Het Verzekerings-Archief (97, nr. 4): verzekeringsrechtspraak

De rubriek Verzekeringsrechtspraak uit Het Verzekerings-Archief, tijdschrift voor verzekeringswetenschap, biedt een overzicht van alle voor de verzekeringsbedrijfstak relevante jurisprudentie van Nederlandse en EU-rechters, met inbegrip van uitspraken van het klachteninstituut Kifid. Hieronder publiceren we de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, en van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uit nummer 4 van jaargang 97. Deze rubriek wordt verzorgd door mr. dr. W.C.T. Weterings, prof. mr. J. Borgesius en mr. B.K.M. Lauwerier
Delen:

Rechtspraak Hof van Justitie van de Europese Unie

Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2009/138/EG – Vertegenwoordiging van een schadeverzekeringsonderneming – Vertegenwoordiger die woonachtig is op het nationale grondgebied – Betekening en kennisgeving van stukken – Inontvangstneming van het stuk dat het geding inleidt – Verordening (EG) nr. 1393/2007 – Niet-toepasselijkheid

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (Pb. 2009, L 335/1) en van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (Pb. 2007, L 324/79). Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Corporis sp. z o.o., een verzekeringsmaatschappij met zetel in Polen, en Gefion Insurance A/S, een verzekeringsmaatschappij met zetel in Denemarken, over de vergoeding van bij een verkeersongeval veroorzaakte schade.

Het Hof overweegt als volgt.

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of art. 152, lid 1, van richtlijn 2009/138, gelezen in samenhang met art. 151 van die richtlijn en met overweging 8 van verordening nr. 1393/2007, aldus moet worden uitgelegd dat de aanstelling, door een schadeverzekeringsonderneming, van een vertegenwoordiger in de lidstaat van ontvangst inhoudt dat deze vertegenwoordiger tevens bevoegd is om een stuk waarmee een geding betreffende een uit een verkeersongeval ontstane vordering wordt ingeleid, in ontvangst te nemen.

In casu heeft de door de verwijzende rechter tot uiting gebrachte twijfel met name betrekking op de vraag of de rechter in eerste aanleg op grond van de bepalingen van verordening nr. 1393/2007 terecht een in Polen gevestigde verzekeringsmaatschappij heeft gelast om een stuk dat het geding inleidt te betekenen aan een in Denemarken gevestigde verzekeringsmaatschappij dan wel of dat stuk had moeten worden betekend aan de door laatstgenoemde uit hoofde van art. 152 van richtlijn 2009/138 aangestelde onderneming, die daardoor de bevoegdheid heeft om haar te vertegenwoordigen tegenover de personen die schade hebben geleden alsmede voor de gerechten van die lidstaat.

Teneinde de gestelde vraag te beantwoorden dient vooraf te worden nagegaan of verordening nr. 1393/2007 in casu toepassing kan vinden. Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat deze verordening volgens art. 1, lid 1, ervan van toepassing is in burgerlijke en in handelszaken waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar. Evenwel is in overweging 8 van voormelde verordening uitdrukkelijk vermeld dat deze niet van toepassing is op de betekening en de kennisgeving van een stuk aan de gevolmachtigde vertegenwoordiger van de partij in de lidstaat waar de procedure plaatsvindt, ongeacht de woonplaats van die partij. Volgens de rechtspraak van het Hof ter zake volgt uit een systematische uitlegging van verordening nr. 1393/2007 dat deze slechts twee omstandigheden vermeldt waarin de betekening en de kennisgeving van een gerechtelijk stuk tussen lidstaten aan haar werkingssfeer zijn onttrokken, te weten ten eerste wanneer de woonplaats of gewone verblijfplaats van degene voor wie het stuk bestemd is onbekend is, en ten tweede wanneer deze laatste een gevolmachtigde vertegenwoordiger heeft in de lidstaat waar de gerechtelijke procedure plaatsvindt. In de overige gevallen zullen, ingeval degene voor wie een gerechtelijk stuk bestemd is in het buitenland verblijft, de betekening en de kennisgeving van dat stuk daarentegen noodzakelijkerwijs binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1393/2007 vallen en moeten zij dus, overeenkomstig art. 1, lid 1, van die verordening, plaatsvinden op de wijze die deze verordening daartoe zelf vastlegt (arresten van 19 december 2012, Alder, C-325/11, EU:C:2012:824, punten 24 en 25, en 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus, C-519/13, EU:C:2015:603, punten 68 en 69).

Vast staat dat Gefion Insurance, waarvoor het gerechtelijke stuk bestemd is dat Corporis aan haar geeft gericht, uit hoofde van art. 152 van richtlijn 2009/138 Crawford Polska heeft aangesteld als entiteit die bevoegd is haar tegenover personen die in Polen schade hebben geleden alsmede voor de gerechten van deze lidstaat te vertegenwoordigen. Daaruit volgt dat verordening nr. 1393/2007, gelet op de in het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, in casu geen toepassing vindt.

Niettemin dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals is vermeld in overweging 76 van richtlijn 2009/138, in het licht van de toenemende mobiliteit van de Unieburgers de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen steeds vaker op grensoverschrijdende basis wordt aangeboden. Het bij deze richtlijn ingestelde systeem stelt een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde verzekeringsonderneming dus met name in staat haar activiteiten in een andere lidstaat uit te oefenen middels een bijkantoor of krachtens het vrij verrichten van diensten. Deze tweede mogelijkheid, waarvan Gefion Insurance gebruik heeft gemaakt om haar diensten aan te bieden in Polen, wordt gekenmerkt door het feit dat het niet nodig is om in de lidstaat van ontvangst een juridische entiteit op te richten om daar dergelijke activiteiten uit te oefenen. Overeenkomstig art. 147 van richtlijn 2009/138 volstaat het daartoe met name dat de verzekeringsonderneming die uit hoofde van het vrij verrichten van diensten voornemens is haar werkzaamheden voor het eerst in de lidstaat van ontvangst uit te oefenen, de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst vooraf van haar voornemen in kennis stelt, met opgave van de aard van de risico’s of verbintenissen die zij wenst aan te gaan, en dat deze autoriteiten overeenkomstig art. 148 van die richtlijn de bij deze bepaling vereiste gegevens betreffende de betrokken verzekeringsonderneming aan de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst toezenden. Rekening gehouden met het feit dat het moeilijk is om een vordering in te stellen tegen een verzekeringsonderneming die uit hoofde van het vrij verrichten van diensten grensoverschrijdende activiteiten uitoefent, vereist art. 151 van richtlijn 2009/138 echter dat de lidstaat van ontvangst de betrokken schadeverzekeringsonderneming verplicht om ervoor te zorgen dat het feit dat zij in het kader van dienstverrichting dekking voor een risico verleent er niet toe leidt dat personen die een vordering, ontstaan uit voorvallen die zich op het grondgebied van deze lidstaat hebben voorgedaan, indienen, in een nadeliger positie verkeren dan wanneer de onderneming vanuit een vestiging aldaar werkzaam zou zijn. Overeenkomstig art. 152, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn moet de lidstaat van ontvangst daartoe van de betrokken schadeverzekeringsonderneming verlangen dat zij een op zijn grondgebied woonachtige of gevestigde vertegenwoordiger aanstelt die over voldoende bevoegdheden beschikt om die onderneming te vertegenwoordigen zowel tegenover personen die schade hebben geleden en daardoor een vordering kunnen indienen, als in het kader van gerechtelijke procedures die eventueel door deze personen worden ingeleid bij de rechter en de autoriteiten van deze lidstaat.

Aangezien deze bepaling niet de exacte omvang van de daartoe aan de vertegenwoordiger van de verzekeringsonderneming verleende bevoegdheden vastlegt, en met name niet of de vertegenwoordigingsbevoegdheid van die vertegenwoordiger de mogelijkheid voor die vertegenwoordiger omvat om betekeningen en kennisgevingen van gerechtelijke stukken in ontvangst te nemen, moet volgens vaste rechtspraak rekening worden gehouden met de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 25 januari 2017, Vilkas, C-640/15, EU:C:2017:39, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2009/138 blijkens overweging 105 ervan met name tot doel heeft een gelijke behandeling van alle verzekeringnemers en begunstigden van een verzekeringsovereenkomst te waarborgen, ongeacht hun nationaliteit of woonplaats. In deze context beoogt art. 152, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met art. 151 ervan, een doeltreffende schadeloosstelling van slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen die wonen in een lidstaat waarin een schadeverzekeringsonderneming haar diensten aanbiedt, hoewel zij daar geen vestiging heeft. De in genoemd art. 152, lid 1, vastgelegde verplichting voor deze onderneming om een vertegenwoordiger aan te stellen in de lidstaat van ontvangst, impliceert immers dat een dergelijke vertegenwoordiger over de bevoegdheid beschikt om, ten eerste, alle nodige informatie over vorderingen te vergaren en, ten tweede, de onderneming te vertegenwoordigen niet alleen tegenover personen die een vordering kunnen indienen wegens schade die zij hebben geleden, maar ook in alle gerechtelijke procedures betreffende schadevorderingen die zijn ingeleid bij de rechter van de lidstaat van ontvangst. De taak van een dergelijke vertegenwoordiger bestaat er dus in om het slachtoffers van ongevallen gemakkelijker te maken stappen te ondernemen en in het bijzonder om hen in staat te stellen hun schadeclaim in te dienen in hun eigen taal, te weten die van de lidstaat van ontvangst. Bijgevolg zou het strijdig zijn met de doelstelling van art. 152, lid 1, van richtlijn 2009/138 indien deze slachtoffers – nadat zij de daaraan voorafgaande formaliteiten rechtstreeks bij deze vertegenwoordiger hebben vervuld en ofschoon zij rechtstreeks de betrokken verzekeraar kunnen aanspreken – de mogelijkheid wordt ontzegd aan die vertegenwoordiger de gerechtelijke stukken te betekenen teneinde de vordering tot schadevergoeding bij die nationale rechter in te stellen (zie naar analogie arrest van 10 oktober 2013, Spedition Welter, C-306/12, EU:C:2013:650, punt 24).

Derhalve moet worden vastgesteld dat indien de bevoegdheid van de schaderegelaar van de betrokken schadeverzekeringsonderneming om betekeningen in ontvangst te nemen van stukken waarmee een geding wordt ingeleid betreffende een uit een verkeersongeval ontstane vordering, wordt uitgesloten van het geheel van bevoegdheden waarover die schaderegelaar moet beschikken, dit in strijd zou zijn met de doelstelling om een doeltreffende schadeloosstelling van de slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen te waarborgen. Voorts zou een dergelijke uitsluiting in strijd zijn met de doelstelling van art. 151 van richtlijn 2009/138 om elke discriminatie van personen die een vordering indienen te voorkomen. Indien dergelijke personen, na te hebben onderhandeld met de vertegenwoordiger van de betrokken schadeverzekeringsonderneming en na met hem te hebben geverifieerd of zij een vordering kunnen indienen, gehouden zouden zijn het stuk waarmee de procedure wordt ingeleid te betekenen aan die schadeverzekeringsonderneming in haar lidstaat van herkomst en niet aan haar vertegenwoordiger in de lidstaat van ontvangst, zouden zij bijkomende, kosten meebrengende formaliteiten moeten vervullen die met name verband houden met het feit dat er vertalingen moeten worden gemaakt, hetgeen kosten zou kunnen meebrengen die niet in verhouding staan tot het uit hoofde van de schadeloosstelling geclaimde bedrag. Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft de Sąd Rejonowy Poznań – Stare Miasto Corporis verzocht een voorschot van 5 000 PLN (ongeveer 1 150 EUR) te betalen om de kosten te dekken van de vertaling in het Deens van de voor Gefion Insurance bestemde documenten, terwijl Corporis voor deze rechter betaling vordert van een bedrag van 157,41 PLN (ongeveer 30 EUR), vermeerderd met rente en kosten. In die omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat de hoogte van dergelijke vertaalkosten onevenredig is in verhouding tot het uit hoofde van de schadeloosstelling geclaimde bedrag. Niettemin staat het aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat art. 152, lid 1, van richtlijn 2009/138, gelezen in samenhang met art. 151 ervan en met overweging 8 van verordening nr. 1393/2007, aldus moet worden uitgelegd dat de aanstelling, door een schadeverzekeringsonderneming, van een vertegenwoordiger in de lidstaat van ontvangst inhoudt dat deze vertegenwoordiger tevens bevoegd is om een stuk waarmee een geding betreffende een uit een verkeersongeval ontstane vordering wordt ingeleid, in ontvangst te nemen.

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 27 februari 2020 in zaak C-25/19 (Corporis sp. z. o.o. tegen Gefion Insurance A/S), ECLI:EU:C:2020:126

Hogere voorziening – Staatssteun – Art. 107, lid 1, VWEU Socialezekerheidsstelsel – Ziektekostenverzekeringsinstanties – Begrippen ‘onderneming’ en ‘economische activiteit’ – Sociaal oogmerk – Solidariteitsbeginsel – Staatstoezicht– Globale beoordeling – Mogelijkheid om winst na te streven – Resterende concurrentie op het gebied van kwaliteit en aanbod van de zorgverstrekkingen

Met hun hogere voorzieningen verzoeken de Europese Commissie en de Slowaakse Republiek om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 februari 2018, Dôvera zdravotná poist’ovňa/Commissie (T-216/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:64), houdende nietigverklaring van besluit (EU) 2015/248 van de Commissie van 15 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.23008 (2013/C) (ex 2013/NN) door de Slowaakse Republiek ten uitvoer gelegd ten gunste van Spoločná zdravotná poisťovňa, a.s. (SZP) en Všeobecná zdravotná poisťovňa, a.s. (VšZP) (Pb. 2015, L 41/25, blz. 25).

Het Hof overweegt als volgt. Overeenkomstig art. 107, lid 1, VWEU worden als staatssteun in de zin van dat artikel aangemerkt de steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, voor zover zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Hieruit volgt met name dat het in art. 107, lid 1, VWEU neergelegde verbod uitsluitend ziet op de activiteiten van de ondernemingen (zie in die zin arrest van 27 juni 2017, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania, C-74/16, EU:C:2017:496, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt dat het begrip ‘onderneming’ in de context van het mededingingsrecht van de Unie elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arresten van 23 april 1991, Höfner en Elser, C-41/90, EU:C:1991:161, punt 21, en 3 maart 2011, AG2R Prévoyance, C-437/09, EU:C:2011:112, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De vraag of een entiteit al dan niet een onderneming is, hangt dus af van de aard van haar activiteit. Volgens eveneens vaste rechtspraak van het Hof wordt onder economische activiteit verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt (arresten van 16 juni 1987, Commissie/Italië, 118/85, EU:C:1987:283, punt 7, en 3 maart 2011, AG2R Prévoyance, C-437/09, EU:C:2011:112, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Wat in het bijzonder het gebied van de sociale zekerheid betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het Unierecht in beginsel geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsel in te richten. Teneinde te beoordelen of een activiteit in het kader van een socialezekerheidsstelsel een niet-economisch karakter heeft, maakt het Hof een globale beoordeling van het betrokken stelsel waarbij als elementen in aanmerking worden genomen de sociale doelstelling die een stelsel nastreeft, de tenuitvoerlegging van het solidariteitsbeginsel, de afwezigheid van elk winstoogmerk van de uitgeoefende activiteit en het toezicht erop door de staat (zie in die zin arresten van 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, EU:C:1993:63, punten 8-10, 14, 15 en 18; 22 januari 2002, Cisal, C-218/00, EU:C:2002:36, punten 34, 38 en 43; 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a., C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, EU:C:2004:150, punten 47-50; 5 maart 2009, Kattner Stahlbau, C-350/07, EU:C:2009:127, punten 35, 38 en 43, en 3 maart 2011, AG2R Prévoyance, C-437/09, EU:C:2011:112, punten 43-46). In het kader van deze globale beoordeling moet in het bijzonder worden onderzocht of en in welke mate het betrokken stelsel kan worden geacht het solidariteitsbeginsel ten uitvoer te leggen en of de activiteit van de verzekeringsinstanties die het stelsel beheren aan staatstoezicht is onderworpen (zie in die zin arresten van 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, EU:C:1993:63, punten 8 en 14; 22 januari 2002, Cisal, C-218/00, EU:C:2002:36, punten 38 en 43, en 5 maart 2009, Kattner Stahlbau, C-350/07, EU:C:2009:127, punt 43). De socialezekerheidsstelsels die het solidariteitsbeginsel ten uitvoer leggen worden met name gekenmerkt door het verplichte karakter van de aansluiting voor zowel de verzekerden als de verzekeringsinstanties, door de vaststelling bij wet van de premies naar evenredigheid van het inkomen van de verzekerden en niet het risico dat zij individueel vertegenwoordigen vanwege hun leeftijd of hun gezondheidstoestand, door de regel dat de door de wet vastgestelde verplichte vergoedingen voor alle verzekerden identiek zijn, ongeacht het bedrag van de door elk van hen betaalde premies, en door een vereveningsmechanisme van de kosten en de risico’s waarbij de stelsels met een overschot deelnemen aan de financiering van de stelsels met structurele financiële moeilijkheden (zie in die zin arresten van 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, EU:C:1993:63, punten 7-12, 15 en 18; 22 januari 2002, Cisal, C-218/00, EU:C:2002:36, punten 39, 40 en 42, en 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a., C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, EU:C:2004:150, punten 47, 48, 52 en 53).

In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat het feit dat een lidstaat niet één verzekeringsinstantie maar verschillende instanties belast met het beheer van een socialezekerheidsstelsel, geen afbreuk kan doen aan het aan dit stelsel ten grondslag liggende solidariteitsbeginsel, temeer niet wanneer de betrokken instanties binnen dat stelsel onderling de kosten en risico’s verevenen (zie in die zin arrest van 5 maart 2009, Kattner Stahlbau, C-350/07, EU:C:2009:127, punten 49, 50 en 53). Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de invoering van een element van concurrentie in een stelsel met de in herinnering gebrachte kenmerken, de aard van dat stelsel niet wijzigt, aangezien daarmee wordt beoogd de marktdeelnemers ertoe aan te zetten hun activiteit in het belang van de goede werking van het socialezekerheidsstelsel uit te oefenen volgens de beginselen van goed beheer, namelijk zo efficiënt en zo goedkoop mogelijk (zie in die zin arrest van 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a., C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, EU:C:2004:150, punt 56). Volgens een evenzeer vaste rechtspraak heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat instanties die een verzekeringsstelsel beheren dat op facultatieve aansluiting is gebaseerd, dat werkt op het gebied van een kapitalisatiebeginsel – waarbij er een rechtstreeks verband is tussen het bedrag van de door de verzekerde betaalde premies en de financiële opbrengst ervan enerzijds, en de voor deze verzekerde verrichte prestaties anderzijds – en dat slechts uiterst beperkte elementen van solidariteit omvat, niet het solidariteitsbeginsel ten uitvoer leggen en derhalve een economische activiteit uitoefenen (zie in die zin arresten van 16 november 1995, Fédération française des sociétés d’assurance e.a., C-244/94, EU:C:1995:392, punten 17, 19 en 22, en 21 september 1999, Albany, C-67/96, EU:C:1999:430, punten 79, 81, 82 en 85).

Tegen de achtergrond van de in het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet worden onderzocht of de overwegingen van het Gerecht in het bestreden arrest blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

In dit verband blijkt uit het onderhavige arrest dat het Gerecht in het kader van zijn globale beoordeling van het Slowaakse verplichte ziektekostenverzekeringsstelsel, na de conclusie van de Commissie te hebben onderschreven dat dit stelsel belangrijke sociale, solidaire en reguleringsaspecten bevat die overeenstemmen met de kenmerken van een stelsel dat een sociaal doel nastreeft en het solidariteitsbeginsel ten uitvoer legt onder staatstoezicht, niettemin heeft geoordeeld dat aan deze conclusie afbreuk werd gedaan door de omstandigheid dat de verzekeringsinstanties binnen dat stelsel de mogelijkheid hadden om winst na te streven en om in enige mate te concurreren wat betreft de kwaliteit, de omvang van hun aanbod en hun inkoop. Aldus heeft het Gerecht aan deze laatste elementen te veel belang gehecht in het licht van de in de punten 28 tot en met 35 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak en heeft het onvoldoende rekening gehouden met het verband tussen die elementen en de sociale, solidariteits- en reguleringsaspecten van het betrokken stelsel.

Wat in de eerste plaats de mogelijkheid betreft voor de verzekeringsinstanties die het Slowaakse verplichte ziektekostenverzekeringsstelsel beheren om winst te maken, dient immers te worden opgemerkt dat de omstandigheid dat deze instanties krachtens een op 1 januari 2005 in werking getreden Slowaakse wettelijke regeling verplicht waren om gebruik te maken van de rechtsvorm van privaatrechtelijke naamloze vennootschap met winstoogmerk, niet betekent dat zij vanuit het oogpunt van het mededingingsrecht van de Unie kunnen worden aangemerkt als ‘ondernemingen’. Volgens de in het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak hangt een dergelijke kwalificatie immers niet af van de rechtsvorm van de betrokken entiteit, maar van alle factoren die kenmerkend zijn voor haar activiteit. Bovendien, en zoals blijkt uit het bestreden arrest, is het juist dat de eventueel door deze instanties verkregen winst kan worden gebruikt en uitgekeerd, doch dient dit te gebeuren met inachtneming van de eisen die ertoe strekken het voortbestaan van het stelsel en de verwezenlijking van de daaraan ten grondslag liggende sociale en solidaire doelstellingen te waarborgen. De mogelijkheid om winst na te streven wordt dus sterk afgebakend door de wet en kan, anders dan het Gerecht in het bestreden arrest heeft overwogen, niet worden beschouwd als een element dat kan afdoen aan het sociale en solidaire karakter dat voortvloeit uit de aard zelf van de betrokken activiteiten.

In de tweede plaats heeft het Gerecht in het bestreden arrest eveneens ten onrechte geoordeeld dat de verschillende elementen die enige mededinging in het Slowaakse verplichte ziektekostenverzekeringsstelsel invoeren, afbreuk konden doen aan het sociale en solidaire karakter van dit stelsel.

Afgezien van het feit dat, zoals het Gerecht zelf in het bestreden arrest heeft aangegeven, deze mededinging geen betrekking kan hebben op de verplichte wettelijke vergoedingen of op het bedrag van de premies, moet er immers ten eerste op worden gewezen dat de Slowaakse ziektekostenverzekeringsinstanties weliswaar bovenop de verplichte wettelijke vergoedingen aanvullende vergoedingen kunnen aanbieden, maar dat het gaat om gratis aanverwante diensten, zoals een betere vergoeding van bepaalde soorten aanvullende en preventieve behandelingen in het kader van de verplichte prestaties of een versterkte dienstverlening ter ondersteuning van de verzekerden, die die instanties in staat stellen om zich op residuele en aanvullende manier te onderscheiden op het gebied van het aanbod en de kwaliteit. Volgens de in herinnering gebrachte rechtspraak kan de invoering in een stelsel met de genoemde kenmerken, van een concurrentie-element dat beoogt de marktdeelnemers ertoe aan te zetten in het belang van een goede werking van het socialezekerheidsstelsel hun activiteit volgens de beginselen van goed beheer uit te oefenen, namelijk zo efficiënt en zo goedkoop mogelijk, de aard van dit stelsel echter niet wijzigen. Bovendien staat vast dat deze aanvullende vergoedingen gratis worden verstrekt, zodat de mogelijkheid om deze aan te bieden in het kader van het Slowaakse verplichte ziektekostenverzekeringsstelsel niet kan afdoen aan het sociale en solidaire karakter van dit stelsel.

Wat ten tweede de vrijheid van de verzekerden betreft om hun ziektekostenverzekeringsinstantie te kiezen en eenmaal per jaar van verzekeraar te veranderen, heeft deze vrijheid weliswaar een impact op de concurrentie tussen deze verzekeringsinstanties, maar is zij in het belang van een goede werking van het Slowaakse ziektekostenverzekeringsstelsel en moet zij worden begrepen in het licht van de op elke Slowaakse ingezetene rustende verplichting om zich aan te sluiten bij een van de instanties die deelnemen aan het beheer van dit stelsel, alsmede van de verplichting voor die instanties om elke kandidaat die daarom verzoekt, ongeacht zijn gezondheidstoestand en zijn leeftijd, aan te sluiten. Dergelijke verplichtingen behoren tot de bepalende kenmerken van het solidariteitsbeginsel, zoals blijkt uit de in het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. Hieraan moet worden toegevoegd dat de concurrentie die in het Slowaakse stelsel van verplichte ziektekostenverzekering is ingevoerd door de eerder genoemde elementen, nauw verband houdt met het feit dat het beheer van dit stelsel niet aan één enkele verzekeringsinstantie, maar aan verschillende instanties is toevertrouwd. Aangezien dit stelsel een mechanisme van verevening van kosten en risico’s bevat, is de beoordeling van het Gerecht volgens welke deze concurrentie afbreuk kan doen aan het aan dat stelsel ten grondslag liggende solidariteitsbeginsel, ook in strijd met de in herinnering gebrachte rechtspraak. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, kan het bestaan van enige concurrentie op het gebied van de kwaliteit en de omvang van het aanbod in het Slowaakse verplichte ziektekostenverzekeringsstelsel, zoals deze voortvloeit uit de eerder genoemde elementen, dus niet afdoen aan de aard zelf van de activiteit die deze verzekeringsinstanties in het kader van dit stelsel uitoefenen.

Wat ten derde de – eveneens in het bestreden arrest vermelde – omstandigheid betreft dat de beheerorganen van het Slowaakse verplichte ziektekostenverzekeringsstelsel met elkaar concurreren op het niveau van hun bevoorrading, kan deze omstandigheid, zoals de advocaat-generaal in zijn conclusie heeft opgemerkt, niet worden beschouwd als een relevant gegeven voor de beoordeling van de aard van hun activiteit bestaande in het verrichten van verplichte ziektekostenverzekeringsdiensten in Slowakije. Om de aard van de activiteit van een entiteit te beoordelen, mag de activiteit van aankoop van goederen of diensten immers niet los worden gezien van het latere gebruik dat daarvan wordt gemaakt, aangezien de al dan niet economische aard van het latere gebruik de aard van de activiteit van de betrokken entiteit bepaalt (zie in die zin arrest van 11 juli 2006, FENIN/Commissie, C-205/03 P, EU:C:2006:453, punt 26).

In de derde plaats vindt, anders dan in het bestreden arrest wordt overwogen, de redenering van het Gerecht geen steun in de arresten van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a. (C-222/04, EU:C:2006:8, punten 122 en 123), en 1 juli 2008, MOTOE (C-49/07, EU:C:2008:376, punt 27). Uit deze twee arresten blijkt immers dat wanneer de activiteit van een marktdeelnemer bestaat in het aanbieden op een markt van diensten van economische aard – in de zaak die heeft geleid tot het eerste van deze arresten, diensten in verband met financiële, commerciële, onroerende en roerende transacties en, in de zaak die heeft geleid tot het tweede van deze arresten, diensten die verband houden met de organisatie van sportwedstrijden op basis van sponsor-, reclame- en verzekeringsovereenkomsten die bestemd zijn voor de commerciële exploitatie van deze wedstrijden – in concurrentie met andere marktdeelnemers die winst nastreven, de omstandigheid dat die diensten door de marktdeelnemer zonder winstgevend oogmerk worden aangeboden, de kwalificatie van de betrokken activiteit als economisch niet ter discussie stelt. Uit deze rechtspraak kan dus niet worden afgeleid dat een instantie die deelneemt aan het beheer van een stelsel met een sociaal oogmerk dat het solidariteitsbeginsel ten uitvoer legt onder staatstoezicht, als een onderneming kan worden aangemerkt op grond van de door het Gerecht in het bestreden arrest uiteengezette reden dat andere instanties die in het kader van hetzelfde stelsel actief zijn daadwerkelijk winst nastreven.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de overwegingen van het Gerecht in het bestreden arrest blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien deze overwegingen het Gerecht er ten onrechte toe hebben gebracht te oordelen dat, ondanks het feit dat het Slowaakse verplichte ziektekostenverzekeringsstelsel een sociaal doel nastreeft en het solidariteitsbeginsel ten uitvoer legt onder staatstoezicht, de activiteit van de instanties die het beheren economisch van aard is.

Bijgevolg moet het bestreden arrest dus worden vernietigd.

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 11 juni 2020 in de gevoegde zaken C-262/18 P en C-271/18 P (Europese Commissie en Slowaakse Republiek), ECLI:EU:C:2020:450

Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Art. 15, punt 5, en art. 16, punt 5 – Verzekering voor ‘grote risico’s’ – Tussen verzekeringnemer en verzekeraar overeengekomen forumkeuzebeding – Tegenwerpbaarheid van dat beding aan de verzekerde

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van art. 15, punt 5, en art. 16, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb. 2012, L 351/1). Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AAS ‘Balta’, een in Letland gevestigde verzekeringsmaatschappij, en UAB ‘Grifs AG’, een in Litouwen ingeschreven bewakingsfirma, over de toekenning van een verzekeringsuitkering. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de genoemde artikelen aldus moeten worden uitgelegd dat het forumkeuzebeding in een tussen een verzekeringnemer en een verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst die ‘grote risico’s’ in de zin van die laatste bepaling dekt, kan worden tegengeworpen aan een uit hoofde van deze overeenkomst verzekerde persoon die geen beroepsbeoefenaar in de verzekeringssector is, niet met dit beding heeft ingestemd en zijn woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de verzekeringnemer en de verzekeraar.

Het Hof overweegt als volgt.

26. Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat in de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 de bewoordingen zijn overgenomen van respectievelijk de artikelen 13 en 14 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb. 2001, L 12/1), zodat de door het Hof aan de bepalingen van laatstgenoemde verordening gegeven uitlegging geldig blijft voor de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 1215/2012 (zie naar analogie arrest van 31 januari 2018, Hofsoe, C-106/17, EU:C:2018:50, punt 36).

27. Vast staat dat in hoofdstuk II, afdeling 3, van verordening nr. 1215/2012 bijzondere bevoegdheidsregels in verzekeringszaken worden vastgesteld, teneinde, zoals in overweging 18 van die verordening wordt verklaard, de zwakke partij bij de overeenkomst te beschermen door regels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels (arrest van 31 januari 2018, Hofsoe, C-106/17, EU:C:2018:50, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28. Zo bepaalt ten eerste artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 dat de verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen in een andere lidstaat op het grondgebied waarvan de eiser zijn woonplaats heeft, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft. Ten tweede kan de verzekeraar volgens artikel 12 van die verordening worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering of een verzekering van onroerend goed betreft. Die regels waarborgen dat de zwakkere partij die de sterkere partij wil dagvaarden, dit kan doen voor een gerecht van een lidstaat waartoe zij gemakkelijk toegang heeft.

29. Niettemin voorziet verordening nr. 1215/2012 in bepaalde gevallen in de mogelijkheid om door overeenkomsten van de bevoegdheidsregels in verzekeringszaken af te wijken, met name overeenkomstig artikel 15, punt 5, van die verordening door overeenkomsten betreffende een verzekeringsovereenkomst, voor zover daarmee een of meer van de risico’s bedoeld in artikel 16 van die verordening worden gedekt.

30. In casu wijst de verwijzende rechter erop dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzekeringsovereenkomst ‘grote risico’s in de zin van artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 dekt en dat dit artikel verwijst naar richtlijn nr. 2009/138, die in artikel 13, punt 27, het begrip ‘grote risico’s’omschrijft en bepaalde risicocategorieën vaststelt die onder dat begrip vallen.

31. In die context moet worden onderzocht of een in een dergelijke overeenkomst opgenomen forumkeuzebeding een verzekerde derde, die geen partij is bij die overeenkomst en niet heeft ingestemd met de bepalingen van die overeenkomst, kan binden.

32. Voor de vraag of de verzekerde, als derde bij een verzekeringsovereenkomst voor ‘grote risico’s’, gebonden kan zijn door een forumkeuzebeding dat bepaalt dat alleen de gerechten van de woonplaats van de verzekeringsmaatschappij bevoegd zijn, dient te worden gekeken naar de bewoordingen van artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 alsook naar de opzet van de daarin neergelegde regels op het gebied van verzekeringen, de ontstaansgeschiedenis van die regels en de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen.

33. Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 15, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 betreft, kan inderdaad worden aangenomen dat een geldig forumkeuzebeding, zodra dat is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst die ‘grote risico’s’ dekt, ook tegenover een verzekerd overeenkomst zijn rechten wil uitoefenen, aangezien dit punt alleen verwijst naar de overeenkomsten betreffende een verzekeringsovereenkomst zelf en niet, anders dan de punten 3 en 4 van datzelfde artikel 15, naar de partijen bij de overeenkomst.

34. Dat verschil in formulering tussen punt 5 en de andere punten van artikel 15 van verordening nr. 1215/2012 wordt evenwel verklaard door de ontstaansgeschiedenis van dat artikel. Zoals blijkt uit punt 140 van het rapport van P. Schlosser over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (Pb 1979, C 59/71), is met het oog op de aanvulling van laatstgenoemd verdrag op het moment van toetreding van het Verenigd Koninkrijk in 1978 beslist om een lijst van verzekeringsovereenkomsten op stellen waarin dat soort bedingen bij uitbreiding mocht worden opgenomen, zonder dat een abstract en algemeen criterium hoefde te worden bepaald om de situaties af te bakenen waarin forumkeuzebedingen zouden worden toegestaan. Zoals uit dit punt van dat rapport blijkt, was het evenwel geenszins de bedoeling van die toevoeging om dat soort forumkeuzebedingen te kunnen tegenwerpen aan derden.

35. Wat in de tweede plaats de opzet van de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 3, van verordening nr. 1215/2012 betreft, moet worden opgemerkt dat de lijst van personen die een verzekeraar kunnen oproepen voor een gerecht bij verordening nr. 44/2001 is uitgebreid door ook de verzekerden in artikel 9, lid 1, onder b), van die verordening [thans artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012] op te nemen, zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt naargelang van het soort verzekerde risico’s. De aldus aan de verzekerden verleende bescherming zou echter ondoeltreffend zijn indien het bevoegde gerecht bij verzekeringsovereenkomsten voor ‘grote risico’s’ zou worden bepaald op basis van een forumkeuzebeding waarmee de verzekerde niet heeft ingestemd.

36. Wat in de derde plaats de aan hoofdstuk II, afdeling 3, van verordening nr. 1215/2012 ten grondslag liggende doelstellingen betreft, heeft het Hof er reeds op gewezen dat een forumkeuzebeding dat is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst gesloten ten gunste van een derde, waarmee deze derde niet heeft ingestemd, hem in geval van een uit die overeenkomst voortvloeiend geschil slechts kan worden tegengeworpen indien dit beding geen afbreuk doet aan de doelstelling van bescherming van degene die economisch gezien in de zwakste positie verkeert (arrest van 12 mei 2005, Société financière et industrielle du Peloux, C-112/03, EU:C:2005:280, punt 38).

37. Het Hof heeft er dan ook aan herinnerd dat forumkeuze in verzekeringszaken strikt afgebakend blijft, omdat bij de toepassing het doel vooropstaat degene te beschermen die economisch gezien in de zwakste positie verkeert (arrest van 13 juli 2017, Assens Havn, C-368/16, EU:C:2017:546, punt 36).

38. Niettemin moet worden onderzocht of die overweging evenzo geldt op het gebied van verzekeringsovereenkomsten die ‘grote risico’s’ dekken en waarbij de verzekerden, net als de verzekeraars en verzekeringnemers, over aanzienlijke economische draagkracht kunnen beschikken.

39. Dienaangaande staat vast dat de Uniewetgever de verzekeringnemer en de verzekeraar op grond van hun economische draagkracht de mogelijkheid heeft geboden het bevoegde gerecht te kiezen, ook al wordt daarbij afgeweken van de beschermende bevoegdheidsregels van hoofdstuk II, afdeling 3, van verordening nr. 1215/2012. Zoals blijkt uit het in punt 34 van het onderhavige arrest genoemde rapport van P. Schlosser, werd verondersteld dat bij de aan partijen geboden mogelijkheid om af te wijken van de algemene bevoegdheidsregels in wat later verzekeringsovereenkomsten voor ‘grote risico’s’ zijn geworden, in aanmerking was genomen dat de betrokken vennootschappen, aangezien zij ondernemingen met economische draagkracht waren, als partijen bij de verzekeringsovereenkomst op voet van gelijkheid stonden en extra bescherming voor de zwakkere partij niet gerechtvaardigd was.

40. Uit die vaststelling kan evenwel niet worden afgeleid dat de economische draagkracht van de verzekerde en die van de verzekeraars en verzekeringnemers identiek of vergelijkbaar zijn. De vraag of een derde bij een verzekeringsovereenkomst die ‘grote risico’s’ dekt, kan worden beschouwd als degene die economisch gezien in de zwakste positie verkeert, hangt dus niet alleen af van de vraag of de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst valt onder de categorie van verzekeringsovereenkomsten die ‘grote risico’s’ dekken.

41. Derhalve dient te worden aangenomen dat de mogelijkheid om in verzekeringsovereenkomsten die ‘grote risico’s’dekken af te wijken van de algemene bevoegdheidsregels, alleen geldt in de verhouding tussen de partijen bij de overeenkomst en in de regel niet kan worden uitgebreid tot een verzekerde derde.

42. Het Hof heeft in dat verband reeds benadrukt dat een beoordeling per geval van de vraag of een persoon als een‘zwakke partij’ kan worden aangemerkt, een risico van rechtsonzekerheid zou doen ontstaan en in strijd zou zijn met de in overweging 15 van verordening nr. 1215/2012 opgenomen doelstelling volgens welke de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn (zie in die zin arrest van 20 juli 2017, MMA IARD, C-340/16, EU:C:2017:576, punt 34).

43. Die overweging geldt des te meer op het gebied van verzekeringsovereenkomsten die ‘grote risico’s’ dekken. Zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, zijn in artikel 13, punt 27, van richtlijn 2009/138 immers verschillende criteria vastgelegd die gezamenlijk moeten worden beoordeeld en die niet altijd systematisch worden toegepast. Die beoordeling kan diepgaande en potentieel ingewikkelde controles vergen, hetgeen in strijd is met de bedoeling om de bevoegdheidsregels voorspelbaar te maken.

44. Dat neemt niet weg dat uit de beschermingsdoelstelling die aan hoofdstuk II, afdeling 3, van verordening nr. 1215/2012 ten grondslag ligt, volgens vaste rechtspraak van het Hof voortvloeit dat de daarin vastgestelde bijzondere bevoegdheidsregels niet mogen worden uitgebreid tot personen die deze bescherming niet nodig hebben (zie in die zin arrest van 31 januari 2018, Hofsoe, C-106/17, EU:C:2018:50, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45. Hoewel daaruit volgt dat er geen bijzondere bescherming nodig is wanneer het gaat om betrekkingen tussen beroepsbeoefenaren in de verzekeringssector, die geen van allen kunnen worden geacht in een zwakkere positie te verkeren dan de anderen (arrest van 31 januari 2018, Hofsoe, C-106/17, EU:C:2018:50, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak), staat het vast dat de verzekerde derde, te weten Grifs, in casu geen beroepsbeoefenaar in de verzekeringssector is.

46. In die omstandigheden dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat artikel 15, punt 5, en artikel 16, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat het forumkeuzebeding in een tussen een verzekeringnemer en een verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst die ‘grote risico’s’ in de zin van laatstgenoemde bepaling dekt, niet kan worden tegengeworpen aan een uit hoofde van deze overeenkomst verzekerde persoon die geen beroepsbeoefenaar in de verzekeringssector is, niet met dit beding heeft ingestemd en zijn woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de verzekeringnemer en de verzekeraar.

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 27 februari 2020 in zaak C-803?18 (AAS ‘Balta’ tegen UAB ‘Grifs AG’), ECLI:EU:C:2020:123

Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven

Art. 77 Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) – Aanbieding restitutiepolissen -Beperking vergoeding zorgnota’s in strijd met art. 11 Zorgverzekeringswet (Zvw) en art. 2.2 Besluit zorgverzekering (Bzv) – Beleidsregel Toezichtkader Nederlandse Zorgautoriteit – Marktconforme tarieven – Redelijkheid tarief in verhouding tot de door overige zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten berekende bedragen – Handhaving met aanwijzing

De Nederlandse Zorgautoriteit (verweerster) heeft aan Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. en FBTO Zorgverzekeringen N.V. een aanwijzing opgelegd om per 1 maart 2020 ten aanzien van haar verzekerden met een restitutiepolis te stoppen met het automatisch en/of gestandaardiseerd afwijzen van het gedeelte van de declaratie dat boven het door haar berekende indicatieve bedrag uitkomt. Vanaf 1 maart 2020 dient in voorkomende gevallen door middel van een individuele beoordeling te worden aangetoond dat sprake is van een gedeclareerd bedrag dat niet in verhouding staat tot het door de overige zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten in rekening gebrachte bedrag. Zilveren Kruis en FBTO hebben beroep ingesteld tegen de aanwijzing. Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V. was aanvankelijk ook betrokken, maar haar beroep is door het College niet ontvankelijk verklaard.

In het beroep van Zilveren Kruis en FBTO tegen de aanwijzing komt het College tot het oordeel dat uit art. 11 Zvw, art. 2.2 Bvz en bijbehorende toelichtingen volgt, dat het uitgangspunt bij een restitutiepolis is dat de nota van de zorgaanbieder volledig wordt vergoed. Daarop bestaat slechts de uitzondering dat de zorgverzekeraar -in het geval dat een nota wordt ingediend die onredelijk hoog is- op het te vergoeden bedrag de kosten die hoger zijn dan in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is, in mindering moet brengen. De wetgever heeft daarmee willen voorkomen dat een zorgverzekeraar gehouden zou zijn om rekeningen te vergoeden die in geen enkel opzicht conform de geldende marktsituatie zijn. Het is niet in overeenstemming met art. 11 Zvw en art. 2.2 Bzv als een zorgverzekeraar zelf bij voorbaat maximale tarieven bepaalt en alle tarieven daarboven als ‘excessieve’ kosten afwijst. In de MvT bij art. 11 Zvw is expliciet overwogen dat wanneer de zorgverzekeraar bepaalde zorgvormen niet heeft gecontracteerd, hij niet zelf een maximum mag stellen aan de hoogte van het aan zijn verzekerden te restitueren bedrag. Het College is van oordeel dat dit evenzeer geldt wanneer de zorgverzekeraar een bepaalde zorgvorm wél heeft gecontracteerd, maar de verzekerde met een restitutiepolis zich om hem/haar moverende redenen voor een behandeling, waarvoor niet een door NZa vastgesteld maximumtarief geldt, tot een zorgverlener wendt die niet door zijn verzekeraar is gecontracteerd. Door een lijst met door henzelf vastgestelde bedragen als vast maximum te hanteren handelen Zilveren Kruis en FBTO in strijd met voornoemde bepalingen. Zilveren Kruis en FBTO gaan immers niet tot volledige vergoeding over als de ingediende nota een hoger bedrag betreft dan het door hen voor de betreffende behandeling vastgestelde (maximum)bedrag. Verweerster heeft in haar Beleidsregel een correcte uitleg aan art. 11 Zvw en art. 2.2, tweede lid, onder b, Bzv gegeven.

Het College overweegt daartoe:

7.2. Anders dan Zilveren Kruis en FBTO betogen, staat met het door hen gehanteerde systeem van berekening, waarbij de bedragen zodanig zijn vastgesteld dat dit ertoe leidt dat niet meer dan ongeveer 95% van de ingediende nota’s wordt vergoed, geenszins vast dat een ingediende nota die boven die bedragen uitkomt ‘excessief’ is. Zilveren Kruis en FBTO hebben niet aangetoond dat de 5% hoogste nota’s steeds als onredelijk hoog dienen te worden aangemerkt ten opzichte van de geldende marktsituatie en daarmee niet als marktconform, in de zin van art. 11 Zvw en art. 2.2, tweede lid, onder b Bzv. Het is immers mogelijk dat de 5% hoogste nota’s voor een bepaalde behandeling voor een deel of zelfs allemaal in een redelijke verhouding staan tot de overige nota’s voor die behandeling. Niet valt in te zien waarom dat uitgangspunt zou moeten leiden tot een ‘glijdende schaal’, waarbij zorgverzekeraars steeds hogere tarieven zouden moeten accepteren. Het College volgt ook niet het standpunt van Zilveren Kruis dat voor een bepaalde zorgvorm één marktconform tarief bestaat. In een functionerende markt zijn er meerdere zorgaanbieders die niet allemaal precies hetzelfde tarief voor een behandeling in rekening hoeven te brengen. Zolang die tarieven onderling geen onredelijke verschillen vertonen, kunnen zij alle marktconform zijn. Daarom faalt ook het beroep van Zilveren Kruis en FBTO op het gelijkheidsbeginsel dat zij stellen in acht te moeten nemen. Alleen tarieven die onredelijk hoog zijn in verhouding tot de overige tarieven zijn dat niet. Voor de door Zilveren Kruis en FBTO beleden opvatting dat de door hen berekende tarieven als maximumtarieven moeten worden aangemerkt voor de toepassing van art. 2.2, tweede lid, onder b, Bzv, waarboven elk notabedrag automatisch als ‘excessief’ moet worden aangemerkt, ontbreekt elke grondslag.

7.3. Uit de Memorie van Toelichting bij de Zvw blijkt dat wanneer een zorgverzekeraar een deel van een voor vergoeding ingediende nota niet wenst te vergoeden omdat het gedeclareerde tarief volgens de zorgverzekeraar in redelijkheid niet passend is in de in Nederland gebruikelijke marktomstandigheden, de zorgverzekeraar moet aantonen dat de ‘(…) voor vergoeding ingediende rekening in een individueel geval onredelijk hoog is’. Het College acht de uitleg van verweerster dat hieruit volgt dat per declaratie dient te worden beoordeeld of deze excessief is en dat ook per declaratie die niet volledig wordt vergoed, dient te worden gemotiveerd waarom deze niet volledig wordt vergoed, niet onjuist. Zilveren Kruis gaat er ten onrechte vanuit dat met ‘in een individueel geval’ slechts wordt bedoeld dat een zorgverzekeraar rekening voor rekening moet beoordelen. Het gaat er om dat per rekening wordt beoordeeld of deze onredelijk hoog is in verhouding tot de door overige zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten berekende bedragen (cursivering toegevoegd door het College). Zoals hiervoor reeds overwogen, is het College van oordeel dat het enkele feit dat een nota behoort tot de 5% hoogste zorgnota’s niet automatisch betekent dat sprake is van een excessief hoge nota.

7.4. Nu Zilveren Kruis en FBTO in strijd met art. 11 Zvw en art. 2.2 Bzv hebben gehandeld, moet worden geoordeeld dat verweerster bevoegd was om tot handhaving over te gaan. De hiertegen gerichte beroepsgrond faalt.

7.5. Het College is ten slotte van oordeel dat Zilveren Kruis en FBTO niet aannemelijk hebben gemaakt dat de aanwijzing ex art. 77 Wmg niet uitvoerbaar zou zijn. Deze tegen de inhoud van de aanwijzing gerichte beroepsgrond faalt eveneens. Het College wijst erop dat de aanwijzing niet inhoudt dat alle ingediende nota’s dienen te worden beoordeeld. Het gaat slechts om de nota’s die op het eerste gezicht mogelijk excessief zijn. Niet valt in te zien waarom het niet uitvoerbaar zou zijn om ten aanzien van die nota’s te beoordelen of deze inderdaad, in verhouding tot de door overige zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten in rekening gebrachte bedragen, excessief zijn.

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van Avéro niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De beroepen van Zilveren Kruis en FBTO zijn ongegrond.

Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven van 28 juli 2020, zaaknr. 20/362 (Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V – inclusief het label ProLife -, FBTO Zorgverzekeringen N.V. en Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V. tegen de Nederlandse Zorgautoriteit), ECLI:NL:CBB:2020:489

Rechtspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Beroep tegen het Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid tot goedkeuring van de wijzigingen van de pensioenreglementen van de Stichting Notarieel Pensioenfonds (Stcrt. 2015, 45751) – art. 113a en 113c Wet op het Notarisambt – art. 11, 20, 23 en 119 Wet verplichte beroepspensioenregeling – verschillende pensioenregelingen binnen één beroepsgroep toegestaan – art. 12

Wet verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds – representativiteitstoets – verbod ‘ringfencing’

Een oud-notaris heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid tot goedkeuring van de wijzigingen van de pensioenreglementen van de rechtsvoorganger van de Stichting Pensioenfonds Notariaat (SPN). Behoudens enkele beslissingen over formele geschilpunten bevat deze uitspraak van de Afdeling de volgende overwegingen met betrekking tot haar oordeel over de rechtsgeldigheid van het ministerieel besluit:

10.1. Door het goedkeuringsbesluit zijn voor zelfstandige notarissen en notarissen in loondienst verschillende pensioenregelingen tot stand gekomen. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de toepasselijke regelgeving zich hier niet tegen verzet. De vraag of zelfstandige notarissen en notarissen in loondienst al dan niet tot dezelfde beroepsgroep moeten worden gerekend kan hierbij in het midden blijven. Als de zelfstandige notarissen en notarissen in loondienst elk een eigen beroepsgroep vormen, dan mag voor elke groep notarissen een eigen pensioenregeling worden vastgesteld. Dat is niet anders als de zelfstandige notarissen en notarissen in loondienst samen één beroepsgroep vormen. Art. 23 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) laat ruimte voor de mogelijkheid dat binnen één beroepsgroep verschillende pensioenregelingen worden vastgesteld. Gelet op de tekst van deze bepaling en de toelichting in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wvb (Kamerstukken II, 1968-1969, 10216, nr. 3) is met dit artikel niet meer beoogd dan dat voor alle deelnemers aan één pensioenregeling dezelfde doorsneepremies gelden. In de door de rechtbank aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis ziet Afdeling geen aanleiding om hier anders over te oordelen. In die passages wordt uitgegaan van de in de Wvb geregelde situatie, waarbij een beroepspensioenregeling verplicht wordt gesteld in een besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van de Wvb. Notarissen zitten in een andere situatie. Zij zijn verplicht om pensioen op te bouwen door deelname aan een pensioenfonds. Die verplichting vloeit niet voort uit een op grond van de Wvb genomen besluit, maar rechtstreeks uit art. 113a, eerste lid, van de Wet op het Notarisambt (Wna). De Wvb is slechts van toepassing voor zover het gaat om de bepalingen die in art. 113c, eerste lid, van de Wna van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Enkele van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen bieden bovendien aanknopingspunten voor het oordeel dat het is toegestaan om meerdere beroepspensioenregelingen binnen één beroepsgroep te hanteren. Zo staat in art. 20, derde lid, van de Wvb dat een beroepspensioenregeling beperkt kan zijn tot een deel van een beroepsgroep. Als een beroepspensioenregeling beperkt kan zijn tot een gedeelte van een beroepsgroep, moet het voor het andere deel van de beroepsgroep mogelijk zijn een aparte pensioenregeling te treffen. In art. 119 van de Wvb wordt de mogelijkheid dat een beroepspensioenfonds meerdere beroepspensioenregelingen uitvoert uitdrukkelijk genoemd. Van belang is voorts dat art. 20, eerste lid, van de Wvb, waarin is bepaald dat een beroepspensioenregeling in overwegende mate is bestemd voor zelfstandig werkende beroepsgenoten in art. 113c, eerste lid, van de Wna niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Die bepaling geldt dan ook niet voor de pensioenopbouw van notarissen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het goedkeuringsbesluit in strijd met art. 23 van de Wvb is genomen.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van de oud-notaris tegen het besluit van de Minister ongegrond. Daarbij overweegt de Afdeling nog met betrekking tot enige grieven van de oud-notaris het volgende:

13.1. Voor de vaststelling en wijziging van de pensioenregelingen van de SPN is geen representativiteitstoets nodig. Art. 12 van de Wet verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds 2000 is namelijk niet van toepassing. Ook art. 11 van de Wvb, waarin een representativiteitstoets is voorgeschreven, is niet van toepassing. Art. 11 van de Wvb wordt in art. 113c van de Wna niet genoemd en is dus niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor zover appellant heeft betoogd dat het notariaat ten onrechte is uitgezonderd van de representativiteitstoets valt dit buiten de omvang van het geding. Dit kan daarom niet aan de orde komen.

13.2. Het verbod op ‘ringfencing’ is een verbod voor een beroepspensioenfonds om bij de uitvoering van verschillende pensioenregelingen gescheiden vermogens aan te houden. Dit verbod vloeit ook voort uit art. 119 van de Wvb, waarin is bepaald dat de beroepspensioenregelingen die een beroepspensioenfonds uitvoert financieel één geheel vormen. Art. 119 is in art. 113c, eerste lid, van de Wna van overeenkomstige toepassing verklaard voor de pensioenregelingen van de SPN. De SPN voldoet aan de bepaling van art. 119, omdat de pensioenregelingen uit één fonds worden gefinancierd.

Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 2020, zaaknr. 201905634/1/A3 (oud-notaris X tegen de Minister van Justitie en Veiligheid), ECLI:NL:RVS:2020:948