nieuws

Actuele wijzigingen in belastingwetgeving

Archief

Zo tegen het einde van het jaar is het de gewoonte van diverse ministeries om, in het kader van nieuwe plannen voor wetgeving en herzieningen en aanpassingen van besluiten, een reeks maatregelen het licht te laten zien. Zo ook bij het ministerie van Financiën in de overgang van het jaar 2001 naar 2002. De stapel papier is omvangrijk is. Hieronder een extract van de belangrijkste fiscale wijzigingen.

door Alfred Lagendijk
Het eerste onderwerp betreft het successie- en schenkingsrecht. Oorspronkelijk werden in de successiewet verruimingen voorzien voor ongehuwde partners. Inmiddels zijn de voorgestelde wijzigingen goeddeels teruggedraaid. Dat betekent het volgende.
Het voorstel om het partnerbegrip te verruimen is gehandhaafd. De onbeperkte vrijstelling ingeval gehuwde partners van elkaar erven, is vervallen. In plaats daarvan geldt nu een vrijstelling van e 453.780 (( 1 mln). Dat geldt ook voor ongehuwde partners die na hun achttiende jaar minimaal zes maanden een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.
Onder een gemeenschappelijke huishouding wordt verstaan een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde woonadres en een wederzijdse zorgverplichting vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract. Voor schenking geldt niet een termijn van zes maanden, maar van twee jaar.
Pensioenimputatie
Bovenstaande hoge vrijstelling geldt evenzeer voor personen die tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker, na hun 22e jaar, gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren en eventueel met één of meer kinderen jonger dan 27 jaar een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd (tweerelatie). Bij een samenwoning-meerrelatie geldt een vrijstelling van e 226.890. Indien de gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling respectievelijk e 181.510, e 136.130 en e 90.750.
Daarnaast komt de pensioenimputatie in de vrijstelling weer terug in de wet, eveneens tot een hoger bedrag dan voorheen.
Reserveringsruimte
Er zijn in de maand december van het vorig jaar twee besluiten gepubliceerd over de reserveringsruimte. Het besluit van 4 december signaleert een knelpunt en lost dat tegelijkertijd op. Daar waar de jaarruimte wel de terugwentelingsmogelijkheid kent, heeft de reserveringsruimte dat niet. De reserveringsruimte kent echter ook de mogelijkheid om niet benutte jaarruimte van het vorige jaar mee te nemen. Daarom wordt nu ook toegestaan om de reserveringsruimte in de eerste helft van 2002 te benutten voor een lijfrentebetaling die in de aangifte over 2001 in mindering wordt gebracht. Dat is wel zo handig, omdat een cliënt dan maar één betaling hoeft te verrichten voor zowel de jaarruimte als de reserveringsruimte. De staatssecretaris heeft toegezegd dit ook nog formeel in een wetswijziging te regelen.
Uitvoeringsproblemen
In het besluit van 21 december zijn enkele praktische uitvoeringsproblemen geadresseerd. De reserveringsruimte wordt vastgesteld aan de hand van de niet-benutte lijfrenteaftrek over de voorgaande zeven kalenderjaren. Het besluit gaat in op de vraag op welke wijze rekening dient te worden gehouden met lijfrenteverzekeringen die dateren van vóór de Brede Herwaardering.
Op deze polissen kan in de jaren 1992-2000 aftrek zijn geclaimd. Bij echtgenoten werd deze aftrek altijd in aanmerking genomen bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijke inkomen. De eerste opmerking is dat deze lijfrentepremies de reserveringsruimte beperken. Niet relevant daarbij is wie van de echtgenoten de polis heeft gesloten, noch wie de premie heeft betaald, en evenmin wie de begunstigde is voor de uitkeringen. Doorslaggevend is bij wie de premie in mindering is gebracht. Als bijvoorbeeld een van beide echtgenoten de reserveringsruimte wenst te berekenen, en de andere echtgenoot een polis heeft gesloten met zichzelf als begunstigde, terwijl de premie bij de ene echtgenoot in mindering is gebracht, vermindert deze premie de reserveringsruimte.
Bij het bepalen van de reserveringsruimte moet voor de inkomensbepaling worden uitgegaan van het inkomensbegrip van het betreffende jaar. Voor de ruimte in 2001 betekent dit het inkomensbegrip van het jaar 2001 en voor de jaren daarvoor het inkomensbegrip van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964).
Dit geldt niet voor de AOW. Hier geldt de AOW in het jaar waarin de reserveringsruimte wordt benut. Aangezien veel mensen naar verwachting toch aan het maximum zullen komen, is het gemakkelijk om te weten dat voor het maximum kan worden uitgegaan van het inkomen in het jaar waarin de reserveringsruimte wordt benut.
Splitsing kapitaalverzekering
In het besluit van 17 december 2001 wordt ingegaan op de wijze waarop een kapitaalverzekering die bij leven en overlijden uitkeert, zodanig kan worden gesplitst dat de uitkering bij in-leven-zijn als ‘kapitaalverzekering eigen woning’ in box 1 kan vallen, en dat de uitkering bij overlijden in box 3 terechtkomt.
Hoewel niet voor het gros van de verzekeringen interessant – deze vallen immers integraal in box 3 – kan voor bepaalde kapitaalverzekeringen een dergelijke splitsing interessant zijn. De staatssecretaris geeft aan dat een splitsing wel contractueel geregeld moet worden. Enkele criteria: twee overeenkomsten, niet per se twee polissen, opnemen van afzonderlijke rechten en verplichtingen, aparte administratie waaruit per verzekering de waarde en premie blijkt.
Brede Herwaardering
Het lijkt een beetje op mosterd na de maaltijd: het tijdperk van de Brede Herwaardering is ten einde en het tijdperk van IB 2001 is aangebroken. Op 29 november is desondanks nog een besluit gepubliceerd waarin issues over de Brede Herwaardering worden aangeroerd in de vorm van vragen en antwoorden. Niettemin zitten er vragen bij die de tand des tijds kunnen doorstaan en derhalve direct actueel zijn.
Ik heb er eentje uitgepikt, die mij extreem belangrijk lijkt. De vraag is aan wie de kapitaalvrijstelling in de inkomstenbelasting moet worden toegerekend als de kapitaalverzekering is verpand aan een geldschieter in verband met een hypotheeklening, waarbij de geldschieter tevens als eerste begunstigde is aangewezen.
Kapitaalvrijstelling
In verband met het aangaan van een hypotheek voor de eigen woning hebben echtgenoten tot meerdere zekerheid van de aflossing van de hypotheek een kapitaalverzekering verpand aan de hypotheeknemer. Beide echtgenoten zijn als tweede begunstigde aangewezen. Als verzekeringnemer is een der echtgenoten opgenomen in de polis.
Op welke wijze kan de vrijstelling van artikel 26a, tweede lid, van de Wet IB 1964 worden toegepast in de hiervoor beschreven specifieke situatie, waarin beide echtgenoten als tweede begunstigden zijn opgenomen in de polis en beiden hoofdelijk schuldenaar zijn voor de hypotheekschuld? Kan in dit geval de op einddatum te verschijnen kapitaalsuitkering bij leven worden toegerekend aan de hypotheeknemer, aan beide echtgenoten die als tweede begunstigde staan vermeld op de polis, of dient deze te worden toegerekend aan de verzekeringnemer, zijnde een der echtgenoten?
De Hoge Raad heeft (arrest BNB1988/256) beslist dat hetgeen een pandnemer uit hoofde van een overdracht tot zekerheid van een kapitaalverzekering voor rekening van de pandgever ontvangt, voor de toepassing van de Wet IB 1964 geldt als een door de pandgever genoten kapitaalsuitkering uit levensverzekering. Gelet op het feit dat de hypotheeknemer alleen in verband met de verpanding als eerste begunstigde is opgenomen in de polis, kunnen de beide echtgenoten die als begunstigden zijn aangewezen ná de hypotheeknemer, als gerechtigden tot de kapitaalsuitkering bij leven op einddatum worden beschouwd. Bij wie van de echtgenoten het verzekeringnemerschap berust, is in dit verband zonder betekenis.
Conclusie: het verzekeringnemerschap is kennelijk niet meer van belang, tenzij – maar dat kan ik hier niet uit lezen – het een afwijkende situatie betreft. Reden om hieraan extra aandacht te schenken.
Dubbele vrijstelling
Tot slot is de staatssecretaris van Financiën de verzekeringswereld begin januari (Besluit DGB2001/1648M) nog tegemoet gekomen, voor wat betreft de dubbele waardevrijstelling bij kapitaalverzekeringen die vóór 15 september 1999 zijn gesloten. Vaak zijn deze polissen zodanig vormgegeven dat echtgenoten of ongehuwd samenwonenden niet allebei de waardevrijstelling van e 123.428 kunnen genieten. Dit is het geval als slechts één van hen is aangewezen als verzekeringnemer en begunstigde.
Om toch voor dubbele waardevrijstelling in aanmerking te komen, zouden eigenlijk duizenden polissen moeten worden aangepast. Die operatie is volgens de verzekeraars echter een onmogelijke opgave. De staatssecretaris erkent het probleem en staat nu toe dat partners jaarlijks bij de aangifte gezamenlijk een verzoek doen tot dubbele waardevrijstelling. Vooruitlopend op een wetswijziging kan dit verzoek al worden gedaan bij de aangifte inkomstenbelasting 2001.
Pensioenen & Verzekeringen van PriceWaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel