nieuws

Invloed successiewet op aandelen in pensioen-BV

Archief

Deze week wordt een wijziging in de Successiewet doorgevoerd om constructies met aandelen in een eigen pensioen- of lijfrentelichaam tegen te gaan. Naar aanleiding van de beperkende uitleg van de Hoge Raad kon niet langer worden gewacht met het aanpassen van artikel 13a van de Successiewet.

Alfred Lagendijk en Helga van Bijnen
Het huidige artikel 13a Successiewet is in het verleden opgenomen om constructies met aandelen in een eigen pensioenlichaam (lees ook lijfrentelichaam) tegen te gaan. Wanneer sprake is van een pensioen-BV, zal bij overlijden van de pensioengerechtigde namelijk de waarde van de aandelen in deze BV stijgen doordat de pensioenverplichting vrijvalt. Om te voorkomen dat die waardestijging in de heffing van het successierecht zou worden betrokken, werden de aandelen in een pensioen-BV veelal bij leven al overgedragen aan derden (vaak de kinderen).
Om deze constructie tegen te gaan, werd artikel 13a ingevoerd. Op grond van dit artikel worden de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen in een pensioenlichaam, die niet in het bezit zijn van de erflater, bij overlijden geacht door een fictieve vererving te zijn verkregen. Op deze wijze wordt de waardestijging alsnog in de heffing betrokken.
Hoge Raad
In het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2001 (HR 35.435) is gekozen voor een restrictieve uitleg van het artikel. Volgens de Hoge Raad is er namelijk slechts sprake van een pensioenlichaam, als de bezittingen van het lichaam – na aftrek van schulden – ten tijde van het overlijden van de pensioengerechtigde geheel of nagenoeg geheel dienen tot dekking van de pensioenverplichtingen. Met geheel of nagenoeg geheel wordt bedoeld voor 90% of meer.
De strekking van het arrest was om te voorkomen dat waardestijgingen die geen enkel verband houden met het overlijden van de pensioengerechtigde ook in de heffing van het successierecht worden betrokken. Zo kan er natuurlijk sprake zijn van voordelen uit beleggingen die geen verband houden met het overlijden. En in dat geval zou er volgens de Hoge Raad sprake zijn van “een willekeurige heffing, op een willekeurig tijdstip over de waardestijging van aandelen in een vennootschap ten gevolge van gunstige beleggingen van die vennootschap”.
De Hoge Raad nam voor lief dat zijn uitleg tot gevolg zou hebben dat, afhankelijk van het beleggingsresultaat, een lichaam dan weer wel en dan weer niet als pensioenlichaam zou moeten worden aangemerkt.
Artikel 13a
In de nu voorgestelde tekst van artikel 13a wordt deze problematiek aangepakt. Slechts de vermogensvoordelen die direct dan wel indirect het gevolg zijn van het overlijden worden in de heffing betrokken. Dat wil zeggen dat slechts de waardestijging van aandelen ten gevolge van het vrijvallen van een pensioen- of lijfrenteverplichting wordt meegenomen. De waardestijging van de aandelen die is opgetreden tijdens het leven van de erflater, bijvoorbeeld de waardestijging als gevolg van beleggingswinsten, wordt niet meer in de heffing betrokken.
Geweldig! Dat is nu goed geregeld, zult u denken. Echter, u raadt het al, een beperking aan de ene kant betekent meestal een verruiming aan de andere kant. In het nieuwe artikel is de voorwaarde dat het slechts om aandelen in een pensioen- of lijfrentelichaam moet gaan, komen te vervallen. Een waardestijging van aandelen ten gevolge van het vrijvallen van een pensioenverlichting kan zich namelijk evengoed voordoen bij een vennootschap die zich niet (nagenoeg) uitsluitend richt op het afsluiten van pensioen- of lijfrenteovereenkomsten. De definitieproblemen omtrent een pensioenlichaam die door het arrest van de Hoge Raad waren ontstaan, zijn dan ook meteen verdwenen.
Anti-misbruik
Daarnaast is in de nieuwe tekst van het artikel de kring van personen waarop de bepaling betrekking heeft, aangepast. De kring van personen wordt gelijk aan die waarop ook andere fictiebepalingen in de Successiewet betrekking hebben. De bepaling geldt alleen indien de houder van het aanmerkelijk belang de echtgenoot van de overledene, een samenwoner of een bloedverwant tot en met de vierde graad is.
Uiteraard is er ook een soort van anti-misbruikbepaling opgenomen. Waardestijgingen die teniet worden gedaan door de vennootschap verplichtingen te laten aangaan die een waardedrukkend effect hebben op het moment van overlijden, worden niet in aanmerking genomen. Met andere woorden, het afsluiten van een contraverzekering biedt geen oplossing meer. Daarnaast gaf de wetgever aan dat constructies met opties ook niet meer het gewenste resultaat zullen bereiken.
Woonplaatsfictie
Ten slotte willen wij u wijzen op een belangwekkende uitspraak van het Hof Den Bosch van 12 december 2002. In de Successiewet is een fictie opgenomen, op grond waarvan de Nederlandse fiscus ook na emigratie eventueel nog successie- en schenkingsrecht kan heffen. Indien een persoon binnen tien jaar na emigratie komt te overlijden dan wel een schenking doet en op dat moment nog de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt deze persoon geacht op dat moment in Nederland woonachtig te zijn. De werking van de zogenoemde woonplaatsfictie heeft tot gevolg dat Nederland toch nog successie- dan wel schenkingsrecht kan heffen.
Het Hof is van mening dat de woonplaatsfictie een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer tussen de EU-lidstaten is. De maatregel moet dan ook buiten werking blijven. Het wachten is op de mening van de Hoge Raad.
sectie Pensioenen & Verzekeringen van Pricewaterhousecoopers.

Reageer op dit artikel