nieuws

België belast geen Nederlandse C-polis

Archief

De fiscale autoriteiten van Nederland en België zijn het eens geworden over de behandeling van Nederlandse C-polissen (pensioenverzekeringen) in België. België heft geen belasting, Nederland wel.

C-polissen zijn aanvullende pensioenverzekeringen, vallend onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet, waarbij niet de werkgever, maar de werknemer op de polis staat als verzekeringnemer. Naar Belgische normen worden deze polissen gelijkgesteld met individuele levensverzekeringen. Aangezien er geen premies zijn betaald aan een in België gevestigde maatschappij, gaat België niet over tot belastingheffing. Dat recht ligt dus bij Nederland.
Voortzetting
Staatssecretaris van Financiën, Steven van Eijk, heeft een besluit (Nr. CPP2002.1303M) gepubliceerd waarin voorwaarden zijn opgenomen voor vrijwillige voortzetting van een pensioenregeling na ontslag. Volgens het besluit kan voortzetting ten hoogste drie jaar, direct volgend op het ontslag, worden aangemerkt als dienstjaren. Eventuele ontvangst van een loongerelateerde (WW-)uitkering is daarbij niet relevant.
Voorwaarden zijn dat de werknemer ten minste drie jaar deelnemer is geweest in de pensioenregeling, de pensioenregeling mag tijdens de vrijwillige voortzetting niet worden verbeterd en de vrijwillige voortzetting mag niet samenlopen met andere vormen van pensioenopbouw (pensioenregeling nieuwe werkgever, FOR of beroepspensioen). Als aan de voorwaarden wordt voldaan kan de premie als negatief loon worden afgetrokken van het belastbaar inkomen.
Lijfrenteclausule
Op 31 oktober heeft het Hof in Leeuwarden (Nr: 577.01) een uitspraak gedaan over het uitvoeren van een lijfrenteclausule, nadat de verzekering eerst was afgekocht ten gunste van een gehandicapte zoon. De zoon moet volgens het Hof inkomstenbelasting betalen.
De casus draait om een in 1968 geboren, gehandicapte man die een zelfstandige huishouding voert. Hij ontvangt als begunstigde van een in 1982 door zijn vader gesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in april 1999 een uitkering van e 20.824 op zijn RiantRekening. Na overleg met een adviseur besluiten de ouders om per 1 mei 2001 alsnog een lijfrente aan te kopen van het uitgekeerde en opgerente bedrag, met wederom de zoon als begunstigde.
De belastinginspecteur vindt dat de zoon inkomstenbelasting moet betalen over de uitkering (in 1999) en het Hof in Leeuwarden geeft hem gelijk. De uitkering is niet binnen een redelijke termijn omgezet in een lijfrente. Volgens het Hof had omzetting binnen hetzelfde kalanderjaar nog als redelijk kunnen worden betiteld. Door de lijfrenteclausule niet uit te voeren, is sprake van afkoop en dus belastingheffing.
Lijfrente en successie
Ten slotte heeft het Hof in Arnhem (nr. 01.00049) nog een uitspraak gedaan over de heffing van successierecht bij kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule. De casus draait om een enig erfgenaam die enkele geërfde kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule met een totale waarde van e 143.095 niet aanwendt voor de aankoop van lijfrenten, maar incasseert. Ze betaalt inkomstenbelasting, maar wordt later geconfronteerd met de heffing van successierecht (onder aftrek van 30% latente inkomstenbelasting).
De nu 32-jarige erfgenaam is hier niet blij mee, maar het Arnhemse Hof stelt de belastinginspecteur in het gelijk. De verzekerde lijfrenten voldoen niet aan de voorwaarden waaronder bepaalde lijfrenten zijn vrijgesteld voor de Successiewet.

Reageer op dit artikel