nieuws

Cao-staking 1991 nog altijd controversieel

Archief

Cao-staking 1991 nog altijd controversieel

In 1991 is er voor het eerst in de geschiedenis van de verzekeringsbedrijfstak een cao-staking. Werkgevers en vakbonden staan lijnrecht tegenover elkaar. Dat leidt er toe dat op 19 april van dat jaar ruim 700 werknemers samenkomen in de Nieuwe Kerk in Den Haag om actie te voeren. In de daarop volgende weken worden bij diverse verzekeraars werkonderbrekingen gehouden.
Dienstenbond FNV zet de toon door een vierdaagse werkweek in 1993 te eisen. Dit voorstel stuit op veel verzet van de verzekeraars die tegen elke vorm van arbeidstijdverkorting zijn. Andere voorstellen vanuit de vakbonden (Dienstenbond FNV, Dienstenbond CNV, Unie BHLP en VHP) zijn een loonsverhoging van minimaal 4%, een verlaging van de vut-leeftijd tot 60 jaar voor de binnendienst (was 61 jaar) en tot 59 jaar voor de buitendienst (was 60 jaar), een vaste winstuitkering (13e maand) per jaar en het schrappen van het verplicht benutten van twee roostervrije dagen voor opleiding.
De werkgevers stellen daar een summiere éénjarige cao tegenover, waarin weinig ruimte is voor loonsverhoging. De werkgevers willen verder af van de roostervrije dagen en geven de voorkeur aan een arbeidstijdverkorting (atv) per dag of per week. Ook willen zij de mogelijkheid hebben om 15% (was 7,5%) van de atv te kunnen ‘uitbetalen’. Verder moet de vut-regeling tweezijdig worden: werkgever en werknemer zullen het recht moeten hebben om de vut-regeling te accepteren dan wel af te wijzen. De aanmeldingstermijn moet worden verlengd van een half jaar tot een jaar voor de (vermoedelijke) datum van uittreding.
De spanningen lopen op. Vakbonden spreken over de feodale werkwijze van de werkgevers. De werkgevers op hun beurt vinden dat de vakbonden het juiste verloop van de onderhandelingen in de publiciteit geweld aan doen. De geplande werkonderbrekingen zijn succesvol. In Waalwijk leggen 100 binnendienstmedewerkers het werk voor twee uur neer. De actie werd door het management van Noord-Braband sportief opgevat. Na afloop van de actie vonden de werknemers op elke etage een tekening van directeur Timmermans met het veelzeggende opschrift: ‘Gelukkig, iedereen is er weer…’.
Akkoord
Nadat vakbonden vrezen voor een cao-loos jaar, wordt uiteindelijk toch een akkoord bereikt dat door de bonden ‘neutraal’ wordt voorgelegd aan de leden.
Voor zowel werkgevers als vakbonden was een cao met een looptijd van 1 jaar “onbespreekbaar” geworden. Om toch een compromis te vinden, is gekozen voor een cao met een looptijd van 21 maanden met een aantal nieuwe elementen die volgens de vakbonden de kwaliteit van de cao hebben verbeterd.
De nieuwe cao voorziet onder meer in een structurele loonsverhoging van in totaal 6,75%. Daarboven wordt een eenmalige uitkering van 0,5% gegeven per 1 januari 1992. Over een ander heet hangwijzer, de verlaging van de vut-leeftijd met 1 jaar, zijn partijen het niet eens geworden. Wel is het Verbond van Verzekeraars bereid om buitendienstmedewerkers met 40 dienstjaren in staat te stellen op 58-jarige leeftijd met vervroegd pensioen te gaan.
Vakbonden en werkgevers zijn ook overeengekomen om periodiek overleg te gaan voeren, om eerder in te kunnen spelen op cao-ontwikkelingen en de onderlinge relatie te verbeteren.
“Acties waren voor ons een dubbeltje op zijn kant”
Roland Kemper is in 1987 bij de Unie in dienst getreden als vakbondsbestuurder voor de regio Midden en speciaal belast met de onderhandelingen voor de cao’s verzekeringen binnen- en buitendienst. Hij heeft dat werk zes jaar gedaan. In de zomer van 1993 is hij intern overgestapt naar het Unie-kantoor in Assen en werkt van daaruit tot op de dag van vandaag voor de regio Noord. De helft van zijn tijd besteedt hij aan de cao Woondiensten, die in de sector woningcorporaties geldt. De andere helft van zijn tijd behandelt hij in hoofdzaak individuele problemen van de leden in de regio Noord.
Hoeveel cao-onderhandelingen voor de verzekeringsbedrijfstak heeft u meegemaakt?
“Ik heb vier cao-onderhandelingen in de verzekeringsbedrijfstak meegemaakt: 1988, 1990, 1991 en 1993.”
Wat waren de voorstellen die namens de vakbonden zijn gedaan tijdens het cao-overleg in 1991?
“Een 4% loonsverhoging en een aantal kleinere verbeteringen in de cao. We wilden ook een procedureafspraak over de positie van vakbonden bij wijzigingen in de beloningsstructuren voor de buitendienst. De cao zegt daar niets over. Die regelingen worden op ondernemingsniveau met de ondernemingsraad vastgesteld.”
Op welke punten/onderdelen leidde dat in uw opinie tot een ‘conflict’?
“De werkgevers kwamen met een aantal verslechteringsvoorstellen, met name op het gebied van de vut. Dat was voor de bonden niet acceptabel.”
Wat is er vanuit werkgevers en vakbonden gedaan om tot een oplossing van het conflict te komen?
“Er is eindeloos onderhandeld. Op enig moment, ik meen aan het eind van de vijfde onderhandelingsdag, was er een schorsing waarbij de werkgevers bij monde van de heer Otto (Nederlanden van 1870, tegenwoordig Generali geheten) na een lange schorsing op alle vakbondspunten ‘nee’ zei en alle verslechteringsvoorstellen van werkgeverskant op tafel hield. Er was geen enkele beweging. Ik zag collega Marianne Ramak van de Dienstenbond FNV boos worden. Ze wilde inhoudelijk reageren, maar ik zei dat ze dat maar even niet moest doen. Ik vroeg toen aan de heer Otto waarom werkgevers zich zo star opstelden. De heer Otto sprak toen de voor mij historische woorden: ‘mijnheer Kemper, onze mensen zijn verwend’. Ik vroeg om uitleg. Die kwam: een hele riedel over wat er allemaal aan overbodige luxe in de arbeidsvoorwaarden zat. Daar hebben we toen maar niet meer op gereageerd en een brief aan onze leden geschreven hoe de werkgevers over hen dachten. De verontwaardiging in het land was groot. De nieuwe leden stroomden binnen. Wij hebben toen geen moeite meer gedaan om het conflict te beperken. Als er dan toch ellende komt, kun je het gat maar beter zo groot mogelijk houden. Bovendien was dit de kans waar we al jaren op zaten te wachten om onze positie te versterken door veel nieuwe leden in te schrijven.”
Hebben de werkgevers van te voren kunnen inschatten wat de reactie van de vakbonden zou zijn?
“Werkgevers dachten dat ze ons via eindeloos praten wel tot een akkoord op een relatief lage loonstijging en een verslechtering van de vut via leeftijdsverhoging en uitkeringsverlaging konden krijgen. Men had absoluut de inschatting dat actie voeren niet aan de orde zou zijn. Dat bleek een misrekening. De reden dat de vlam in de pan sloeg was, dat we al jaren achtereen werden geconfronteerd met werkgevers die in feite zeiden: ‘Deze CAO is een onsje minder dan bij de buurman, maar dat vinden wij eigenlijk wel voldoende. Geen zin om te tekenen? Prima, dan maar geen cao en regelen we het wel met de ondernemingsraden of we stellen de arbeidsvoorwaarden eenzijdig vast’. Dit is echter niet eindeloos vol te houden. Er komt altijd een keer een moment dat mensen zo’n opstelling niet langer accepteren. Dat moment was nu gekomen.”
Het conflict tussen werkgevers en vakbonden leidt voor het eerst in de geschiedenis van de cao voor de bedrijfstak tot een landelijke actiedag en werkonderbrekingen. Als u daar nu op terugkijkt, waren die acties dan terecht?
“Gezien de voorgeschiedenis kon het niet anders. Die acties waren nodig om de werkgevers te laten inzien, dat ze op een andere manier met vakbonden moesten omgaan.”
De manier waarop werkgevers omgingen met de vakbonden tijdens de bewuste cao-onderhandelingen is door de vakbonden ‘feodaal’ genoemd. De werkgevers hebben gesteld dat de vakorganisaties het juiste verloop van de cao-onderhandelingen in de publiciteit geweld aandeden. Hoe kijkt u nu terug op deze uitspraken?
“We werden inderdaad geconfronteerd met een feodale houding van de werkgevers, al jaren. Dat moest gewoon anders. Men vond dat wij in de publiciteit een verkeerd beeld schetsten. Dat vonden wij niet. Kennelijk waren er verschillende percepties van de werkelijkheid en publiciteit werd daarbij door beide partijen als middel gebruikt om zijn eigen doelstellingen te bereiken. Zo werkt dat nu eenmaal. Ik heb achteraf het idee dat de verontwaardiging aan vakbondskant beter in de pers overkwam dan de presentatie van de werkgevers dat ze zich toch echt als nette mensen gedroegen. Ze zaten in de verdediging en dat was een rol die ze niet gewend waren.”
De actiedag op 19 april 1991 had een opkomst van ruim 700 werknemers. Voor een branche waar nooit eerder gestaakt werd, een unicum. Heeft deze opkomst u verrast en zo ja waarom?
“Ik zal heel eerlijk zijn. Die acties waren voor ons steeds een dubbeltje op zijn kant. We vonden het doodeng omdat we vooraf steeds onvoldoende indicaties kregen van de te verwachten deelname. Iedere keer was er bij ons weer een zucht van verlichting als we dan weer een paar honderd deelnemers hadden. Bij iedere actie waren er mensen die toezegden mee te doen, om dan vervolgens op het cruciale moment af te haken. We hadden op 19 april gemikt op 1.000 deelnemers. Met 700 zat de kerk krap aan vol.
Soms werd men ook geïntimideerd door werkgevers. Bij een actie bij Nationale-Nederlanden in Den Haag aan de Beatrixlaan wilde men ons niet op straat hebben. Dat stond slordig en daarom werd de parkeergarage ontruimd. Daar stond een podium en een geluidsinstallatie, geregeld door NN. De mensen moesten door de hoofdingang het pand uit onder een overdekte loopbrug door naar de parkeergarage. Ongeveer tien minuten voor aanvang van de bijeenkomst verschenen opeens een aantal leden van de raad van bestuur in die glazen loopbrug, zeer goed zichtbaar. Je moest letterlijk onder ze door. Ongeveer de helft van de mensen liep door, de andere helft liep terug het pand in zodra ze leden van de raad van bestuur zagen. Vervolgens viel de opkomst dus tegen.”
Heeft de landelijke actiedag en de werkonderbrekingen naar uw mening de opstelling van de werkgevers in het conflict veranderd? Met andere woorden, was het een reden om toch weer met de bonden aan tafel te gaan zitten en de onderhandelingen tot een goed einde te brengen?
“Gemiddeld twee keer per week was er ergens een werkonderbreking. Daar wilde men snel vanaf. Het gaf veel te veel onrust en voor werkgevers ongewenste publiciteit. Ik denk dat we zonder die acties een hele slechte cao hadden moeten afsluiten, die in hoge mate door werkgevers gedicteerd zou zijn.”
Bent u tevreden met de cao zoals die uiteindelijk tot stand is gekomen? Of bent u van mening dat te weinig aan de eisen van de vakbonden tegemoet is gekomen?
“Ik ben heel tevreden over wat we toen hebben afgesproken. Men wilde graag een tweejaarscontract om voorlopig weer rust in de bedrijfstak te hebben. Dat heeft werkgevers geld gekost in de onderhandelingen.”
Als u terug kijkt op de cao-onderhandelingen van 1991, wijken die dan erg af van de andere cao-onderhandelingen in de branche die u heeft meegemaakt? Zo ja, op welke manier?
“1991 was het draaipunt. Onze positie is toen wezenlijk versterkt. Door de acties werd duidelijk dat werkgevers niet alles in hun macht hebben en dat de vakbeweging een serieuze tegenkracht is.”
Hebben de cao-onderhandelingen van 1991 tot gevolg gehad dat er een andere relatie is ontstaan tussen vakbonden en werkgevers. Is deze relatie wellicht zakelijker of harder geworden? Of juist niet?
“Ik denk dat er toen iets is verschoven. De omstandigheden zijn nu volstrekt anders. Er zijn een aantal grote fusies geweest, onderling en met banken. Er zijn een aantal ondernemings-cao’s ontstaan waardoor van de klassieke grote vier verzekeraars van toen, alleen nog Aegon onder de bedrijfstak-cao valt.”
“Het aantal van 700 op 40.000 werknemers is niet erg groot”
Erik Wervelman, inmiddels gepensioneerd, heeft van 1970 tot 2000 gewerkt bij het Verbond van Verzekeraars als secretaris Sociale Zaken. In deze functie was hij steeds nauw betrokken bij het overleg over het sociaal beleid en meer in het bijzonder het cao-overleg voor de bedrijfstak.
Hoeveel cao-onderhandelingen heeft u voor het Verbond van Verzekeraars meegemaakt?
“Hoeveel cao-onderhandelingen ik heb meegemaakt zou ik niet precies weten. Laten we maar zeggen: vele.”
Wat waren de voorstellen die namens de werkgevers gedaan zijn tijdens het cao-overleg in 1991?
“Voor de onderhandelingen in 1991 waren de belangrijkste punten van werkgeverszijde:
– een gematigde loonontwikkeling;- roostervrije dagen omzetten in ATV per dag of per week om de personeelsbezetting te vergroten; voorts de mogelijkheid creëren om meer ATV uit te betalen;- deelname aan de VUT tweezijdig maken; zowel de werknemer als de werkgever moeten het recht hebben om een voorstel te doen respectievelijk af te wijzen om van de vut-regeling gebruik te maken.”Op welke punten leidde dat in uw opinie tot een ‘conflict’ met de vakbonden?
“De conflicten ontstonden mijns inziens door de grote lijst van verlangens van de verschillende vakorganisaties (in totaal 117 items). Dat leidt ertoe dat de onderhandelingen veel tijd vergen, omdat alle items de revue moeten passeren, en evenzeer leidt dat ertoe dat relatief veel wensen zullen worden afgewezen. De vakorganisaties eisten verder een loonsverhoging van 4%, werkgevers stelden 2,5% voor in een 1-jarige cao. Andere wensen van de vakorganisaties waren uitbreiding van de arbeidstijdverkorting, deeltijd-vut, verlaging van de vut-gerechtigde leeftijd naar 60 jaar voor de binnendienst en 59 jaar voor de buitendienst. Werkgevers wilden de vut een tweezijdig karakter geven. Verder pleitten de vakbonden voor een raam-cao voor de gehele financiële sector in plaats van de bedrijfstak-cao. De FNV tenslotte wilde een vierdaagse werkweek invoeren via uitbreiding van de ATV-dagen.”
Wat is er vanuit de werkgevers gedaan om tot een oplossing te komen?
“Werkgevers hebben getracht via informeel overleg oplossingen te bereiken.”
Hebben de werkgevers van te voren ingeschat wat de reactie van de vakbonden zou zijn?
“Het was natuurlijk van tevoren duidelijk dat het lastige onderhandelingen zouden worden. Maar het was andere jaren niet wezenlijk anders, omdat uiteraard de verlangens van partijen uiteenlopen. De strijd in 1991 was wel feller.”
Het conflict tussen werkgevers en vakbonden leidt voor het eerst in de geschiedenis van de cao voor de bedrijfstak tot een landelijke actiedag en werkonderbrekingen. Als u daar nu op terugkijkt, waren die acties dan terecht?
“De vakorganisaties zullen de landelijke actiedag en de werkonderbrekingen ongetwijfeld als terecht beschouwen. De acties waren echter niet productief om in een redelijke tijd tot een voor beide partijen aanvaardbare nieuwe cao te komen.”
De manier waarop werkgevers omgingen met de vakbonden tijdens de bewuste cao-onderhandelingen is door de vakbonden ‘feodaal’ genoemd. De werkgevers hebben gesteld dat de vakorganisaties het juiste verloop van de cao-onderhandelingen in de publiciteit geweld aandeden. Hoe kijkt u nu terug op deze uitspraken?
“Vakorganisaties brachten de gang van zaken bij het cao-overleg wel erg ongenuanceerd in de publiciteit, waardoor een vertekend beeld ontstond. Werkgevers vonden dat geen zuiver spel. Ging het nog wel met open vizier? Vakorganisaties stuurden aan op een confrontatie door na een eerste bod van werkgevers niet verder te onderhandelen en een lange adempauze in te lassen, gedurende welke de publiciteit en de werknemers konden worden bespeeld. Werkgevers vonden de wijze van het voeren van cao-overleg niet juist, niet vruchtbaar en dat zullen ze ongetwijfeld nog steeds vinden. Met verschillen van mening moet je zakelijk proberen om te gaan.”
De actiedag op 19 april 1991 had een opkomst van ruim 700 werknemers. Voor een branche waar nooit eerder gestaakt werd, een unicum. Heeft deze opkomst u verrast en zo ja waarom?
“Het aantal van 700 op 40.000 werknemers is niet erg groot.”
Heeft de landelijke actiedag en de werkonderbrekingen de opstelling van de werkgevers in het conflict veranderd? Met andere woorden, was het een reden om toch weer met de bonden aan tafel te gaan zitten en de onderhandelingen tot een goed einde te brengen?
“De landelijke actiedag heeft niet veel wijziging gebracht in de opstelling van werkgevers. Met of zonder acties: je moet toch weer met elkaar als partijen gaan onderhandelen, want je wil een cao. Overigens niet tot iedere prijs, anders maar geen contract. Dat kan ook wel eens heilzaam zijn.”
Bent u tevreden met de cao zoals die uiteindelijk tot stand is gekomen? Of bent u van mening dat te weinig aan de eisen van de werkgevers tegemoet is gekomen?
“Onderhandelaars zijn altijd gematigd tevreden. Dat geldt voor beide partijen. Als een van beide partijen na afloop werkelijk staat te jubelen, ondervindt hij toch bij de volgende onderhandelingen extra zwaar verzet.”
Als u terug kijkt op de cao-onderhandelingen van 1991, wijken die dan erg af van de andere cao-onderhandelingen die u heeft meegemaakt? Zo ja, op welke manier?
“De onderhandelingen van 1991 wijken niet wezenlijk veel af van andere onderhandelingen. De emoties speelden een grotere rol.”
Hebben de cao-onderhandelingen van 1991 tot gevolg gehad dat er een andere relatie is ontstaan tussen vakbonden en werkgevers. Is deze relatie wellicht zakelijker of harder geworden? Of juist niet?
“Over langere tijd gezien is er door de onderhandelingen in 1991 geen andere relatie ontstaan tussen partijen. Het is ook de vraag of het de positie van de vakorganisaties heeft versterkt. De relatie tussen partijen wordt voorts voor een deel ook bepaald door de personen. Daar komt bij dat de hele samenleving harder en zakelijker is geworden, dus ook het cao-overleg. Ik herinner mij overigens dat we kort na de onderhandelingen aan een heel geanimeerde rijsttafel met de onderhandelaars van de vakorganisaties hebben gezeten waar veel is gelachen. Maar daarover lees je natuurlijk nooit in de krant.”

Reageer op dit artikel