nieuws

Intermediair wil toezicht op individuele bemiddelaar

Archief

Driekwart van het intermediair vindt dat de in de Wet Financiële Dienstverlening (WFD) op te nemen vakbekwaamheidseisen moeten gelden voor iedereen die bij de klant aan tafel zit. Dit is een van de opmerkelijkste uitkomsten van de grootschalige enquête die in de afgelopen weken in opdracht van Legal & General Nederland is gehouden.

De opstelling van het intermediair, die overigens spoort met het felle pleidooi van de Consumentenbond op dit punt, staat haaks op het concept van de WFD. Daarin is gekozen voor een systeem waarin de werkgever verantwoordelijk is voor de vakbekwaamheid van zijn medewerkers zonder dat dit inhoudelijk (wettelijk) geconcretiseerd wordt.
De wens van individueel vakbekwaamheidstoezicht leeft in gelijke mate bij zowel de grote als de kleinere assurantiekantoren. Wel is er een vrij opmerkelijk verschil tussen NBVA- en NVA-kantoren. Waar ruim 83% van de respondenten van NVA-huize zich uitspreekt vóór adequate individuele vakkennis, geldt dat bij de NBVA-leden voor nog geen 69%. Bij de niet-georganiseerden is de score 76,5%.
In totaal ontvingen eind april ruim vijfduizend tussenpersonen een vragenformulier van adviesbureau D&O, dat namens Legal & General het onderzoek heeft uitgevoerd. Ruim 1.100 tussenpersonen(23%) stuurden het formulier ingevuld retour.
Vergunningstelsel
In de Wabb wordt geen enkel onderscheid gemaakt in de aard van de verzekeringen waarin bemiddeld mag worden. Of het nu gaat om een simpele avp of om een complexe verzekering voor een Jumbo Jet, dat maakt niet uit, aldus D&O. Met de WFD wordt een einde aan deze situatie gemaakt en uit de enquête komt naar voren dat deze kwestie binnen het intermediair de meeste verdeeldheid geeft.
Op de desbetreffende enquêtevraag spreekt 53% voorkeur voor één vergunning uit. Daarentegen is 41,6% voorstander van een stelsel waarin een bemiddelaar per soort financiële dienst een aparte vergunning moet hebben. Op dit punt bestaat een wezenlijk verschil tussen NBVA- en NVA-leden. Bij de NBVA-leden is 62% voorstander van één vergunning en wil 32,7% aparte vergunningen. Bij de NVA is ‘slechts’ 47,3% voorstander van één vergunning en wil 48% aparte vergunningen. D&O noemt het opvallend dat juist onder de NBVA-leden een ruime meerderheid voor één vergunning is. Gezien de omstandigheid dat NBVA-kantoren over het algemeen een relatief kleinere personeelsbezetting hebben, lijkt dit toch minder opvallend.
Transparantie
Over de schriftelijke vastlegging van zaken die met (potentiële) klanten besproken worden, is het intermediair vrij positief gestemd. De meeste weerstand bestaat op het punt van vermelding van de namen van de maatschappijen die de adviseur in zijn advisering heeft betrokken. Nog geen 40% is daarmee akkoord, 31,9% is neutraal en 28,7% is tegen. De niet-georganiseerde tussenpersonen scoren gemiddeld; van de NVA-leden is 23% tegen verstrekking van die namen en van de NBVA-leden 30,6%.
Als het gaat om tegenover de klant te motiveren waarom de adviseur juist de daadwerkelijk aanbevolen maatschappij heeft gekozen, verklaart slechts 11,3% van de NVA-respondenten zich hiertegen, bij de NBVA-leden (21,3%) en de niet-georganiseerden (20,8%) is dat bijna dubbel zoveel. Voor wat betreft de eventuele vermelding dat de adviseur bepaalde productieverplichtingen heeft jegens de maatschappij die hij adviseert, is 68,6% akkoord, 13,9% neutraal en 17,5% tegen.
Integriteit
Met de WFD wordt ook voorzien in een strenger toezicht op de integriteit van bemiddelaars in financiële diensten. Van de respondenten vindt 88,5% dit belangrijk tot zeer belangrijk. Wanneer de categorie van respondenten die aangeeft het ‘zeer belangrijk te vinden’ dat er strenger gelet wordt op de integriteit nader wordt bekeken, dan blijkt dat er geen significante verschillen te bestaan tussen leden van de NBVA/NVA en niet-georganiseerden, aldus Bureau D&O. Wel vinden over het algemeen de grotere kantoren dit aspect belangrijker dan de kleinere.
Effect op bestand
Aan de geënquêteerden is ook als vraag voorgelegd ‘Welk effect zal de WFD naar uw oordeel hebben op het aantal intermediairs dat tot 2006 actief is in het bemiddelen in verzekeringen?’. De deelnemers konden kiezen uit zeven volume-antwoorden, variërend van ‘meer dan 30% daling’ tot ‘meer dan 10% stijging’. Bijna driekwart van de respondenten verwacht een daling van meer dan 10%, hetgeen de opheffing van 1.100 kantoren in de komende twee jaar zou betekenen.
Op de vraag of de tussenpersonen denken dat invoering van de WFD tot extra werktijd zal leiden, denkt 46,5% dat dit van beperkte omvang zal zijn, 51,3% verwacht dat het aanzienlijk tot zeer aanzienlijk extra tijd zal leiden. Op dit punt zijn ‘schadekantoren’ pessimistischer dan ‘levenkantoren’. “Bij de interpretatie van deze vraag dient wel bedacht te worden dat ten tijde van het beantwoorden door de respondenten van deze vraag de voorgestelde differentiatie op het gebied van transparantie en vakbekwaamheidseisen nog op geen enkele wijze concreet was ingevuld”, is het duidelijke voorbehoud van D&O.
Waardering voor NBVA/NVA
De ongeorganiseerde tussenpersonen zijn vrij positief gestemd over de rol van NBVA en NVA bij de ontwikkeling van de WFD. De vraag luidde ‘Wilt u met een schoolcijfer aangeven in welke mate deze inspanningen door u worden gewaardeerd?’. De leden van de NBVA gaven gemiddeld een 7,8 en de leden van de NVA gemiddeld een 7,3.
Toch bleven de niet-georganiseerden daar met een gemiddeld rapportcijfer van 6,2 niet eens zo heel ver bij achter. De helft van de ‘vrije jongens’ gaf zelfs een 7 of hoger rapportcijfer aan NBVA/NVA. “Voor beide organisaties kan deze waardering mogelijk een extra argument zijn om deze respondenten alsnog te motiveren zich aan te sluiten bij één van deze organisaties”, bespiegelt D&O. Dat zou dan bijvoorbeeld kunnen gebeuren in het kader van de informatiebijeenkomsten die beide standsorganisaties samen met het Verbond van Verzekeraars na de zomer op diverse plaatsen in het land gaan houden. Meer dan 80% van de respondenten heeft in beginsel belangstelling voor deze bijeenkomsten (46,9% zelfs ‘zeer zeker’).
Informatiebronnen
Van de deelnemers aan de enquete zegt 7,2% het concept van de WFD volledig te kennen en is bijna 61% met de hoofdlijnen bekend. De meerderheid van het intermediair (60,2%) noemt de vakpers als belangrijkste informatiebron, 17,6% is op de hoogte dankzij NBVA/NVA, 10,8% dankzij verzekeraars en 6% door lezingen en publicaties van derden.
Ook is nog gevraagd welke bemoeienis de tussenpersonen op prijs stellen van hun primaire verzekeraars bij de invoering van de WFD. Het hoogste scoorde ‘ondersteuning door middel van software gericht op de eisen van de WFD’. Maar ook periodieke informatieverstrekking, opleidingen die aansluiten bij de eisen van de WFD en modellen voor adviesrapportages worden door de respondenten zeer gewaardeerd.
Zakelijke markt
Een belangrijk discussiepunt in de afgelopen maanden was de constatering dat volgens de concepttekst van het wetsontwerp de WFD uitsluitend zou toezien op de advisering van particulieren. Op de vraag ‘Hoe dient naar uw oordeel de regelgeving ten aanzien van bemiddeling in bedrijfsmatige verzekeringen te worden geregeld?’ koos 71,5% van de respondenten voor de antwoordmogelijkheid: ‘als onderdeel van de WFD’. Ruim 10% ziet het toezicht op de advisering van zakelijke verzekeringen liever in een aparte wet gebeuren, 11,5% acht een wettelijke regeling niet nodig en 6,8% heeft er geen mening over. Inmiddels is al door het ministerie van Financiën aangegeven, dat in een verbeterd concept tal van zakelijke verzekeringen ook onder de WFD zullen gaan vallen.
Globaal oordeel
Waar de helft (50,3%) van het intermediair ‘neutraal’ oordeelt over de komende wet, is bijna 34% positief tot zeer positief gestemd. Iets minder dan 16% is negatief tot zeer negatief gestemd. De beoordeling door NBVA/NVA-leden verschilt nauwelijks van die van ongeorganiseerden. Wel staan de grotere kantoren in het algemeen (veel) positiever tegenover de WFD dan kleinere kantoren. In lijn hiermee is het min of meer logisch dat leven-georiënteerde kantoren positiever zijn dan schade-georiënteerde kantoren.
Van de respondenten vindt 71,3% een beroepsaansprakelijkheidsverzekering ‘zeer belangrijk’, 25,2% vindt dit ‘belangrijk’, 2,2% is neutraal, 1,1% zegt ‘onbelangrijk’ en slechts 0,2% heeft hierover geen oordeel. * Zie ook pag. 41, waarop de Consumentenbond een blauwdruk voor de structuur van het individuele vakbekwaamheidstoezicht presenteert.

Reageer op dit artikel