nieuws

Fiscale aspecten pensioensparen (I)

Archief

Levensverzekeraars en assurantietussenpersonen hebben een nieuwe markt ontdekt: het door werknemers individueel bijsparen van pensioen. Nieuwe producten, trainingen, marketingacties en reclamecampagnes worden ingezet in de strijd om de klant. De pensioenjuristen van PriceWaterhouseCoopers nemen in deze rubriek de fiscale aspecten onder de loep.

Door Alfred Lagendijk en Natasja Winter
In Nederland kan pensioen in de tweede pijler – pensioen uit de arbeidsverhouding – worden opgebouwd via een salaris/diensttijdstelsel (eindloon en middelloon) of via het beschikbare-premiestelsel. De wetgever stelt fiscale maximale eisen aan een (collectief) pensioen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet fiscale behandeling van pensioenen op 1 juni 1999 (hierna: de wet) en de publicatie van het Besluit van 4 november 2000 (nr. RTB 2000/969M, hierna: het staffelbesluit), kan redelijk nauwkeurig worden bepaald wat fiscaal gezien de maximale grenzen van pensioen zijn en hoeveel er dan nog kan worden bijgespaard.
In deze bijdrage wordt ingegaan op het fiscale raamwerk, in de volgende aflevering (in AM 9 van 25 april) gaan wij in op de praktische gevolgen.
Opbouwfase
Voor bijsparen zijn er twee voorwaarden: de basispensioenregeling moet fiscaal gezien nog ruimte bieden én in de toezegging, respectievelijk het pensioenreglement moet expliciet een individuele vrijwillige bijspaarmogelijkheid zijn opgenomen.
Tijdens de opbouwfase kan er worden bijgespaard, indien de basispensioenregeling binnen de wettelijke fiscaal maximale kaders blijft. De fiscale ruimte bij de salaris/diensttijdregelingen hangt af van de hoogte van het opbouwpercentage, de definitie van pensioengevend loon en de gehanteerde franchise. Als het opbouwpercentage in de regeling lager is dan 2% (bij middelloon 2,25%) per dienstjaar van het pensioengevend loon, kan er worden bijgespaard. Wordt in de basispensioenregeling alleen het vaste salaris meegenomen in de berekening van het pensioengevend loon, dan kan – in een eindloonregeling onder voorwaarden en in een middelloonregeling altijd – over bonussen en tantièmes extra pensioen worden opgebouwd. Een derde component is de franchise: een hogere franchise dan de fiscaal minimale, biedt fiscale ruimte om bij te sparen. Tot slot kan er fiscale ruimte worden gevonden in het vervroegen van de pensioendatum: het sparen om eerder te kunnen stoppen met werken.
Een beschikbare-premieregeling biedt fiscale ruimte als de staffel in de regeling ligt onder de maximale beschikbare-premiestaffels, zoals gepubliceerd in het staffelbesluit. Ook kan ruimte worden gevonden in de definitie van het salaris respectievelijk het pensioengevend loon. Let wel: de pensioenregeling moet de bijspaarmogelijkheid expliciet vermelden!
Uitkeringsfase
Fiscaal gezien mag pensioen niet uitkomen boven 100% van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang. Voor wat betreft het bepalen van het moment waarop de 100%-toets moet worden gemaakt, wordt een onderscheid gemaakt voor de salaris/diensttijdregelingen (eindloon en middelloon) en de beschikbare-premieregelingen. Als hoofdregel geldt dat het pensioen moet ingaan op de in de regeling genoemde ingangsdatum. Die datum is uiterlijk de dag waarop de werknemer 70 jaar wordt.
In verband met de 100%-toets moet bij een salaris/diensttijdregeling het pensioen in de volgende situaties op een ander tijdstip in te gaan:
– Als wordt doorgewerkt, moet het ouderdomspensioen ingaan op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking;- Als het ouderdomspensioen voor de leeftijd van 65 jaar de 100%-grens bereikt, moet het pensioen ingaan op het moment waarop de werknemer 65 jaar wordt (het pensioen moet worden bevroren op het moment dat de 100%-grens wordt bereikt);- Als het ouderdomspensioen de 100%-grens bereikt na de leeftijd van 65 jaar, moet het ouderdomspensioen ingaan op het moment van het bereiken van de 100%-grens.De toetsing van de 100%-grens bij beschikbare-premieregelingen vindt plaats op het tijdstip waarop voor het eerst de aanspraak ontstaat (de datum van deelname aan de regeling) en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de ingang van het pensioen (één dag vóór pensionering). Als op de pensioendatum blijkt dat het pensioen boven de 100%-grens ligt, wordt het meerdere boven de 100% op de pensioendatum in één keer uitgekeerd en als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking belast (in box 1).
Bijsparen
Als de pensioenregeling fiscale ruimte biedt, kan (onder voorwaarden) worden bijgespaard. Bij een salaris/diensttijdregeling worden de bij te sparen aanspraken in euro’s uitgedrukt. De pensioenuitvoerder moet dan een berekening maken voor de individuele koopsommen die moeten worden betaald voor de aanspraken. Bij een beschikbare-premieregeling kan op eenvoudige wijze worden vastgesteld hoeveel maximaal in euro’s kan worden bijgestort door de staffel van de pensioenregeling te vergelijken met de staffel in de bijstortregeling. Dit is voor de deelnemer wat inzichtelijker en voor de pensioenuitvoerder makkelijker.
De bijspaar-excercitie is eenvoudig in het geval de aanvullende bijspaarregeling hetzelfde pensioenstelsel kent als de basisregeling. Complexer wordt het indien de basisregeling op basis van eindloon of middelloon is, terwijl de aanvullende bijspaarregeling als basis een beschikbare premie kent of omgekeerd. Bij deze zogenaamde combiregelingen wordt wel bepleit dat de methodiek van het stelsel waarover voor het grootste gedeelte pensioen wordt opgebouwd, doorslaggevend is voor het uitvoeren van de 100%-toets en het bepalen van het tijdstip van ingang van het pensioen. Dit is dus vrijwel altijd de methodiek van de basisregeling.
Inhalen en inkopen
Het is mogelijk om een niet-benutte jaarruimte later te gebruiken en pensioenrechten ‘in te halen’ of ‘in te kopen’. We spreken van ‘inhaal’ als bij de huidige werkgever pensioenrechten worden bijgespaard, omdat in het verleden nog niet het fiscaal maximale is opgebouwd. Inkoop van pensioen is mogelijk als het totaal van de bij vorige werkgevers opgebouwde pensioenrechten onder het fiscale maximum ligt, dat had kunnen worden opgebouwd als alle verstreken werkelijke dienstjaren bij de huidige werkgever zouden zijn doorgebracht. Een werkgever kan in zo’n geval de pensioenregeling uitbreiden met een aanvullende module, die aanvulling van het pensioen tot het fiscale maximum mogelijk maakt.
Bij een salaris/diensttijdregeling kennen we ‘inkoop’ in de vorm van het wettelijke recht op waardeoverdracht. Er kunnen dienstjaren uit vorige dienstbetrekkingen worden ‘overgedragen’ naar de nieuwe pensioenregeling. Inkoop van dienstjaren van vóór 8 juli 1994 – het moment waarop het recht op waardeoverdracht in werking trad – is mogelijk als er sprake is van een pensioentekort (ook van belang voor de lijfrenteruimte).
Bij beschikbare-premieregelingen is het eveneens mogelijk om de in een bepaald jaar niet-benutte ruimte in een later jaar alsnog in te halen respectievelijk in te kopen. Dit kan alleen als het een pensioenregeling betreft die onder de fiscale maximale grenzen ligt. Inhaal en inkoop door middel van een beschikbare premie kan ook in aanvulling – dus als bijspaarmodule – op een eindloon- of middelloonregeling. De berekeningsmethodiek hiervoor is in het Besluit van 11 december 2002 (CPP2002/1448M) uiteengezet en toegelicht.
Conclusie
Pensioensparen in de tweede pijler is aantrekkelijk op basis van de mogelijkheden in de huidige wetgeving. Het fiscale raamwerk omvat veel elementen, is gedetailleerd en soms niet geheel duidelijk. Een absolute voorwaarde voor een bijspaarregeling is aandacht voor de fiscale vereisten.
Pensioenen & Verzekeringen van PriceWaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel