nieuws

Fiscale aspecten pensioensparen (2)

Archief

Levensverzekeraars en assurantietussenpersonen hebben een nieuwe markt ontdekt: het door werknemers individueel bijsparen van pensioen. Nieuwe producten, trainingen, marketingacties en reclamecampagnes worden ingezet in de strijd om de klant. In twee afleveringen van deze rubriek (zie ook AM 7, pag. 42) worden de fiscale aspecten onder de loep genomen.

Door Alfred Lagendijk
Zoals in de vorige aflevering van AM Fiscaal besproken, is er een variatie aan mogelijkheden voor pensioensparen. In deze aflevering komt de praktische invulling en uitvoering aan de orde. Daarnaast wordt aandacht besteed aan enkele knelpunten bij het succes van een bijspaarregeling.
Fiscale ruimtes
De fiscale ruimtes voor pensioensparen laten zich het gemakkelijkst berekenen aan de hand van een voorbeeld:
– een werknemer met de leeftijd 45;- (vast) pensioengevend salaris e 74.000;- het niet-pensioengevend salaris voor 2003 is e 30.000;- franchise in de pensioenregeling is e 14.000, de fiscale minimale franchise is e 10.000;- een eindloonpensioenregeling van 1,75% per dienstjaar;- pensioenleeftijd is 62;De werknemer is op z’n 22e begonnen met werken en werkt sinds zijn veertigste in zijn huidige functie. Hij heeft in zijn vorige baan vijf jaar pensioen opgebouwd, dat is overgedragen naar zijn huidige pensioenregeling. Deze overdracht heeft hem in zijn nieuwe dienstbetrekking drie dienstjaren opgeleverd. Tussen 22 tot 35 jaar heeft hij in meerdere dienstbetrekkingen pensioen opgebouwd ter grootte van e 6.000.
De eerste bijspaarmogelijkheid is er over het vaste salaris. De extra aanspraak op 62 bedraagt vijf jaar maal (2% – 1,75%) maal (e 74.000 – e 14.000) = e 750. Over de komende jaren kan hij vervolgens elk jaar bijsparen de koopsom behorende bij 0,25% vermenigvuldigd met de laatste verhoging van de pensioengrondslag.
Tweede mogelijkheid is het bijsparen over de ruimte tussen de in de pensioenregeling gehanteerde franchise en de in de wet op de loonbelasting genoemde franchise. Deze ruimte bedraagt in dit voorbeeld e 4.000 en kan in de huidige dienstbetrekking vanaf veertig jaar als opbouw over de extra pensioengrondslag bij elkaar gespaard worden. Omdat dit een nominaal bedrag is, stelt de belastingdienst dat dit door middel van een systeem van vaste koopsommen dient te gebeuren. Let wel dat deze franchise fluctueert, omdat de fiscale franchise is gekoppeld aan de AOW – en dus jaarlijks wordt geïndexeerd – en de franchise in het pensioenreglement ook gekoppeld zal zijn aan een indexatie. Voor deze werknemer bedraagt de extra in te kopen pensioenaanspraak: e 4.000 maal 2% = e 80. Door middel van een vaste koopsom moet het te storten bedrag worden bepaald.
Variabel loon
Over variabele loonbestanddelen kan een bedrag worden gespaard gelijk aan het bedrag van het variabele loon. Het percentage uit het staffelbesluit van 4 november 2000 dat maximaal gehanteerd kan worden bedraagt 24,5% over e 30.000. De werknemer kan derhalve e 7.350 storten.
Een vierde mogelijkheid is bijsparen over verloren dienstjaren na waardeoverdracht. Een werknemer die van werkgever wisselt zal na een waardeoverdracht in het algemeen minder dienstjaren terugkrijgen dan hij feitelijk heeft doorgebracht in zijn vorige dienstbetrekking. Meestal komt dit door een hoger salaris in de nieuwe functie. In dit geval mist hij twee dienstjaren. Hij kan een pensioen inkopen dat hoort bij een pensioenrecht van 2% maal (24,5% maal e 60.000) = e 588.
Verleden
En dan kan er nog worden bijgespaard over het verleden. Een werknemer die in het verleden te weinig pensioen heeft opgebouwd kan dat pensioen inkopen. Die inkoop bestaat uit twee componenten: een tekort in de huidige dienstbetrekking en een tekort over diensttijd die is doorgebracht over dienstjaren vóór 8 juli 1994. Het eerste tekort zal in dit geval beperkt zijn, omdat er sprake is van een eindloonstelsel waardoor bij salarisverhogingen een backservice ontstaat. Bij een middelloonstelsel en beschikbare premieregeling zal er eerder sprake zijn van een tekort in de huidige dienstbetrekking. Hooguit zou over variabele loonbestanddelen uit het verleden pensioen kunnen worden opgebouwd.
De inkoop over dienstjaren vóór 8 juli 1994 gaat met name over pensioen waarvoor geen waardeoverdracht heeft plaatsgevonden. De werknemer uit het voorbeeld kan in dit geval een pensioenrecht inkopen van dertien jaar maal 2% maal e 60.000 = e 15.600 minus e 6.000 (reeds opgebouwde rechten) = e 9.600. Let op, bij toekomstige salarisverhogingen kan ook over deze oude diensttijd meer worden ingekocht. Bedenk wel dat ook oude rechten (dus de e 6000) in waarde toenemen, omdat hierover veelal indexatie plaatsvindt. Oude rechten kunnen ook kapitalen in de vorm van een beschikbare premieregeling zijn. Hiervoor hebben wij nog geen waarderingsgrondslagen gezien.
Opmerkingen
Bijsparen kan uiteraard via eenmalige koopsommen en periodieke premies worden gedaan. Lang niet alle werkgevers kennen uitgebreide bijspaarmodules. Als eerste zal bepaald moeten worden hoe de bijspaarregeling van de werkgever eruitziet. Laat die toe om alle fiscale ruimten te benutten of kent deze beperkte mogelijkheden? In het laatste geval kan het succes opleveren de werkgever erop te wijzen, dat het belang van bijsparen voor pensioen toeneemt nu enerzijds spaarloon en premiesparen beperkt respectievelijk afgeschaft is en anderzijds de lijfrenteaftrek alleen over huidige diensttijd is toegestaan, terwijl de inhaalaftrek beperkt is.
Bijsparen over variabele loonbestanddelen is het eenvoudigst te berekenen en waarschijnlijk ook uit te voeren. Bij carrièremakers en oudere werknemers die een aantal malen van baan veranderd zijn, kan het zeer aantrekkelijk zijn om een berekening van een individueel tekort te maken, omdat dat behoorlijk kan oplopen.
Degene die concludeert dat het rekenwerk soms wel erg ingewikkeld kan worden, heeft gelijk: voorlichting is essentieel. In de ervaring die ik tot nog toe heb opgedaan, is voorlichting door werkgever en/of tussenpersoon en/of verzekeringsmaatschappij essentieel. Ook een toegankelijk rekenprogramma, eenvoudige administratieve verwerking van premies en koopsommen en een centraal aanspreekpunt in de organisatie zijn belangrijk.
De fiscus stelt dat bijsparen is toegestaan via een beschikbaar premiesysteem met een tekortenberekening via een eindloonsysteem. Naar mijn mening is het om het even welk systeem wordt gekozen. Niettemin is dit wel het meest praktische. Bij een combinatie van pensioenregelingen (bijvoorbeeld beschikbare premieregeling in combinatie van eindloon of een pensioen in combinatie met een prepensioen) kan het lastig zijn om de fiscale ruimte te bepalen. Raadpleeg bij twijfel een deskundige.
Ten aanzien van de directeur-grootaandeelhouder gelden wat afwijkende regels, die overigens niet gepubliceerd zijn maar binnen de belastingdienst circuleren. Het gaat te ver om deze hier in detail te bespreken. Ik neem dat deze binnen een afzienbare tijd in een besluit worden gepubliceerd.
van PriceWaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel