nieuws

Premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid

Archief

Op 9 januari heeft het Ministerie van Financiën een besluit uitgevaardigd over premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het besluit blinkt uit in onduidelijkheden en dat is niet acceptabel, vindt Alfred Lagendijk van PricewaterhouseCoopers.

Alfred Lagendijk
Het besluit houdt verband met aanpassingen die de Witteveen-wetgeving per 1 juni aanstaande verplicht stelt. Omdat het besluit gaat over de verzekering van oudedagsvoorziening en nabestaandenvoorziening bij arbeidsongeschiktheid en het besluit niet helder is, moet het ministerie naar mijn mening heel snel met een nadere toelichting komen, in het belang van uitvoerders én rechthebbenden. Hieronder wordt de tekst van het besluit integraal weergeven en daarna puntsgewijs commentaar gegeven.
Aan de staatssecretaris van Financiën is de volgende vraag voorgelegd: dienen op 1 juni 1999 bestaande pensioenregelingen waarbij de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is ingetreden, uiterlijk op 1 juni 2004 – of de eerdere datum waarop de pensioenregeling op meer dan ondergeschikte punten wordt gewijzigd – te worden aangepast aan de regels van hoofdstuk IIB en artikel 38a, van de Wet op de loonbelasting 1964?
Antwoord
De staatssecretaris antwoordt als volgt: “Ja, de pensioenopbouw dient in perioden van bestaande arbeidsongeschiktheid uiterlijk met ingang van 1 juni 2004 of de eerdere datum waarop de pensioenregeling op meer dan ondergeschikte punten wordt gewijzigd, te geschieden overeenkomstig de wetgeving zoals deze luidt met ingang van 1 juni 1999 (zie artikel 38b van de Wet LB).
In veel gevallen is echter het recht op premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid ingevolge de verzekeringsovereenkomst civielrechtelijk definitief geworden op het moment dat die premievrijstelling is ingegaan. De voortgezette pensioenopbouw kan in die gevallen niet worden aangepast. Afgezien van een eventuele indexatie staat bovendien de omvang van de premievrijstelling vast op de datum waarop de premievrijstelling intreedt. Gelet hierop, keur ik onder voorwaarden goed dat aanpassing achterwege blijft voor zover de rechten voortvloeien uit een contractuele premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid.”
Voorwaarden
De staatssecretaris vervolgt zijn antwoord: “Op grond van artikel 19d van de Wet LB wijs ik in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bedoelde pensioenregelingen onder de volgende voorwaarden aan als pensioenregeling; de inhoud van dit besluit is ook van toepassing voor de premieheffing werknemersverzekeringen.
1. In de pensioenregeling respectievelijk pensioenverzekering is een recht op voortgezette pensioenopbouw bij ingetreden arbeidsongeschiktheid toegezegd, waarbij de voortgezette pensioenopbouw wordt bepaald door de voortzetting van de overeengekomen premiebetalingen die voor rekening van de pensioenverzekeraar komen. Dit in tegenstelling tot pensioenregelingen respectievelijk pensioenverzekeringen waarin bij arbeidsongeschiktheid een voortgezette opbouw van een gedefinieerd pensioen is toegezegd;
2. Afgezien van een eventuele indexatie dient de omvang van de premievrijstelling vast te staan op de datum waarop de premievrijstelling intreedt;
3. De premievrijstelling mag, indien dit in de pensioenregeling respectievelijk pensioenverzekering is overeengekomen, ten hoogste worden verhoogd met een gebruikelijke, fiscaal aanvaardbare, loon- of prijsindex;
4. Bij een latere verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid geldt deze goedkeuring alleen voor de in samenhang daarmee te verlagen rechten met de bijbehorende premievrijstelling;
5. Wellicht ten overvloede merk ik op dat bij een latere verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid, de daarmee samenhangende verhoging van de premievrijstelling dient te zijn gebaseerd op het recht zoals dat luidt ten tijde van de verhoging van de arbeidsongeschiktheid. Voor dat deel dient wel te zijn voldaan aan de wetgeving zoals deze met ingang van 1 juni 1999 geldt.”
Onderscheid
Het is een goede zaak dat over dit onderwerp (eindelijk) een besluit is genomen. Het eindigen van de overgangstermijn voor aanpassing aan de Wet fiscale behandeling van pensioenen mag geen gevolgen hebben voor deze groep werknemers. In het besluit wordt echter gesproken over de toepassing bij verzekeraars. De reikwijdte lijkt me echter geenszins beperkt tot verzekeraars. Pensioenfondsen hebben er in gelijke mate mee te maken. In dat geval betaalt het pensioenfonds meestal niet de voortgezette opbouw van pensioen, maar de werkgever.
Er wordt in voorwaarde 1 onderscheid gemaakt tussen defined-benefit- (eindloon- en middelloonregelingen) en defined-contributionregelingen (beschikbare premieregelingen). Ik zie de relevantie van dit onderscheid niet. Bovendien is niet aangegeven in hoeverre dit onderscheid doorwerkt in dit besluit. Ik concludeer dat het besluit op beide van toepassing is. Overigens geldt dit ook voor de beroepspensioenregelingen, die wat de fiscale behandeling betreft vlees noch vis zijn.
Het besluit wordt nu via een aanwijzing geregeld. Ik vraag me af of dit besluit ook voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) geldt, nu in de fiscale behandeling van pensioenen dga en gewone werknemer steeds vaker verschillend worden behandeld. Het kan niet zo zijn dat de dga nu een fiscale claim boven het hoofd hangt, omdat de opbouw van zijn ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen op basis van 2,33%, een lage franchise en een auto van de zaak plaatsvindt.
Oud en nieuw regime
Uit voorwaarde 4 leid ik af dat de premievrijstelling bij verergering van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en herintredende arbeidsongeschiktheid na een periode van revalidatie, slechts voor dat deel onder het oude fiscale regime kan vallen waarvoor de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid bestond. Mijn vraag is tweeledig: Wordt dit toegepast vanaf de datum 1 juni 2004, 1 juni 1999 of de datum van dit besluit?
Voor de meeste regelingen geldt de eerste datum, lijkt mij, omdat die sinds 1 juni 1999 niet op meer dan ondergeschikte punten zijn veranderd en dus nog gewoon onder de overgangsregeling vallen. De staatssecretaris laat onduidelijkheid bestaan of hij zelf vindt dat het de middelste of de laatste datum moet zijn. Dat betekent voor de toekomst dat veel regelingen die gedeeltelijke arbeidsongeschikten bevatten gedeeltelijk oud en gedeeltelijk nieuw fiscaal regime deelachtig worden. Een onvermijdelijk gevolg, dat de nodige uitvoerder nog wel eens een grijze haar (meer) zal bezorgen.
Een bijzonder vervelend gevolg is dat dit terugwerkende kracht lijkt te hebben. Ik neem aan dat dit niet bedoeld is, zodat we er – zij het niet helemaal met een gerust hart – vanuit kunnen gaan dat de verhoging van de arbeidsongeschiktheid alleen ziet op de periode na datering van het besluit.
Ten slotte is ook niet duidelijk of de arbeidsongeschiktheid onder het oude regime staffelvolgend mag zijn. Dit is een element dat is goedgekeurd onder nieuw regime, maar ook in oude regelingen voorkomt. Voorwaarde 3 creëert hierin geen duidelijkheid. Natuurlijk is het criterium de ‘omvang van de premies’ voldoende grond om aan te nemen dat de premievrijstelling de staffel mag volgen. Aan de andere kant wordt de lat gelegd op de indexatie.
Het zou de bestuurder van dit land sieren als er snel meer duidelijkheid komt.
van PricewaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel