nieuws

De overgang naar het nieuwe fiscale stelsel voor de DGA

Archief

Door Alfred Lagendijk

In een recent besluit van het ministerie van Financiën wordt op pensioengebied de toepassing van het Witteveen-regime nader neergelegd. Het besluit behandelt de overgang van het pensioen van met name de directeur-grootaandeelhouder naar het nieuwe fiscale stelsel onder het Witteveen-regime. Het besluit heeft verstrekkende gevolgen, waarvan elke adviseur op de hoogte moet zijn.
Uiterlijk op 1 juni 2004 dient elke op 1 juni 1999 bestaande pensioenregeling te zijn aangepast aan het nieuwe fiscale stelsel. Dat is de uiterste datum van het overgangsregime. Indien een pensioenregeling echter tussen 1 juni 1999 en 1 juni 2004 op “een meer dan ondergeschikt punt wordt gewijzigd” dan dient zij op dat moment ook al te worden aangepast. Veel pensioenregelingen zijn dan ook al gewijzigd of hadden aangepast moeten worden.
Voor de ene pensioenregeling heeft de overgang naar het nieuwe fiscale regime verdergaande gevolgen dan voor de andere. Een groep pensioengerechtigden voor wie de gevolgen aanzienlijk zijn, is die van de directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s). De pensioenopbouw van de DGA wordt beperkt, zowel voor de opbouw in eigen beheer als voor de opbouw bij een professionele verzekeraar. Hoewel het gros van de veranderingen wel uit de wetgeving kan worden afgeleid, heeft men op het ministerie van Financiën toch gemeend om hier een besluit aan te wijden; waarschijnlijk om extra duidelijkheid te scheppen over de gevolgen voor de praktijk.
De belangrijkste gevolgen zijn er bij eindloonregelingen. De effecten kunnen desastreus zijn. bij het niet-voldoen aan de nieuwe regels kan het hele pensioen belast zijn met loonbelasting. In geval van eindloonregelingen heeft de overgang tot gevolg dat in de pensioenopbouw een knip wordt aangebracht. Deze knip speelt zowel bij pensioentoezeggingen die geheel of gedeeltelijk in eigen beheer worden gehouden, als bij pensioentoezeggingen die geheel zijn verzekerd.
Gevolgen
Voor de DGA werd onder het oude regime voor de opbouw van het ouderdomspensioen (OP) een opbouwpercentage van 2,33% per dienstjaar toegestaan, voor zover dit ouderdomspensioen tezamen met elders verworven pensioenrechten 70% van het pensioengevend salaris niet te boven ging. De in te bouwen AOW – bedoeld wordt de franchise – mocht zijn gebaseerd op 80% van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Ook mocht de forfaitaire bijtelling wegens het privé-gebruik van een auto van de zaak tot de pensioengrondslag worden gerekend.
De invoering van de wet heeft in zijn algemeenheid de volgende consequenties voor de per 1 juni 1999 bestaande pensioentoezeggingen:
– een voor een op het eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen geldend opbouwpercentage van maximaal 2% van het pensioengevend loon;- de AOW-inbouw dient gebaseerd te zijn op 100% van de AOW-uitkering voor een gehuwde (incl. vakantie-uitkering);- een ter beschikking gestelde auto kan niet tot het pensioengevend loon worden gerekend;- op pensioentoezeggingen waarvan de uitvoering geheel of gedeeltelijk in eigen beheer wordt gehouden, mag loon in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend en dient de AOW-inbouw per dienstjaar te worden gesteld op ten minste de AOW-uitkering voor een ongehuwde persoon vermeerderd met de vakantie-uitkering. De in het overbruggingspensioen begrepen AOW-overbrugging moet afgestemd zijn op het bij het bepalen van het ouderdomspensioen feitelijk in aanmerking genomen AOW-bedrag.Het nieuwe opbouwpercentage dient, als de nieuwe wetgeving op de pensioenregeling van toepassing wordt, wel gehanteerd te worden voor de bepaling van backservice-aanspraken die ontstaan bij verhoging van het pensioengevende loon of pensioengrondslagverbreding. Dit is wel van belang. omdat sommige pensioenberekeningsprogramma’s onder het nieuwe wettelijke stelsel uitgaan van een backservice met een opbouwpercentage van 2,33.
Afzonderlijk recht
Er zijn meerdere methodes om de oude opgebouwde te rechten te waarborgen en te administreren. Een daarvan is de volgende: bepaal op het overgangstijdstip op basis van het dan geldende brutosalaris en de in de regeling geldende verstreken diensttijd, de “opgebouwde” ouderdomspensioenrechten. Daarbij moet uit worden gegaan van: a) de oude pensioenregeling met inachtneming van de daarbij geldende pensioengrondslag en van b)de op de nieuwe wetgeving aangepaste pensioenregeling, eveneens met in achtneming van de bij die wetgeving geldende pensioengrondslag. Het berekende positieve verschil in rechten (a minus b) is als een excedent ouderdomspensioen aan te merken. Het excedent nabestaandenpensioen is te stellen op het product van het overgangspercentage en het excedent ouderdomspensioen. Onder het overgangspercentage wordt in dit verband verstaan het percentage waarmee het nabestaandenpensioen (NP) zich verhoudt tot het ouderdomspensioen (OP).
Op basis van deze eenmalige rekenexercitie kan op een eenvoudige wijze worden berekend welke OP- en NP-bedragen, naast de op basis van de nieuwe wetgeving te verkrijgen aanspraken, reeds zijn opgebouwd en als verdiende aanspraken dienen te worden gerespecteerd. Het excedent-pensioenbedrag mag volgens de wetgever in de loop van de tijd geen wijziging ondergaan. Dit excedent-pensioen wordt als een afzonderlijk recht bijgehouden naast het totaal van de op basis van de nieuwe wetgeving op te bouwen pensioenaanspraken.
Tegemoetkoming
Speciale aandacht verdient nog het tijdelijk ouderdomspensioen. Het besluit stelt dat onder het nieuwe stelsel een hoger tijdelijk ouderdomspensioen mag worden opgebouwd. Immers op grond van de nieuwe wetgeving komt de AOW-overbrugging hoger en de premiecompensatie – inclusief de brutering over de premies volksverzekeringen – lager uit dan volgens de oude wetgeving. Het tijdelijk ouderdomspensioen als geheel (AOW-overbrugging en premiecompensatie tezamen) is onder de nieuwe wetgeving hoger. Men gaat er kennelijk aan voorbij dat ook onder het oude stelsel een hoog tijdelijk ouderdomspensioen wordt opgebouwd.
Ik vermoed dat er in de praktijk heel veel afwijkende regelingen voorkomen. Als tegemoetkoming aan de praktijk mag het tijdelijk ouderdomspensioen worden bepaald op basis van een AOW-overbrugging en een premiecompensatie alsof de nieuwe wetgeving gedurende de gehele looptijd van de pensioenregeling van toepassing is geweest. Dat rekent in elk geval wel gemakkelijker.
Mr. A.S. Lagendijk is werkzaam voor de sectie Pensioenen & Verzekeringen van PriceWaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel