nieuws

Overgangsregime WFD gaat uit van ‘3-5-3’ regel

Archief

De Commissie Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) adviseert een ‘3-5-3’ regel als overgangsregime in de Wet Financiële Dienstverlening (WFD). Dit blijkt uit het nog niet gepubliceerde advies van de commissie aan de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

De ‘3-5-3′ regel houdt in dat diploma’s die recht geven op vrijstelling niet ouder mogen zijn dan drie jaar, gerekend vanaf het van kracht worden van de WFD. Bij diploma’s die ouder zijn, geldt als aanvullende eis drie jaar relevante werkervaring, opgedaan in de laatste vijf jaar. De vraag die betrokkenen zich hierbij stellen, is hoe deze relevante werkervaring gecontroleerd gaat worden en hoe relevante werkervaring omschreven wordt. De controle hierop zou de administratieve lasten omhoog stuwen.
Volgens ingewijden is er nog altijd discussie over de vrijstellingen met betrekking tot de advisering van Hypotheken. In het conceptadvies wordt gesproken over Woningfinanciering II en vrijstelling B-diploma. Naar het zich laat aanzien zal de Stichting Erkenningsregeling Hypotheekadviseurs (SEH) zich hard maken voor het diploma Erkend Hypotheekadviseur.
Het advies van de commissie is nog altijd een conceptadvies. Het wachten is op de publicatie van het wetsontwerp. Het wetsontwerp wordt eerst aangeboden aan het Kabinet. Ongeveer één à twee weken later zal het dan naar de Tweede Kamer gestuurd worden. Als het tegenzit, zal dat pas eind deze maand zijn. Vervolgens gaan de adviezen van de werkgroepen naar de structuurgroep die zich een oordeel moet vormen over de uitgebrachte adviezen in het licht van het wetsontwerp. Pas daarna zal ook de consultatieronde van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) plaatsvinden.
Permanente educatie
De commissie is verder voorstander van een verplichte toets ten aanzien van permanente educatie (PE), maar komt nog met een advies hoe permanente educatie aangetoond moet worden, waarbij met name ook naar de kosten en de administratieve belasting wordt gekeken.
Permanente educatie wordt een harde verplichting voor sleutelfiguren die vitaal zijn voor de vergunning. “De deskundigheid van deze personen moet permanent op het vereiste niveau zijn. Dit wordt bereikt door het bijhouden van de kennis door middel van nascholing en het actief blijven volgen van relevante ontwikkelingen. De commissie beraadt zich over de wijze waarop de PE-kennis moet worden aangetoond. De commissie is van mening dat het louter deelnemen aan opleidingsactiviteiten waaronder seminars, symposia, workshop en dergelijke, niet volstaat. Er zal daadwerkelijk gemeten moeten worden door middel van toetsing op actuele kennis.”
In een voetnoot is te lezen dat de NBVA het systeem van permanente educatie ondersteunt. Daarbij maakt de tussenpersonenorganisatie de volgende kanttekening: “Het alleen maar verplicht afnemen van een PE-toets door de feitelijk leidinggevenden voor het behouden van de vergunning, stuit echter op praktische bezwaren en daarom ondersteunt de NBVA dit niet. De invoering van een PE-systeem voor alle modules betekent een enorme lastenverzwaring en werkt kostenverhogend. Wel kan de NBVA zich, in het kader van zelfregulering, vinden in een systeem waarin wel wordt voldaan aan permanente educatie, maar vanuit praktische overwegingen meerdere uitingsvormen mogelijk zijn (PE-toets, bijwonen van PE-bijeenkomsten). De PE-toets zou wel aantrekkelijk gemaakt moeten worden door voor het bijwonen van PE-bijeenkomsten zwaardere eisen neer te leggen”.
Examinering
Over opleiden en examinering adviseert de commissie dat er een College van Deskundigen (CvD) moet komen dat de eindtermen van de verschillende functies financiële dienstverlening zal vaststellen. Opleidingsinstituten kunnen aan de hand van deze eindtermen de opleidingen vormgeven. Gecertificeerde exameninstituten kunnen op basis van de eindtermen de examens vaststellen. De commissie is voorstander van meerdere exameninstituten, mits voldaan wordt aan stringente eisen van kwaliteit zoals deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen.
De commissie wil “slechts exameninstituten accrediteren die een bundeling van activiteiten vormgeven. De commissie wil geen ‘cherry pickers’. Maar dus ook geen monopolie, ofschoon de commissie zeker bepaalde voordelen ziet in één exameninstituut voor de gehele financiële dienstverlening”.
Over de combinatie van examinering en opleiden bestaat in de commissie geen éénduidige opvatting. Zo is ongeveer 50% van de commissieleden voor een strikte scheiding. De anderen kunnen meegaan in een combinatie, maar dan onder strikte voorwaarden van chinese walls. Een scheiding in de juridische structuur, in personen en financiën, wordt in dat geval van belang geacht.
Nibe-SVV laat in een voetnoot aantekenen dat zij tegenover de voordelen van één exameninstituut ook grote nadelen ziet en dat zij ook zeker de noodzaak niet inziet van monopolisering.

Reageer op dit artikel