nieuws

Raad van Toezicht: verzekeraar niet aansprakelijk voor tussenpersoon

Archief

Raad van Toezicht: verzekeraar niet aansprakelijk voor tussenpersoon

Een verzekeringsmaatschappij is niet aansprakelijk voor tekortkomingen van een van haar onafhankelijke tussenpersoon. Dat zegt de Raad van Toezicht Verzekeringen na een klacht van een polishouder over trage correspondentie. De klager blijft zitten met de schade.
De klacht draait om een levensverzekering met als einddatum 21 december 2000, waarbij het verzekerde bedrag (bij in leven zijn van de verzekerde) $ 6.361 bedraagt. De verzekeringnemer (plus verzekerde en begunstigde) verzoekt op 3 november – 45 dagen voor de einddatum – via de betrokken tussenpersoon om uitkering. De verzekeringsmaatschappij ontvangt de vraag op 8 november en geeft op 20 november antwoord. De verzekeringnemer komt pas op 6 december te weten welke aanvullende informatie de verzekeraar verlangt. Op 13 december levert hij die per aangetekende brief aan de tussenpersoon.
Op 27 december wordt de polishouder verzocht een kopie van zijn paspoort te verstrekken, wat dezelfde dag nog gebeurt. Op 28 december volgt uitkering: een week na de eigenlijke einddatum. Door een koersdaling van de Amerikaanse dollar loopt de polishouder ( 870 mis.
Zorgplicht
Volgens de klager is de ‘schade’ veroorzaakt door vertragingen in de correspondentie tussen verzekeraar en tussenpersoon. De tussenpersoon onttrekt zich aan elke verantwoordelijkheid en stelt als tussenpersoon in feite geen partij te zijn. De verzekeraar acht zich evenmin aansprakelijk voor de vertraging die grotendeels bij de tussenpersoon ligt. “En ik word de dupe en dat is niet redelijk”, vindt de klager.
Volgens de maatschappij denkt de polishouder ten onrechte dat mededelingen aan een tussenpersoon gelijk staan aan mededelingen aan een verzekeraar rechtstreeks. “Een zelfstandige assurantietussenpersoon geldt als vertegenwoordiger dan wel hulppersoon van de verzekeringnemer”, zo stelt de maatschappij.
In een antwoord stelt de klager dat de tussenpersoon tekort is geschoten, maar dat de verzekeraar onvoldoende heeft gedaan om die tekortkomingen van zijn tussenpersoon te signaleren en te corrigeren. “Verzekeraar heeft de plicht de belangen van zijn verzekerden, ook als er een tussenpersoon is, goed te behartigen”, zo stelt hij. “En dat is in dit geval niet gebeurd.”
De Raad van Toezicht neemt het op voor de maatschappij. “Verdedigbaar is het standpunt van verzekeraar dat sprake is van een van hem onafhankelijke tussenpersoon voor wiens tekortkomingen verzekeraar niet aansprakelijk is.” Voor de polishouder, die de klacht ongegrond verklaard ziet, resteert nog een civiele procedure tegen zijn tussenpersoon.
Gezondheidsverklaring van een baby vereist
Om in aanmerking te komen voor het Pluskapitaal op een natura-uitvaartverzekering moet de verzekeraar een gezondheidsverklaring van de verzekerde hebben. Voor een twee dagen oude baby is dat onmogelijk. Toch is er geen dekking.
Twee echtgenoten hebben een natura-uitvaartverzekering inclusief Pluskapitaal. De voorwaarden luiden als volgt: Kinderen die geboren worden na ingangsdatum van de polis zijn meeverzekerd, als binnen twee maanden melding wordt gemaakt van de geboorte. (…) Bij overlijden van een verzekerde bestaat recht op het Pluskapitaal (…), indien een gezondheidsverklaring is ingevuld.”
Op 3 maart 2000 wordt in het gezin een meisje geboren, dat op 5 maart overlijdt. De verzekeraar verzorgt de begrafenis (kosten ( 4.381), maar brengt na afloop ( 3.388 in rekening bij de ouders. Zij moeten vanwege het ontbreken van Pluskapitaal-dekking het graf en grafmonument zelf betalen. De verzekeringnemers snappen daar weinig van en dienen een klacht in.
De Raad van Toezicht vindt de weigering van de verzekeraar evenwel verdedigbaar. “Nu aan de voorwaarde van de gezondheidsverklaring niet is voldaan, bestaat voor klagers dochtertje geen recht op uitkering van het Pluskapitaal. Verdedigbaar is voorts dat voor klager uit de polisvoorwaarden voldoende duidelijk kon zijn dat voor zijn dochtertje geen recht bestaat op uitkering van het Pluskapitaal”, aldus de Raad.
Afkoopwaarde? Rare vraag, zeg!
Zaken voor de Raad van Toezicht Verzekeringen geven soms een opmerkelijk beeld van de verzekeringspraktijk. Zo vraagt iemand met twee levensverzekeringen per aangetekende brief van 14 maart 2002 om de afkoopwaarde van zijn polissen, met als uitgangsdatum voor de berekening 2 juni 2002. Zijn brievenbus blijft leeg en dus wordt op 28 maart een hernieuwde (aangetekende) poging gedaan. En op 26 mei volgt een tweede (aangetekende) herinnering, afgewisseld met twee telefonische pogingen.
De maatschappij bestaat het om als eerste een acceptgiro in de brievenbus te doen belanden, met de premie die op 2 juni vervalt. Even later volgt eindelijk de gevraagde afkoopwaarde, in een brief met als datering ‘mei 2002’. Ten overstaan van de Raad erkent de verzekeraar zijn fouten; hij komt er zonder sanctie vanaf.
En de klant? Hij koopt niet af. Waarschijnlijk tevreden met zijn maatschappij, of niet zo gelukkig met de hoogte van de afkoopwaarde?

Reageer op dit artikel