blog

Niet leuk meer

Archief

Bij de toekomstvastheid van de intermediaire rol in de verzekeringsbedrijfstak zijn veelvuldig grote vraagtekens gezet. Ten onrechte, want de factoren advies, gemak, persoonlijk contact en lokale kennis zijn – zeker als zij zijn gebundeld – van enorme waarde. De vraagtekens zijn wel terecht als die zich beperken tot het aantal spelers op deze markt.

Er zijn tijden geweest dat de afdeling Assurantiebemiddeling van de Sociaal-Economische Raad 40.000 tussenpersonen registreerde. In 2005, het laatste jaar van het aloude SER-register, was de teller teruggelopen tot 20.000. Registratie én iets meer serieuze screening door de Autoriteit Financiële Markten heeft het bestand assurantietussenpersonen in rap tempo teruggebracht tot 11.000. En de Stichting Financiële Dienstverlening kent er zelf nog maar 8.400 en schat het totaal op nog geen 10.000.
 
Bij de komst van de Wet op het Financieel Toezicht werd een nieuwe halvering voorspeld. Daar was in 2007 nog bar weinig van te merken. Je kwam meer starters dan stakers tegen. Starters treffen we ook dit jaar weer aan. Maar bladerend door de laatste edities van dit tijdschrift valt meer de toenemende reeks overnames van assurantieportefeuilles op. Dit nummer is daar opnieuw een bewijs van. De onrust en onzekerheid onder het intermediair vertalen zich in bedrijfsoverdrachten.
 
Een heel logische verklaring hiervoor is demografisch van aard. Een omvangrijke generatie assurantieondernemers wil de naderende pensioentijd financieel veiligstellen. Toenemende eisen op het gebied van deskundigheid en toezicht stimuleren die beslissing. De gouden jaren zijn voorbij. De kosten nemen toe, terwijl de opbrengsten onder druk staan. Denk maar aan de hypotheekmarkt of de hard dalende premies en dus ook provisies voor autoverzekeringen.
 
Tegenover dit grote aanbod van assurantieportefeuilles staat nog een minstens zo grote vraag. Vooral gevolmachtigde assurantiebedrijven zijn naarstig op zoek naar schaalvergroting. Dat maakt hun investeringen (in bijvoorbeeld ICT en personeel) nog rendabel en biedt ze een stevige positie tegenover de grote verzekeraars. De vraag is hoe lang die kooplust blijft? Eens is de portemonnee leeg. En geld lenen is wel ’s makkelijker geweest.
 
In de reeks argumenten vóór verkoop van een portefeuille ontbreekt nog de volgende verzuchting van menig tussenpersoon: “Ik vind ’t gewoon niet leuk meer!” Het is een versimpelde uitdrukking van de professionaliseringsslag die de bedrijfstak doormaakt. Die vraagt bijvoorbeeld om frequente bijscholing, een vlekkeloze administratie en het afleggen van verantwoording aan klanten over geleverde diensten en daarbij horende verdiensten. Die vraagt voorts om een zakelijke benadering van de eigen onderneming; om keuzes wat nog wel voor welke klant tegen welke prijs wordt geleverd.
 
Menigeen zal dat betreuren en met enige weemoed terugdenken aan ‘die goeie ouwe tijd’. Dat was echter ook een tijd waarin spreekwoorden konden ontstaan als: “Wenn nichts ist gelungen, geht man in versicherungen’. Dergelijke laatdunkende vooroordelen kunnen we straks achter ons laten.
 
Henri Drost

Reageer op dit artikel