wind wat tegen zit. Want op zich is het toe te juichen dat de pensioenopbouw en alle daarmee gepaard gaan gebreken, tekorten en mogelijke oplossingen de aandacht krijgen die ze verdienen. Ik ben ervan overtuigd dat er massa’s landgenoten zijn die zich serieus zorgen moeten maken over de hoogte van hun totale pensioen als zij stoppen met werken. Sterker nog, in mijn praktijk kom ik deze groep dagelijks tegen.
Andere veranderingen
In het kader van het belastingplan is er voor de uitvoering nog een aardigheidje in petto. Voor de bepaling van de lijfrentepremieaftrek is het nodig om een opgave van de pensioenaanwas te hebben. Bij de door de uitvoerder verstrekte pensioenaanwas wordt niet meer getoetst aan de opbouw van pensioenaanspraken in het lopende kalenderjaar, maar aan de opbouw van pensioenaanspraken van het voorafgaande kalenderjaar. Zo kan de verzekeringsmaatschappij de pensioenopgave op een eerder moment doen dan nu het geval is, zodat de verzekeringsadviseur en zijn cliënt eerder beschikken over de gegevens die nodig zijn voor de bepaling van extra lijfrentepremieaftrek.
Ten tweede is er een besluit uitgevaardigd over de inkoop van pensioen via beschikbare premieregelingen. Op zich is er weinig nieuws onder de zon. Een belangrijk element voor de praktijk wil ik echter niet onvermeld laten. Bij inkoop is benodigd dat het werkelijke salarisverloop over de verstreken dienstjaren én de data van vroegere premiebetalingen bekend zijn. Vaak zijn de historische gegevens omtrent het pensioengevend salaris niet meer bekend. Ook is vaak niet meer te achterhalen op welke data de premies voor de basisregeling zijn voldaan.
Om aan dit probleem van onbekende gegevens bij pensioenregelingen tegemoet te komen, wordt het volgende toegestaan: de berekening van de inhaalpremie voor de jaren tot 2001 mag plaatsvinden op basis van een fictieve salarisontwikkeling en een vaste peildatum voor toepassing van de staffels van bijlagen 1 en 2 van het besluit van 4 november 2000. Voor deze goedkeuring is het niet van belang of de historische salarisgegevens al of niet bekend zijn. Een keuze voor toepassing van deze goedkeuring geldt voor alle jaren tot 2001. Het voert te ver om dit in detail te bespreken. Voor vragen vervoegt men zich bij de specialist op dit terrein. Voor de rekenaars en liefhebbers: het besluit dateert van 11 december 2002 (nr. CPP2002/1448M).
van PricewaterhouseCoopers in Amsterdam.

Reageer op dit artikel