nieuws

Beloningstransparantie houdt gemoederen bezig

Archief

Transparantie van de beloning van het intermediair is een heikel punt. Dat bleek eens te meer tijdens een debat over dit onderwerp tussen Jurjen Oosterbaan Martinius (D&O) en professor Edgar du Perron (Universiteit van Amsterdam). Beide heren gingen bij de Haagse Assurantie Club weliswaar niet met elkaar op de vuist, maar pittig was het wel.

Du Perron vindt het essentieel dat duidelijk is welk eigen belang een adviseur heeft bij het advies dat hij geeft. “Eigenlijk is het al heel raar dat een adviseur een eigen belang heeft bij een product dat hij mij adviseert. Als ik dan achteraf te weten kom dat hij voor het door hem geadviseerde product de hoogste provisie heeft ontvangen, dan had ik dat van te voren willen weten”, stelt Du Perron. Hij tekent daarbij wel aan dat het gaat om producten met een inleg, dus niet om eenvoudige schadeverzekeringen.
“Want”, zegt Du Perron, “bij producten met een inleg gaat de provisie ten koste van het rendement. Ik wil weten met welk kapitaal het rendement wordt opgebouwd.” Du Perron weerlegde het argument dat die transparantie dan ook voor een direct-writer zou moeten gelden. “Bij een direct-writer weet je welk belang hij dient. Overigens moet ook een direct-writer kunnen aangeven welk deel van mijn inleg besteed wordt aan kosten en welk deel aan rendementopbouw.”
Als voordelen van transparantie noemde Du Perron de bevordering van de marktwerking en het tegengaan van miss-selling. “Uiteindelijk gaat het om het advies. Transparantie zou niet nodig zijn als je goede adviezen van slechte zou kunnen onderscheiden.” Volgens Du Perron zou het probleem opgelost zijn als iemand zich geen adviseur zou noemen, maar gewoon tussenpersoon. “De verzekeraar is dan verantwoordelijk voor zijn distributiekanaal. Maar nu ligt de aansprakelijkheid voor het advies bij het intermediair.”
Oosterbaan Martinius nam fel stelling tegen de uitspraken van Du Perron. Allereerst betoogde hij dat er op dit moment niet gepleit zou moeten worden voor wettelijke verplichting tot transparantie van beloning. Hij tekende daarbij nadrukkelijk aan dat dit iets anders is dan een verbod op transparantie. “Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik ben niet van oordeel dat een consument per definitie niets zou mogen weten over de beloning. Wel sta ik op het standpunt dat op dit moment een wettelijke verplichting tot transparantie contra productief uitwerkt.”
Oosterbaan noemde een aantal principiële gronden, waarom nu niet ingegrepen moet worden. “Via de Wet Financiële Dienstverlening (WFD) kan krachtig worden opgetreden tegen bewuste mis-selling en wordt kans op bewuste mis-selling verlaagd. Het verband tussen ontbreken van transparantie en mis-selling is niet aangetoond en wetgeving dient een laatste middel te zijn. Ik proef dat de politiek toe wil naar een declaratiesysteem. Ik proef dat ook in de woorden van Du Perron. Maar dat zegt echter niets over het voorkomen van mis-selling.”
Verder is Oosterbaan van mening dat als de prijs van het advies bekend wordt gemaakt, er gekozen zal worden op basis van prijs. “Dan wordt de prijs het doorslaggevende argument voor de keuze. Terwijl het advies de doorslag moet geven.” Volgens hem zitten er ook meer nadelen dan voordelen aan het vastleggen van beloningstransparantie. “Het vastleggen van afspraken brengt hogere kosten met zich mee. Er zullen juridische geschillen komen over de inhoud van de afspraken. De klant zal zich niet meer breed oriënteren. Er zal vaker sprake zijn van gedwongen winkelnering. De consument zal zelf meer werk moeten verrichten. Er zal een toename van gebonden advisering plaatsvinden. De acquisitiekosten bij verzekeraars zullen stijgen. Er zal veel aanvullende wetgeving nodig zijn. De fiscale afwikkeling zal ingewikkelder worden en transparantie komt aan geen van de politieke doelstellingen tegemoet.” Oosterbaan Martinius vindt dat eerst de WFD zijn werk moet doen.
Oosterbaan en Du Perron werden het over beloningstransparantie niet eens. Wel waren beide van mening dat als besloten wordt tot invoering van beloningstransparantie, dit geleidelijk moet gebeuren en dat een forse overgangstermijn daarbij een vereiste is.
Afsluitprovisie
Het tweede deel van de avond discussieerden beide heren over afsluitprovisie. Ook hier waren de meningen verdeeld, maar minder dan over beloningstransparantie. Dat de overgang van afsluitprovisie naar doorlopende een lastige zal zijn, beseften beiden. Maar het stond voor hen wel als een paal boven water dat afsluitprovisie zijn langste tijd gehad heeft, omdat er teveel verkeerde prikkels van uit gaan.
Du Perron is niet voor een verbod op afsluitprovisie. “Maar ik ben wel voor afschaffing op termijn.”.
Du Perron vindt dat afsluitprovisie gekoppeld zou moeten zijn aan transparantie van beloning. “Want als het werk wordt verricht aan het begin van het traject, dan mag uiteraard ook aan het begin verdiend worden.” Oosterbaan Martinius benadrukte nogmaals dat de prijs van het advies één ding is, maar dat men zich moet concentreren op de dienstverlening.
Stellingen
Tijdens de avond werden er tevens een aantal stellingen geponeerd. Onder de negentig bezoekers van de avond waren ongeveer vijftig als intermediair werkzaam, 23 werkten bij een bank of verzekeraar en de rest viel onder de categorie ‘overigen’. Met de stelling dat de wijze van de beloning niets zegt over de kwaliteit van het advies was 90% het eens en 10% oneens. De tweede stelling luidde dat het bij transparantie voor de klant niet relevant is welk deel aan kosten opgaat aan de adviseur en welk deel aan de financiële instelling. Voor de klant zijn slechts totale kosten relevant. Hier was de verhouding 82% eens en 17% oneens. Opvallend was dat meer dan 90% van de aanwezigen het eens was met de stelling dat een verzekeraar naar de verzekerden moet instaan voor de kwaliteit van het distributieapparaat waarvan hij gebruik maakt.
Edgar du Perron en Jurjen Oosterbaan Martinius gingen fel met elkaar in discussie over het beloningstransparantie.

Reageer op dit artikel