nieuws

Rabobank was aanjager van opheffing structuurbeleid

Archief

Financiële deelnemingen door verzekeraars en banken in elkaar waren in de jaren tachtig onderworpen aan het zogeheten ‘structuurbeleid’. Deze wettelijke scheiding tussen banken en verzekeraars moest (te) grote machtsconcentraties op de financiële markten tegengaan en zowel polishouders als (bank)spaarders beschermen tegen de risico’s van uitoefening van bank- en verzekeringsactiviteiten binnen één concern.

In mei 1986 lekte een ‘memorandum’ uit waarin toenmalig minister van Financiën Onno Ruding een voorschot nam op een volledige opheffing van het structuurbeleid. Hij wilde per 1 januari 1987 de achtergestelde positie van banken gelijk trekken met die van verzekeraars. Laatstgenoemden mochten al een aandelenbelegging van maximaal 15% nemen, respectievelijk 5% van de aandelen met stemrecht aanhouden in banken. Omgekeerd echter was voor de banken dit percentage in beide gevallen tot 5% beperkt. Het gewijzigde structuurbeleid betekende derhalve een verruiming voor de banken. Bovendien werd de wettelijke scheiding in de commerciële samenwerking opgeheven, die in de praktijk al in 1983 was geëffectueerd door de oogluikend toegelaten samenwerking op spaargebied tussen de Nederlandse Middenstands Bank en Delta Lloyd.
Hoewel de (organisaties van) de banken en verzekeraars zeiden met de inhoud van dit nieuwe structuurbeleid te kunnen leven, was de Rabobank er niet gelukkig mee. Bankvoorman Herman Wijffels had zich al menigmaal kritisch uitgelaten over de voorkeursbehandeling van verzekeraars, onder meer tot uiting komend in de fiscale begunstiging van verzekerd sparen ten opzichte van het banksparen. Door toename van het contractuele sparen (pensioenen en lijfrentepolissen) bij verzekeraars en pensioenfondsen zouden de banken steeds minder spaargeld binnenkrijgen, waardoor hun kredietverlening aan het bedrijfsleven gevaar zou lopen. “Wat wij vragen is opheffing van de fiscale ongelijkheid. Dat betekent dat ook banken fiscaal begunstigde kapitaalverzekeringen en lijfrentepolissen willen voeren. Het spaardeel van deze producten hoort bij de banken, het risicodeel bij verzekeraars. We zullen ons niet op hun specifieke terrein van verzekeren begeven”, aldus plaatsvervangend hoofddirectievoorzitter Klarenbeek van de Rabobank destijds.
Voorstel
De uitlatingen van Wijffels en in zijn kielzog Klarenbeek wekten grote ergernis op bij verzekeraars, die daarin een regelrechte aanval op hun lucratieve markt(positie) zagen. Vooral Aegon-bestuursvoorzitter Jaap Peters leverde weerwerk. Hij benadrukte dat het Rabobank louter ging om het kunnen sluiten van de fiscaal begunstigde levensverzekering zonder tussenkomst van een verzekeraar. “Daarvoor is wijziging van de Wet op het Levensverzekeringsbedrijf (WOL) nodig. En dat is meer dan afspraken maken in het kader van het structuurbeleid”, aldus Peters.
Eind juni stuurde minister Ruding zijn voorstel tot wijziging van het structuurbeleid naar de Tweede Kamer. In de toelichtende brief kondigde hij aan dat de wettelijke scheiding tussen banken en verzekeraars over enkele jaren voorgoed zou worden opgeheven. In de aanloop daarnaar wilde Ruding de spelregels enigszins verruimen, in navolging van het buitenland waar de verstrengeling van verzekeraars en banken wel werd toegelaten. Hij voegde eraan toe, dat met name Rabobank “een verband wenste te zien tussen het structuurbeleid en de ongelijke fiscale behandeling van banken en hun producten” en daarom een onderzoek was toegezegd naar de verschillen in concurrentiepositie tussen enerzijds banken en anderzijds verzekeraars en pensioenfondsen.
Per 1 januari 1987 stond het banken en verzekeraars geheel vrij om elkaars producten te verkopen. Verboden bleef om als bank of verzekeraar zich op het terrein van de ander te begeven door overname of opstarten van eigen activiteiten. Het aandelenbelang in elkaar werd voor beide gemaximeerd op 15%, de zeggenschap – via stemrecht – op 5% van de aandelen.
Kwade genius
De intermediairorganisaties NVA en NBVA verzetten zich fel tegen de plannen. De NVA bepleitte voor handhaving van het oude structuurbeleid voor minimaal één jaar. “Het toestaan van een beperkte verstrengeling van de financiële macht van banken en verzekeraars leidt binnen afzienbare tijd tot een totale opheffing van de generieke scheiding tussen kredietinstellingen en verzekeraars.” Ook meenden de standsorganisaties dat de belangen van het intermediair (vrees voor oneigenlijke concurrentie door banken) en de consument onvoldoende waren gewaarborgd. Zij beschouwden vooral de Rabobank als de kwade genius die het evenwicht in de assurantiebemiddelingsbedrijf “koste wat het kost wil doorbreken”.
De meerderheid van de Tweede Kamer deelde medio december de standpunten van NVA en NBVA en voelde er niets voor om zelfs de commerciële samenwerking tussen banken en verzekeraars vrij te geven per 1 januari 1987. Ruding echter drukte door en weigerde een Kamerbrede motie uit te voeren waarin werd geëist het structuurbeleid nog één jaar ongemoeid te laten.
Uiteindelijk werd het structuurbeleid in de navolgende jaren alsnog volledig vrijgegeven. Na hernieuwd overleg met alle betrokken partijen, gestart medio 1988, volgde begin 1990 de opheffing van het wettelijke verbod tot conglomeraatvorming tussen banken en verzekeraars. Wel overeind bleef het verbod op te groot geachte machtsconcentraties bij grote banken. Deze beperking werd overigens begin 2000 opgeheven toen de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) toezicht ging houden op de markt.
1986
– Banden Interpolis en Rabo worden nauwer- Grote concerns niet op verzekeringsmanifestatie- Assupost staakt koerierswerk- Aegon geeft blijkt van onmachtig management- Structuurbeleid minder liberaal dan verwacht- Verlaging van provisie is onvermijdelijk- Rabo introduceert autopolis: markt verlaagt premies fors- Industrie zorgt zelf voor reassurantiecapaciteit- Kans op verplaatsing assurantiebeurs Amsterdam- Voortbestaan COS ter discussie

Reageer op dit artikel