nieuws

Loondienstadviseurs Eerste Hollandsche weer onder druk

Archief

Februari 1997 namen loondienstagenten van Eerste Hollandsche contact op met de redactie van AM, omdat hun werkgever nieuwe productie-eisen op tafel had gelegd. De adviseurs vreesden een ‘koude sanering’ van hun verkoopafdeling; Eerste Hollandsche ontkende dat. Twee jaar later kregen de adviseurs gelijk. Het verhaal van Eerste Hollandsche stond model voor dat van diverse andere loondienstorganisaties.

In de jaren negentig van de vorige eeuw keken verzekeraars steeds kritischer naar de prestaties van hun loondienstorganisaties. Hooge Huys en Sterpolis namen als eersten afscheid van de adviseur in vaste dienst en kozen voor het bestaan van intermediairmaatschappij respectievelijk direct-writer. Daarna volgden de ontwikkelingen elkaar snel op: Victoria-Vesta en RVS (ING) werden samengevoegd, Monuta ruilde veel van haar loondienstmensen in voor het intermediair, Unas (AXA) en Eerste Hollandsche (Generali) werden opgeheven en Noord-Braband ging op in Nationaal Spaarfonds (Delta Lloyd).
Na de eeuwwisseling volgde de opheffing van de loondiensten van Reaal, Tiel Utrecht/De Goudse en Legal & General, terwijl de consulentenorganisatie van Amev werd geïntegreerd in die van de Verzekerings Unie en die van NVG in Axent/Aegon. Nu resteren er nog een handjevol loondienstorganisaties: RVS, Verzekerings Unie, Axent/Aegon, Nationaal Spaarfonds en de uitvaartjongens Dela, Monuta, Yarden en Nuvema.
50% lager
Het Amsterdamse bedrijf Eerste Hollandsche werd in 1884 opgericht. In 1979 mislukte een overnamepoging door Stad Rotterdam, maar slaagde die van Amfas. Vijf jaar later echter volgde de doorverkoop aan Generali (toen nog Nederlanden van 1870). Generali zette in 1992 het mes in het loondienstkanaal. Volgens een ingrijpend vierjarenplan moest er per adviseur een productiestijging van 73% worden gerealiseerd: 20% in 1992 en 20%, 15% en 10% in de daaropvolgende jaren.
‘Wurgcontract’ was een van de benamingen die de 130 protesterende loondienstagenten aan de plannen van hun werkgever gaven. Gesteund door de vakbonden vochten zij het plan voor de rechter aan, én wonnen. In hoger beroep trok Generali echter aan het langste eind; de maatschappij beargumenteerde dat de productiviteit bij Eerste Hollandsche 50% lager lag dan bij vergelijkbare loondienstverzekeraars. Na de uitspraak van het Gerechtshof bleken de verkopers niet te kunnen voldoen aan de opgelegde doelstellingen en het verkoopapparaat van Eerste Hollandsche slonk tot vijftig adviseurs.
Sanering
De loondienstadviseurs van Eerste Hollandsche kwamen begin 1997 opnieuw onder druk: zij moesten dat jaar 15% meer productie maken om hetzelfde (provisie)inkomen te kunnen behouden. De adviseurs voorzagen hun lot: “De volledige sanering van de loondienstorganisatie is slechts een kwestie van tijd”.
Toenmalig directeur Rik Savelsbergh ontkende dat dit scenario door de Generali-leiding werd voorzien. “Als zij hun geld waarmaken, dan hoeven ze van mij niet weg”, zo zei hij. “Van moedwillig wegjagen is geen sprake.” Toenmalig vakbondsman Dirk Kramer (De Unie) was het echter met de werknemers eens: “Dit is niet levensvatbaar. Het loondienstbedrijf van Eerste Hollansche is een sterfhuis. Eerste Hollandsche en Generali zeiden vijf jaar geleden ook dat van een afslanking geen sprake zou zijn. Maar de nieuwe beloningsregels hebben wel degelijk tot een forse afslanking geleid”.
In het najaar van 1999 bleek zijn gelijk. Generali besloot het label per 1 januari 2000 op te heffen. Er waren op dat moment nog slechts vijf loondienstadviseurs in dienst van Eerste Hollandsche.
1997
– Onderlinge Hulp in problemen door fraudezaak- Loondienstadviseurs Eerste Hollandsche weer onder druk- Aegon met Meeùs in financiële planning- Univé gaat volwaardige levenpoot opbouwen- Baanbrekende milieupolis- Golf van aandelenleaseproducten in het verschiet- NVA: stop met Assuron- Ambitieuze start franchiseketen Pensioen Managers- VK-bestuurders nu zonder aaansprakelijkheidsdekking- Nuva-leden zien af van fusie met Monuta

Reageer op dit artikel