nieuws

Het boek Vie d’Or is na tien jaar nog niet gesloten

Archief

Het boek Vie d’Or is na tien jaar nog niet gesloten

Op 16 november 1993, ruim acht jaar na de oprichting, stortte levensverzekeraar Vie d’Or als een kaartenhuis in elkaar. Algemeen directeur Bert Lieuwma, nog geen maand in functie, uitte in de pers zijn twijfels over de solvabiliteit van de maatschappij. De toezichthoudende Verzekeringskamer kondigde daarna een noodregeling af, de volgende zomer eindigend in het meest spraakmakende verzekeringsfaillissement ooit.
Kort na het faillissement schreef Lieuwma nog een brief naar het bestuur van de Verzekeringskamer (VK). Die brief, van 1 november 1994, geeft een goed beeld van de verwijten die alle betrokkenen elkaar hebben gemaakt voor het omvallen van Vie d’Or. “Nog steeds heb ik het gevoel dat de VK in eerste instantie misstanden heeft willen ontkennen en de Zwarte Piet heeft willen neerleggen bij mij en mijn accountant Van Dijk”, stelt Lieuwma daarin.
Hij vervolgt: “Ik ben er steeds meer van overtuigd geraakt dat er voor polishouders veel gunstigere oplossingen bereikt waren, wanneer de Verzekeringskamer de alarmerende berichten over de misstanden onmiddellijk serieus had genomen. U wenste echter, om voor mij volkomen duistere redenen, zowel accountant als actuaris en dat deel van het personeel dat gesjoemeld heeft of het gesjoemel heeft toegelaten, serieus te nemen. Ik had geenszins verwacht dat u – indirect – de club van Frans Maes in de kaart zou spelen en de integriteit van Van Dijk en mijzelf ter discussie zou laten stellen.”
Onbenul
Pas in 1997 diende Maes hem indirect van repliek, toen de initiator van Vie d’Or in het Haagse perscentrum Nieuwspoort een eigen rapport over de financiële boekhouding van de failliete levensverzekeraar presenteerde. “Hoe kan iemand die zichzelf een financieel onbenul noemt na zes werkdagen naar de pers lopen met verhalen over een financiële chaos, onvoldoende reserves en een dreigend faillissement? Ik wil niet speculeren over Lieuwma’s motieven, maar zijn stap was onbegrijpelijk”, aldus Maes, die zei een complot te vermoeden van de gevestigde verzekeringsorde tegen zijn bedrijf.
In zijn brief aan het VK-bestuur van november 1994 lichtte Lieuwma zijn motieven toe: “Het feit dat ik naar de pers ben gegaan was ingegeven door de mij hiertoe nopende omstandigheden. Ik had immers mijn contract pas getekend nadat Vie d’Or haar jaarverslag 1992 – met begeleidend schrijven én medeweten van alle betrokken deskundigen – had uitgebracht. Op basis van deze informatie vroeg ik vanaf begin oktober de vakpers om het voordeel van de twijfel en benaderde ik tussenpersonen om Vie d’Or te gaan betrekken bij het zaken doen. Toen ik ontdekte dat het totaal niet goed zat bij Vie d’Or, besprak ik de ontstane problemen met aandeelhouders, commissarissen, accountant én VK, maar niemand vond het nodig snel en daadkrachtig in te grijpen. Persoonlijk vond ik het niet langer verantwoord om die tussenpersonen ontwetend te houden. Ik moest hen derhalve vertrouwelijk melden dat zij zaken doen met Vie d’Or beter konden uitstellen om niet nog meer argeloze verzekerden in een mogelijke ramp te betrekken. Pas toen er geruchten over Vie d’Or opstaken heb ik, uiteindelijk met toestemming van de aandeelhouders, de vakpers gemeld dat de informatie welke zij begin oktober hadden gekregen, niet klopte.”
Historie
Levensverzekeringsmaatschappij Vie d’Or kreeg op 28 oktober 1985 een vergunning van de Verzekeringskamer. In Veldhoven werd op dat moment de directie gevoerd door belegger F.A. (Frans) Maes en accountant H.P. van Leeuwen. Van Leeuwen werd later opgevolgd door G.D. (Gerard) van Santen én J.A. (Johan) Stevens. Vie d’Or wilde individuele pensioenverzekeringen, verbonden aan beleggingen, aanbieden aan relaties van accountants. Als verkoopmethode gold heel kort direct-writing, waarna werd gekozen voor samenwerking met een selecte groep tussenpersonen.
In de eerste twee jaar bleef de premieomzet beperkt tot # 2 mln. In 1989 werd nog een nevenvestiging geopend op Curaçao, waarna in 1990 een explosieve groei volgde tot # 92 mln premie. In het laatste jaar van bestaan (1993) bedroeg de premieomzet nog # 29 mln. Vie d’Or behaalde alleen in 1989 een positief nettoresultaat. Ten tijde van de ondergang van Vie ‘d Or waren de aandeelhouders: Frans Maes, Banque de Suez, Janivo Participaties (van de familie De Pont, voormalig Mercedes-importeurs) en Berk Holding (van Volkswagen-importeur Pon).
Rechtszaak
In november 2001 stelde de rechtbank in Den Haag accountantskantoor Deloitte & Touche aansprakelijk voor schade van de 11.000 bij de Stichting Vie d’Or aangesloten polishouders. Die schade is door KPMG geraamd op bijna # 90 mln. Certificerend actuaris Heijnis & Koelman kreeg wel enkele verwijten van de rechter, maar is niet aansprakelijk gesteld, wat evenzeer geldt voor de Pensioen- en Verzekeringskamer. Zowel de accountants als de Stichting Vie d’Or en de curator van Vie d’Or zijn in beroep gegaan tegen dit vonnis.
Het directietrio van Vie d’Or in 1990: Frans Maes, Gerard van Santen en Johan Stevens.
Lieuwma: ‘Laat me lekker in de luwte’
Bert Lieuwma verdween na het echec met Vie d’Or volledig uit het assurantiebeeld. De kortstondige Vie d’Or-directeur wil dat graag zo houden: “Laat mij maar lekker in de luwte”.
Lieuwma werd op 1 november 1993 algemeen directeur van Vie d’Or, als opvolger van directeur-grootaandeelhouder Frans Maes. Lieuwma kwam van AXA Equity & Law, de club van huidig Achmea-topman Gijs Swalef. Op 15 december 1993 eindigde zijn zeggenschap, toen de Verzekeringskamer de noodregeling afkondigde over Vie d’Or. Helemaal verdwenen uit de assurantiewereld is hij niet. “Ik doe, al sinds 1995, aan productontwikkeling; vooral rond het thema wonen, met schadeverzekeringen en aanverwante diensten.”
Op Lieuwma’s deurmat in Wassenaar ploft nog iedere veertien dagen een editie van AssurantieMagazine. “Leuk idee zo’n jubileumkrant”, zegt hij, maar meewerken aan een historisch verzekeringsoverzicht met daarin Vie d’Or wil hij pertinent niet. “Ik heb de Stichting Vie d’Or en dan met name Jaap van Rijn de belofte gedaan nooit meer op de gang van zaken bij Vie d’Or in te gaan. Ik heb veel respect voor die man en wil me dus aan die belofte houden”, zo zegt hij.
Bert Lieuwma, nadat hij in 1987 was uitgeroepen tot salesmanager van het jaar.
Frans Maes drinkt alleen bitter lemon met Bert Lieuwma
Frans Maes droeg per 1 november 1993 de feitelijke leiding van Vie d’Or “om gezondheidsredenen” over aan Bert Lieuwma. Fouten in de boekhouding kwamen toen snel aan de orde en ‘zijn’ Vie d’Or viel om. Hij kwam in september 1997 nog één keer terug in de publiciteit met zijn rapport ‘De financiële situatie van Vie d’Or per 31 oktober 1993’. Sindsdien leeft Maes meestentijds in Canada.
Het rapport was – uiteraard – een pleidooi voor vrijspraak van zichzelf. Het vermogen van Vie d’Or was niet # 36 mln negatief maar # 78 mln positief, zo had Maes berekend. Nee, Lieuwma – door Maes categorisch aangeduid als “mijn opvolger” – en de Verzekeringskamer waren in de ogen van de Brabander de boosdoeners van alle rampspoed. “Ik ben één van de slachtoffers, zowel in publicitaire als in financiële zin”, stelde Maes. Om daar vervolgens aan toe te voegen dat hij door rekenfouten bij de overdracht van polissen naar Twenteleven (Levob) nog wel 140% van zijn inleg op zijn eigen Vie d’Or-polis had teruggekregen.
Nog eens zes jaar later laat Maes, op verzoek van het jubilerende AM, nog eens van zich horen. “Natuurlijk ben ik deze zaak doodmoe”, erkent hij. “Het heeft al meer dan tien jaar mijn leven beheerst en ook verpest. Desondanks begrijp ik de aandacht van de pers: de affaire was te ingrijpend voor de verzekeringsbranche.”
Klopt het dat u nog steeds beschikt over een inschrijving in het SER-register van assurantietussenpersonen?
“Ja, die inschrijving heb ik nog; compleet vergeten uit te schrijven. Misschien moet ik die inschrijving wel handhaven, voor het geval ik de tijd weer rijp acht het universal-lifeprincipe nog eens van stal te halen.”
Onlangs werd een nieuw bedrijf in het SER-register ingeschreven onder de naam M.A.E.S. Hypotheken. Goede naam voor een intermediair?
“Als ik zelf zou beginnen, zou ik zeker onder mijn eigen naam naar buiten treden, maar voor deze eigenaar lijkt mij deze naam niet geschikt. Is deze mijnheer misschien erg jong?”
Komt u bij gelegenheid nog mensen uit de verzekeringsbranche tegen en is Vie d’Or dan het enige onderwerp van gesprek?
“Ja, en natuurlijk komt Vie d’Or dan ter sprake. Gelukkig gebeurt dat niet meer zo emotioneel en niet meer zo inhoudelijk.”
Stel: u hebt een tafeltje gereserveerd in een restaurant en merkt bij binnenkomst dat Bert Lieuwma direct naast u aan een tafeltje zit?
“Ik denk dat de woede die in mij zou opkomen na tien jaar wel op te vangen is. Maar ik zou toch zó gaan zitten, dat ik de minste last van hem zou hebben. Overigens zou het probleempje zichzelf wel oplossen, want ik denk dat mijn opvolger zelf zou opstappen.”
Goed dat er een Pensioen- en Verzekeringskamer is?
“Natuurlijk is het goed dat er een controlerend apparaat is, alleen moeten de benoemden aan oplossingen willen denken en niet in de eerste plaats aan hun imago. Veel schade had voorkomen kunnen worden als men in 1993 een bekwame bewindvoerder had benoemd, in plaats van iemand die meer aan zijn hondjes en de drank dacht. Zo had mijn opvolger vrij spel om zijn desastreuze plan ten uitvoer te kunnen brengen.”
Met wie drinkt u liever een glaasje aan de bar: Ton Kool of Bert Lieuwma?
“Bij deze vraag komt er bij mij onvermijdelijk een titel van een film in mijn hoofd. Een western: ‘the good, the bad and the ugly’. Alleen zou de titel hier dan moeten zijn: ‘The Coward, the Mean and the Stupid’, waarbij ik mezelf de rol van The Stupid heb toebedacht. Ton Kool is natuurlijk The Coward en voor The Mean komt er maar één in aanmerking: mijn opvolger. Dus dat glaasje zou ik – als het dan moet – met mijn opvolger drinken, bitter lemon.”
Vie d’Or staat vrijwel gelijk aan terugblikken op een dieptepunt. Op welk(e) hoogtepunt(en) in de verzekeringswereld kijkt u met genoegen terug?
“De introductie van ‘Het Indivueel Depot Plan’. Het was en is een enorme stap voorwaarts in verzekeringsland wat betreft openheid naar de premiebetaler toe. Openheid over de kosten en zelf kunnen bepalen hoe en waarvoor de premie wordt aangewend, over de afkoopwaarde, etcetera. Misschien voor die tijd en ook nu nog iets te open?”
Waar hebt u zich de afgelopen tien jaar mee beziggehouden en wat doet u nu?
“Eigenlijk heb ik de eerste vijf jaren niets anders kunnen doen dan mij verdedigen. Dat heeft me op de been gehouden. Omdat ik een ‘paria’ was geworden, heb ik me neergelegd bij mijn gedwongen pensionering.”
Frans Maes vindt zichzelf ‘de domme’ in de zelf bedachte film ‘The Coward, The Mean and The Stupid’.
Ex-toezichthouder Ton Kool praat niet over ‘een dieptepunt’
Als bestuurslid van de Verzekeringskamer (VK) viel Ton Kool in 1992 met z’n neus in de boter. Hij had amper de directie van Aegon Nederland ingeruild voor een toezichthoudende rol op verzekeringsland, of de ondergang van levensverzekeraar Vie d’Or kondigde zich aan.
“Een leerzame periode”, zoals hij het nu omschrijft, voor een toen toch al ervaren bestuurder. Kool werkte in totaal 24 jaar voor Aegon en diens rechtsvoorgangers Nillmij en Ennia en vervulde vooral in de laatste jaren van dit dienstverband diverse nevenfuncties, waaronder bestuurslid van de Nederlandse Vereniging van Levensverzekeraars en voorzitter van de Stichting Vakontwikkeling Verzekeringsbedrijf. Tussen 1992 en 2000 was hij, samen met Arend Vermaat en Piet Keizer, bestuurder van de Verzekeringskamer.
De affaire Vie d’Or was beeldbepalend voor die periode. “Het luidde de meest hectische periode in de historie van de Verzekeringskamer in. Het was een zeer leerzame periode. Duidelijk werd, althans voor velen, dat ook goed toezicht geen garantie biedt dat er nooit eens iets mis kan gaan.” Over dat begrip ‘goed toezicht op Vie d’Or’ zullen velen willen redetwisten. Duidelijk is wel dat de toenmalige VK in 1993 de deur in Veldhoven plat liep. “De VK wist zelfs wanneer en hoe lang Frans Maes naar het toilet ging”, zo liet een ingewijde zich ooit treffend ontvallen.
Tien jaar na dato stelt AM aan Ton Kool vergelijkbare vragen als aan zijn toenmalige ‘tegenstrever’ Frans Maes.
Stel: u hebt een tafeltje gereserveerd in een restaurant en merkt bij binnenkomst dat Frans Maes direct naast u aan een tafeltje zit?
“Dan zou ik hem een hand geven en vragen hoe het gaat. En vervolgens met mijn eigen gasten gezellig gaan tafelen. Bij Bert Lieuwma zou ik precies hetzelfde doen.”
Onlangs werd een nieuw bedrijf in het SER-register voor assurantietussenpersonen ingeschreven onder de naam M.A.E.S. Hypotheken. Goede naam voor een intermediair?
“De desbetreffende tussenpersoon heeft daar vast wel over nagedacht.”
Komt u bij gelegenheid nog mensen uit de verzekeringsbranche tegen en is Vie d’Or dan het enige onderwerp van gesprek?
“Het praten over Vie d’Or is de laatste jaren sterk afgenomen. Ik heb niet de indruk dat het onderwerp na tien jaar nog erg leeft. Van praten over Vie d’Or wordt ik overigens niet moe.”
Vie d’Or staat vrijwel gelijk aan terugblikken op een dieptepunt. Op welk(e) hoogtepunt(en) in de verzekeringswereld kijkt u met genoegen terug?
“Ik zou niet zo gauw het woord ‘dieptepunt’ gebruiken. En bij hoogtepunt denk ik niet aan één moment, wel aan ontwikkelingen. Wat sterk van invloed is geweest en nog is op de bedrijfstak verzekeringen, is de salami-achtige wijze waarop de fiscale voordelen van de levensverzekeringsklant zijn afgebroken. En ten tweede noem ik dan het door Brussel – en in het spoor daarvan Nederland – omhelzen van het mededingingsdogma, daarmee de mogelijkheid openend tot ongebreidelde concurrentie. De taxiwereld is een fraai voorbeeld hoe mis dat kan gaan. Maar ja, dit is wellicht het nostalgische geluid van een wat ouder wordende ex-verzekeraar en dito toezichthouder.”
Waar hebt u zich de afgelopen tien jaar mee beziggehouden en wat doet u nu?
“Ik heb mij verder verdiept in het mooiste ‘vak’ dat er is, wiskunde. Ik heb veel getennist en gefietst, vele theaters en musea bezocht en geschreven aan een vervolg op mijn boekje ‘Kunnen konijnen tennissen?, een verhaal over wiskunde, tennis en bier’. Verder ben ik lid geweest van de voormalige Toetsingscommissie Rendement en Risico, heb af en toe een presentatie gehouden en een artikeltje geschreven en desgevraagd aan diverse instellingen en personen adviezen gegeven.”
“Officiële functies die ik nog bekleed, zijn: commissaris van Robein Bank en Robein Leven, bestuurslid van het Contractspelersfonds KNVB (CFK), lid van de Raad van Advies College Bescherming Persoonsgegevens en voorzitter van de Financial Sciences Foundation.”
Ton Kool: “Kunnen konijnen tennissen?”.

Reageer op dit artikel