Het Verzekerings-Archief (95, nr. 4): jurisprudentie Europees Hof, Hoge Raad en College van Beroep voor het Bedrijfsleven

De rubriek Juridisch uit Het Verzekerings-Archief biedt een overzicht van alle verzekeringsrechtspraak, regelgeving en literatuur. Hieronder publiceren we de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Hoge Raad en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven uit nummer 04 van jaargang 95.
Delen:

Rechtspraak Hof van Justitie van de Europese Unie

Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Richtlijn 2004/39/EG – Art. 54, lid 1 – Omvang van de verplichting van de nationale financiële toezichthoudende autoriteiten om het beroepsgeheim te eerbiedigen – Begrip ‘vertrouwelijke gegevens’

In deze zaak gaat het om de uitleg van een richtlijnbepaling betreffende het beroepsgeheim van publieke toezichthouders op beleggingsinstellingen die nagenoeg identiek is aan die voor toezichthouders op verzekeraars. Art. 64 Richtlijn Solvabiliteit II schrijft voor dat de lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de toezichthoudende autoriteiten, alsmede accountants en deskundigen die in opdracht van deze autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen, mogen vertrouwelijke gegevens waarvan deze personen beroepshalve kennis krijgen, aan geen enkele persoon of autoriteit worden bekendgemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm zodat individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet kunnen worden geïdentificeerd. Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke beslissing in liquidatie verkeert, mogen evenwel vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen om de onderneming te redden, in het kader van burgerrechtelijke of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt. Ook mag de toezichthouder ingevolge art. 68 informatie uitwisselen met onder meer instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van verzekeringsondernemingen of herverzekeringsondernemingen en bij andere soortgelijke procedures, en met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen belaste personen. De bedoelde informatie mag ook tussen verschillende lidstaten worden uitgewisseld. De door deze autoriteiten, instanties en personen ontvangen informatie valt evenwel onder de in art. 64 neergelegde geheimhoudingsplicht.

In de onderhavige zaak overweegt het Hof dat volgens vaste rechtspraak uit het vereiste van een eenvormige toepassing van het Unierecht voortvloeit dat indien een bepaling van dit recht voor een specifiek begrip niet verwijst naar het recht van de lidstaten, dit begrip normaal gesproken in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd. Bij deze uitlegging moet rekening worden gehouden met de bewoordingen en de context van de betreffende bepaling, alsook met de doelstelling van de regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 19 december 2013, Fish Legal en Shirley, C‐279/12, EU:C:2013:853, punt 42, en 16 juli 2015, A, C‐184/14, EU:C:2015:479, punten 31 en 32). Wat de bewoordingen van het artikel over het beroepsgeheim betreft, impliceert de omstandigheid dat daarin herhaaldelijk wordt verwezen naar ‘vertrouwelijke gegevens’ en niet in algemene zin naar ‘gegevens’, dat ten aanzien van de gegevens die de bevoegde autoriteiten in verband met de uitvoering van hun taken bezitten, onderscheid moet worden gemaakt tussen vertrouwelijke gegevens en andere, niet-vertrouwelijke gegevens. Wat de context van het artikel en de doelstellingen van de richtlijn betreft, merkt het Hof op dat beoogd is een zodanige harmonisatie te bewerkstelligen dat de ontvangers van de diensten een hoog niveau van bescherming wordt geboden en dat ondernemingen in staat zijn overal in de Unie diensten te verrichten op basis van het toezicht dat wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst (arrest van 12 november 2014, Altmann e.a., C‐140/13, EU:C:2014:2362, punt 26). Voor een doeltreffende werking van dit systeem van controle op de activiteiten van ondernemingen – dat gebaseerd is op het toezicht dat binnen een lidstaat wordt uitgeoefend en op de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten – is derhalve vereist dat zowel de onder toezicht staande ondernemingen als de bevoegde autoriteiten er zeker van kunnen zijn dat de verstrekte vertrouwelijke inlichtingen in beginsel vertrouwelijk blijven (arrest van 12 november 2014, Altmann e.a., C‐140/13, EU:C:2014:2362, punt 31). De verplichting om het beroepsgeheim te eerbiedigen wordt dan ook in de richtlijn als algemene regel opgelegd om niet alleen de specifieke belangen van de rechtstreeks betrokken ondernemingen, maar ook het algemene belang bij de normale werking van de markten van de Unie te beschermen (zie in die zin arrest van 12 november 2014, Altmann e.a., C‐140/13, EU:C:2014:2362, punt 33). Gelet op de voorgaande overwegingen kan noch uit de bewoordingen of de context van het artikel noch uit de doelstellingen van de richtlijn worden afgeleid dat alle gegevens die betrekking hebben op de onder toezicht staande onderneming en die door deze onderneming zijn verstrekt aan de bevoegde autoriteit, alsook alle verklaringen van deze autoriteit die zich in haar toezichtdossier bevinden, daaronder begrepen haar correspondentie met andere instanties, noodzakelijkerwijs moeten worden geacht vertrouwelijk te zijn. Uit diezelfde overwegingen vloeit veeleer voort dat het algemene verbod om vertrouwelijke gegevens openbaar te maken, dat in het artikel is neergelegd, betrekking heeft op bij de bevoegde autoriteiten berustende gegevens die, ten eerste, niet openbaar zijn en waarvan, ten tweede, de openbaarmaking afbreuk dreigt te doen aan de belangen van de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt, aan de belangen van derden of aan de goede werking van het door de Uniewetgever met de vaststelling van de richtlijn ingevoerde systeem van controle. Ten slotte benadrukt het Hof dat het artikel enkel tot doel heeft de bevoegde autoriteiten te verplichten in beginsel de openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens in de zin van deze bepaling te weigeren, zodat de lidstaten vrij blijven te besluiten om de bescherming tegen openbaarmaking uit te breiden tot de volledige inhoud van de toezichtdossiers van de bevoegde autoriteiten, of omgekeerd om het mogelijk te maken dat toegang wordt verleend tot gegevens die berusten bij de bevoegde autoriteiten en die geen vertrouwelijke gegevens in de zin van die bepaling zijn. In casu staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van alle voorgaande overwegingen na te gaan of de gegevens waarover de autoriteit voor het toezicht op financiële dienstverlening beschikt en waarvan de openbaarmaking is gevraagd, vallen onder de krachtens het onderhavige richtlijnartikel op die autoriteit rustende verplichting om het beroepsgeheim te eerbiedigen.

Hof van Justitie van de Europese Unie (Grote Kamer), arrest van 19 juni 2018, zaak C-15/16 (Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht tegen Ewald Baumeister), ECLI:EU:C:2018:464

Prejudiciële verwijzing – Depositogarantiestelsels – Richtlijn 94/19/EG – Art. 1, punt 3, onder i) – Art. 10, lid 1 – Begrip ‘niet-beschikbaar deposito’ – Aansprakelijkheid van een lidstaat voor door particulieren geleden schade als gevolg van schendingen van het Unierecht – Voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht – Procedurele autonomie van de lidstaten – Beginsel van loyale samenwerking – Art. 4, lid 3, VEU – Gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel

Art. 1, punt 3, onder i), van richtlijn 94/19, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/14, heeft rechtstreekse werking en is een rechtsregel die beoogt rechten toe te kennen aan particulieren, zodat deposanten een beroep kunnen instellen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de te late uitbetaling van de deposito’s. Het staat volgens het Hof aan de verwijzende rechter om na te gaan of het achterwege blijven van de vaststelling van niet-beschikbaarheid van de deposito’s binnen de in deze richtlijn bepaalde termijn van 5 werkdagen, hoewel de duidelijk omschreven voorwaarden van die bepaling waren vervuld, in omstandigheden als die van het hoofdgeding een voldoende gekwalificeerde schending in de zin van het Unierecht oplevert, alsook om na te gaan of er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen die schending en de door een deposant als Nikolay Kantarev geleden schade. Art. 4, lid 3, VEU en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, gelet op het ontbreken van een specifieke procedure in Bulgarije om deze lidstaat aansprakelijk te kunnen stellen voor schade die voortvloeit uit een schending van het Unierecht door een nationale autoriteit, verzetten tegen een nationale regeling die het recht van particulieren om schadevergoeding te verkrijgen afhankelijk stelt van de aanvullende voorwaarde dat de betrokken nationale autoriteit de schade opzettelijk heeft veroorzaakt. Art. 4 en genoemde beginselen verzetten zich evenwel niet tegen een nationale regeling die het recht van particulieren om schadevergoeding te verkrijgen afhankelijk stelt van de verplichting voor de particulier om het bestaan van schuld te bewijzen, voor zover het begrip ‘schuld’ niet verder gaat dan het begrip ‘voldoende gekwalificeerde schending’, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan. Vanwege het toezichthoudersdilemma en de internationale context waarin zij opereren is in Nederland eveneens een expliciete wettelijke beperking van de aansprakelijkheid voor de toezichthoudende taken van DNB en AFM neergelegd in art. 1:25d Wft. Dit arrest onderstreept de juistheid van de opmerking van Van Ardenne-Dick in haar commentaar bij genoemd artikel in T&C Verzekeringsrecht (6e druk) dat denkbaar is dat deze beperking in een concreet geval verder gaat dan volgens Unierecht is toegestaan. Door dit arrest is nu in beginsel vastgesteld dat art. 1:25d Wft buiten toepassing moet worden gelaten wanneer DNB of AFM een schadetoebrengende (rechts)handeling verrichten die in strijd is met Unierecht. Zij zijn dan aan het algemene aansprakelijkheidsregime onderworpen. Uit de toelichting volgt dat art. 1:25d lid 1 Wft ziet op al het handelen en nalaten van DNB en AFM dat rechtstreeks dan wel voldoende inhoudelijk met de uitoefening van haar wettelijke taken en bevoegdheden verband houdt, waaronder het nemen van bestuursrechtelijke besluiten. Zie over dit handelingsbegrip nog: HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:309.

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 4 oktober 2018, zaak C-571/16 (Nikolay Kantarev tegen Balgarska Narodna Banka), ECLI:EU:C:2018:807


Rechtspraak Hoge Raad

Uitleg en bewijslastverdeling uitsluitingsclausule voor constructiefouten in opstalverzekering

Verzekerde heeft zijn bedrijfspand verzekerd bij verzekeraars door middel van een Nederlandse Beurspolis voor Uitgebreide Gevaren (NBUG). In de polis is schade door constructiefouten van dekking uitgesloten. Het bedrijfs-pand is in november 2005 ingestort nadat extreme sneeuwval was opgetreden. De verzekeraars hebben uitkering onder de polis geweigerd op de grond dat de instorting het gevolg zou zijn van een constructiefout. De verzekerde meent dat er geen sprake was van een constructiefout en start een procedure. De rechtbank wijst de vordering tot uitkering onder de polis af.

In hoger beroep gaat het hof eerst in op de bewijslastverdeling. Als uitgangspunt geldt dat de verzekeraars op grond van de polis bij het verlies van het bedrijfspand als gevolg van sneeuw tot uitkering zijn gehouden. De verzekeraars hebben zich echter beroepen op clausule in de polis op grond waarvan schade door constructiefouten is uitgesloten. Dit betekent dat de verzekeraars de bewijslast en het bewijsrisico dragen van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat het instorten van het bedrijfspand het gevolg is geweest van een constructiefout. Indien het door de verzekeraars aangedragen bewijs vervolgens door tegenbewijs van de zijde van verzekerde wordt ontzenuwd, zijn de verzekeraars er niet in geslaagd de grondslag van hun (zelfstandig bevrijdende) verweer te bewijzen en dienen de verzekeraars tot uitkering over te gaan.

Vervolgens brengt het hof naar voren dat, alvorens toe te komen aan de vraag of het bedrijfspand is ingestort als gevolg van een constructiefout, dient te worden beoordeeld hoe de term constructiefout in de polis moet worden uitgelegd. Het hof volgt het oordeel van de rechtbank dat een geobjectiveerde Haviltex-norm moet worden toepast. Dit betekent dat in verband met alle omstandigheden van het concrete geval en met name de overige bepalingen van de polis en de gebruiken in de branche op dit punt, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, de bewoordingen van de bepaling van doorslaggevende betekenis zijn. Van belang is hier dat in de tekst van de desbetreffende polisbepaling de term constructiefout zonder nadere concretisering is opgenomen. Volgens normaal spraakgebruik ziet de term constructiefout niet alleen op ontwerpfouten maar ook op fouten in de constructie als gevolg van uitvoeringsfouten. De conclusie is dan ook dat voor de door de verzekerde voorgestane beperkte uitleg geen aanleiding bestaat. Dat betekent dat zowel fouten van de constructeur als ook fouten in de uitvoering van de constructie onder de werking van de uitzonderingsbepaling vallen.

Daarna wordt door het hof overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of uit de rapporten van de door de rechtbank benoemde deskundigen en de door de verzekeraars ingebrachte rapporten afdoende blijkt dat van een constructiefout moet worden gesproken, dient steeds voor ogen te worden gehouden dat niet de verzekerde behoeft aan te tonen dat het instorten niet het gevolg is geweest van een constructiefout, maar dat op de verzekeraars de bewijslast rust dat het instorten van de bedrijfshal wél het gevolg is geweest van een constructiefout. Naar het oordeel van het hof hebben verzekeraars het op hen rustende bewijs niet geleverd. Bij de door de verzekeraars ingebrachte rapporten evenals de rapporten van de rechtbankdeskundigen over de aanwezigheid van een constructiefout kunnen, gelet op de rapporten van deskundige Blaauwendraad volgens het hof dusdanig veel vraagtekens worden geplaatst dat dit bewijs niet geacht wordt te zijn geleverd. Tevens heeft geen van de rechtbankdeskundigen expliciet geconcludeerd dat het ontwerp van het door bedrijfspand was behept met een constructiefout. In cassatie houdt dit oordeel van het hof stand (met een beroep op art. 81 RO).

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2261

Aansprakelijkheid verzekeringstussenpersoon

Verzekerde heeft via haar assurantietussenpersoon Rabobank een opstalverzekering met betrekking tot een bedrijfshal afgesloten bij Interpolis. In 2004 is bij het uitvoeren van dakbedekkingswerkzaamheden brand uitgebroken en is de bedrijfshal volledig verwoest. Verzekerde vordert uitkering onder de opstalverzekering maar de verzekeraar weigert uitkering. In de opstalverzekering is een leegstandclausule opgenomen. Deze clausule luidt: “Zodra het gebouw voor bedrijfsdoeleinden in gebruik wordt genomen, dient de maatschappij hiervan onmiddellijk in kennis te worden gesteld om het risico opnieuw te beoordelen en eventueel premie en/of voorwaarden te herzien.” De verzekeraar doet een beroep op schending van deze leegstandclausule. De bedrijfshal was in gebruik genomen, terwijl dit niet aan de verzekeraar was gemeld.

Verzekerde heeft vervolgens haar assurantietussenpersoon Rabobank aansprakelijk gesteld voor (de schade als gevolg van) de tekortkomingen in de nakoming van de op Rabobank rustende zorgplicht en gevorderd dat Rabobank wordt veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen en geoordeeld dat Rabobank haar zorgplicht inderdaad heeft geschonden en jegens verzekerde schadeplichtig is. Het is de taak van de assurantietussenpersoon te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Hierbij hoort ook dat de assurantietussenpersoon erop toeziet dat de desbetreffende verzekeringen in beginsel de daarmee beoogde dekking blijven bieden. De omstandigheden van het geval hadden de tussenpersoon op basis van haar wetenschap van, althans inzicht in, de (bedrijfsmatige) activiteiten van verzekerde tot controle en wijziging/aanpassing van de opstalpolis op het punt van de leegstandclausule moeten brengen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van verzekerde (art. 6:101 BW). Dat verzekerde niet zelf de ingebruikname aan de tussenpersoon of de verzekeraar heeft meegedeeld, kan Rabobank volgens het hof niet baten. De taak en zorgplicht van Rabobank als assurantietussenpersoon houden nu juist in dat zij dient te waken voor de belangen van verzekeringnemer en dat zij zich in dat verband ervan vergewist dat de verzekeringnemer de nodige informatie verstrekt en, indien zij niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover zij beschikt nog volledig en juist zijn, zij daarnaar bij verzekeringnemer informeert. Rabobank diende verzekeringnemer op zijn minst van tijd tot tijd erop te attenderen om relevante wijzigingen ten aanzien van het gebruik van het bedrijfspand aan haar te melden en zij diende daar ook actief naar te vragen. Dat heeft Rabobank niet, althans onvoldoende, gedaan. De omstandigheid dat verzekeringnemer niet zelf bij Rabobank heeft gemeld dat het pand in gebruik is genomen, kan verzekeringnemer in de verhouding tot Rabobank dan ook niet worden toegerekend en leidt niet tot een vermindering van de vergoedingsplicht van Rabobank.

Voorts kan volgens het hof niet in verband met de dakbedekkingswerkzaamheden door de twee betrokken dakdekkers worden gezegd dat de verzekeringnemer merkelijke schuld aan het ontstaan van de brand kan worden verweten en dat de verzekeraar in verband daarmee dekking kunnen ontzeggen. De dakdekkers waren volgens Rabobank niet gekwalificeerd. Het Hof overweegt echter dat een relatief klein werk betrof. Voorts stond vast dat de twee medewerkers van de sociale werkplaats die de werkzaamheden hebben uitgevoerd jarenlange ervaring hadden met het uitvoeren van dakbedekkingswerkzaamheden. Daarbij beschikten beiden over een VCA (veilig werken) certificaat en hadden zij ook ervaring met andere brandgevaarlijke werkzaamheden, zoals laswerkzaamheden en reparatie van gasleidingen. Dat verzekeringnemer dit werk heeft laten uitvoeren door deze twee dakdekkers levert, aldus het hof, onder deze omstandigheden geen merkelijke schuld op.

In cassatie concludeert de A-G tot verwerping van het cassatieberoep en de Hoge Raad volgt dit met een beroep op art. 81 RO.

HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2385

Rechtspraak Centrale Raad van Beroep

Intrekking WIA-uitkering onzorgvuldig voorbereid wegens onderzoek door een niet-geregistreerde verzekeringsarts. – Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten – Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid niet kan worden aanvaard dat het medisch onderzoek zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase wordt verricht door een arts, niet zijnde een geregistreerde verzekeringsarts.

Aan X was op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Bij een herkeuring is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%. X heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken, zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase in strijd met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, niet door verzekeringsartsen maar door basisartsen zijn verricht. Ondertekening van een door een basisarts opgesteld rapport door een verzekeringsarts maakt dit niet anders, temeer nu de verzekeringsartsen niet aanwezig waren tijdens de onderzoeken en derhalve niet hebben kunnen toetsen of het onderzoek conform de verzekeringsgeneeskundige protocollen en richtlijnen heeft plaatsgevonden. De rechter overweegt dat gelet op de uitspraken van 18 juli 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA9904, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9908, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9909 en ECLI:NL:CRVB:2007:BA9910) de kwaliteit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende is gewaarborgd indien dit geschiedt door een verzekeringsarts in opleiding. Dit gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerde arts. Vastgesteld wordt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de primaire fase is verricht door een arts Sociaal Medische Zaken, niet zijnde een geregistreerde verzekeringsarts. Het door deze arts opgestelde rapport vermeldt dat het sociaal medisch oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat de rechtspraak inhoudt dat deze handelwijze in de primaire fase niet in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid als het ervoor gehouden kan worden dat die verzekeringsarts in zijn hoedanigheid als mentor van de niet-geregistreerde arts het rapport met zijn handtekening voor zijn rekening heeft genomen. De rechter stelt evenwel vast dat in dit geval het verslag niet is medeondertekend door de verzekeringsarts. Tevens wordt vastgesteld dat ook in bezwaar het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een arts, niet zijnde een geregistreerde verzekeringsarts. Daarmee ligt de vraag voor of het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. In lijn met de uitspraak van 18 juli 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA9905) wordt overwogen dat het bij een (her)beoordeling van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA, zoals hier aan de orde, vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid niet kan worden aanvaard dat het medisch onderzoek zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase wordt verricht door een arts, niet zijnde een geregistreerde verzekeringsarts. Dit betekent dat moet worden geconcludeerd dat het medisch onderzoek van X niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht. Dit gebrek is niet hersteld met het toetsen en akkoord bevinden van de medische heroverweging door medeondertekening door een geregistreerde verzekeringsarts in bezwaar en beroep. Deze toets, zo volgt uit de toelichting van de gemachtigde van het UWV ter zitting, omvat slechts een beoordeling van het rapport op hoofdlijnen, waarbij wordt getoetst of de inhoud logisch en consistent is, waarna op een (digitale) knop wordt gedrukt om het dossier te archiveren. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd.

Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 13 december 2018, zaak 16/6383 WIA (X tegen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen –UWV-), ECLI:NL:CRVB:2018:4018

Art. 20, 24 en 27 Verordening (EG) 883/2004, art. 26 Verordening (EG) 987/2009, art. 69 Zorgverzekeringswet- weigering vergoeding van niet wettelijk verzekerde ziektekosten verleend door zorgverlener in BRD aan Zvw-verzekerde van in Nederland gevestigde verzekeraar wonend in België – nalaten vereiste voorafgaand verzoek om toestemming verzekeraar

X woonde in België en ontving een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Hij was aangemerkt als verdragsgerechtigde als bedoeld in art. 69 van de Zorgverzekeringswet. Ten tijde in geding had X op grond van art. 24 van Verordening (EG) nr. 883/2004 recht op zorg in België ten laste van Nederland. X leed aan pancreaskanker. Wegens de snelle achteruitgang en complicaties na behandeling in België, heeft de familie op contact gezocht met de universiteitskliniek in Frankfurt, Duitsland. In dat ziekenhuis kon, anders dan in België en in Nederland, een lokale chemotherapie (chemo embolisatie) bij pancreaskanker worden gegeven. Al na een dag kreeg de familie bericht dat X daar voor behandeling terecht kon. Drie dagen later heeft een gesprek in het ziekenhuis plaatsgevonden en vanaf de dag daarna heeft X vier behandelingen ondergaan. X heeft nadien de rekeningen van de chemo embolisatie en medicijnen ingediend bij CAK. Het CAK heeft het verzoek om vergoeding van de medische kosten in Duitsland afgewezen, omdat er sprake was van geplande zorg en vooraf geen toestemming was gevraagd voor behandeling. De rechter in hoger beroep is van oordeel dat het CAK het verzoek om vergoeding van de medische kosten in Duitsland terecht heeft afgewezen. Bij de behandelingen waarvoor vergoeding is gevraagd, was sprake van geplande zorg in de zin van art. 20 van Vo 883/2004. Nu sprake was van geplande zorg buiten de woon- en pensioenstaat moet volgens art. 20 van Vo 883/2004 in verbinding met de art. 27, derde lid, van Vo 883/2004 en art. 26 van Verordening (EG) nr. 987/2009 de in die bepalingen neergelegde toestemmingsprocedure worden gevolgd. Een van de weigeringsgronden is dat de gevraagde toestemming betrekking heeft op een behandeling die niet valt onder de wettelijke verzekering van het woonland en/of de lidstaat van verblijf. De behandelingen waarvoor vergoeding is gevraagd, vielen in ieder geval ten tijde in geding niet onder de wettelijk verzekerde zorg in België, Duitsland en Nederland.

Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 20 december 2018, zaak 17/2210 ZVW (X tegen CAK), ECLI:NL:CRVB:2018:4215

Regelgeving

Consumentenrecht

Participatie consumenten in beleidsvorming door de EU
Op 19 mei 2017, met toepassing van 1 mei 2017 tot en met 31 december 2020, is in werking getreden Verordening (EU) 2017/826 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van een programma van de Unie ter ondersteuning van specifieke activiteiten om consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten meer te betrekken bij de beleidsvorming van de Unie op het gebied van financiële diensten voor de periode 2017-2020. De Unie, aldus de considerans van deze verordening, draagt ertoe bij een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, en draagt bij tot het centraal stellen van de consumenten op de interne markt, door ondersteuning en aanvulling van het beleid van de lidstaten, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de burgers ten volle profijt kunnen trekken van de interne markt en dat hun juridische en economische belangen daardoor terdege worden aangepakt en verdedigd. Een goed werkende en betrouwbare financiëledienstensector is een fundamenteel onderdeel van de interne markt en het grensoverschrijdende vermogen ervan. Dit vergt een solide kader voor regelgeving en toezicht, dat tegelijk financiële stabiliteit waarborgt en een duurzame economie ondersteunt. Tegelijkertijd moet een goed werkende en betrouwbare financiëledienstensector voorzien in een hoog niveau van bescherming voor consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten, met inbegrip van onder meer verzekeringspolishouders, leden en begunstigden van pensioenfondsen, en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). Sinds 2007 heeft de financiële en economische crisis het vertrouwen van eindgebruikers van financiële diensten, met name van consumenten, sterk gehavend. Om hun vertrouwen in de soliditeit van de financiële sector te herstellen en bij te dragen aan de best practices ervan, is het derhalve van belang de mate van actieve deelname en betrokkenheid van de genoemde consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten, alsook van hun belangenbehartigers, bij beleidsvorming van de Unie en andere relevante multilaterale beleidsvorming in de financiële sector te vergroten. Met die doelen voor ogen startte de Commissie eind 2011 een proefproject op, gericht op het verlenen van subsidies om de ontwikkeling van een financieel expertisecentrum ten behoeve van consumenten, andere eindgebruikers en hun belangenbehartigers te ondersteunen, om hun meer mogelijkheden te bieden om deel te nemen aan de beleidsvorming van de Unie op het gebied van financiële diensten. Als voornaamste beleidsdoelstellingen moesten de beleidsmakers van de Unie andere standpunten te horen krijgen dan die van de financiële sector bij het voorbereiden van nieuw Unierecht, moesten de belangen van consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten in nieuw Unierecht in aanmerking worden genomen, moest het brede publiek beter worden geïnformeerd over vraagstukken op het gebied van financiële regelgeving, met een verbetering van de financiële geletterdheid tot gevolg, en moesten consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten actiever deelnemen aan de beleidsvorming van de Unie op het gebied van financiële diensten, met evenwichtig Unierecht als resultaat. Gelet op de goede resultaten van het proefproject, beoogt de onderhavige verordening de ondersteunende activiteiten en de subsidiëring ervan voort te zetten voor een periode van vier jaar op basis van een vastgesteld programma. Een van de begunstigden is Finance Watch, een non-profitorganisatie die zich inzet voor de belangen van onder meer kopers van verzekeringen en pensioenfondsproducten.

PbEU 2017, L 129/17


Verzekeringstoezicht (algemeen)

Bekostiging toezicht
Met ingang van 1 januari 2019 is in werking getreden de Wet van 17 oktober 2018, houdende regels met betrekking tot de begroting en verantwoording van de kosten van het toezicht van de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank en de financiering van de toezichtkosten (Wet bekostiging financieel toezicht 2019). Door deze wet wordt de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft) vervangen. De aanleiding hiervoor is de vijfjaarlijkse evaluatie van de kostenverdeling over de onder toezicht staande (rechts)personen. Deze evaluatie heeft in 2017 plaatsgevonden, met als uitkomst dat de kostenverdeling aanpassing behoeft. Tevens is gebleken dat de oude wet onvoldoende beantwoordde aan de behoefte van toezichthouders en ondertoezichtstaanden om noodzakelijke wijzigingen tijdig door te voeren. In de opzet van de nieuwe wet zijn de begrotings- en verantwoordingcyclus en de uitgangspunten voor de doorberekening van de kosten van de toezichthouders op wetsniveau geregeld. De uitwerking van de vergoeding van deze kosten is bij lagere regelgeving vastgesteld. Bij die uitwerking wordt een onderscheid gemaakt tussen de vergoeding van de kosten voor eenmalige handelingen en de kosten van het doorlopend toezicht. Zie Kamerstukken 34 870.

Stb. 2018, 409 en 458


Wijzigingswet en Wijzigingsbesluit financiële markten 2018
Met uitzondering van art. I, onderdeel Ga, is met ingang van 1 januari 2019 in werking getreden de Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2018). Twee wijzigingen zijn voor de verzekeringssector van belang. Ten eerste informatie-uitwisseling tussen de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Beide toezichthouders zijn bevoegd om op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) toezicht te houden. De ACM houdt toezicht op onder andere de naleving van de bepalingen omtrent algemene voorwaarden, koop op afstand en colportage. Zij is niet bevoegd als de inbreuk betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit. De AFM is dan de bevoegde autoriteit. Om dit toezicht goed vorm te kunnen geven is het nodig dat met name de AFM gegevens, die zij verkrijgt in het kader van haar toezicht op grond van de Wft en die relevant zijn voor het toezicht van de ACM op grond van de Whc, aan de ACM kan verstrekken. Ten tweede is relevant met name voor assurantiekantoren de wijziging met betrekking tot het gebruik van het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties door de AFM. Het houden van toezicht op de naleving van de vakbekwaamheidseisen, opgenomen in art. 4:9, tweede lid, Wft, is een kostbare en tijdrovende exercitie voor zowel de AFM als de assurantietussenpersoon. Als de eigenaar tevens vergunninghouder en enige adviseur is, kan dit proces in plaats van door individuele uitvraag efficiënter en effectiever worden uitgevoerd door gebruik te maken van de informatie opgenomen in het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties. Door in dit specifieke geval een informatieverzoek in te dienen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), aangesteld als bewerker van het informatiesysteem door de Minister van Financiën, kan de AFM met slechts één informatieverzoek toezicht houden op de naleving van de vakbekwaamheidseisen van een grote groep assurantiekantoren. Door deze mogelijkheid hoeft de AFM geen individuele informatieverzoeken meer te sturen aan deze ondernemingen, hoeven de ondernemingen geen informatie meer aan te leveren aan de AFM en hoeft de AFM de informatie niet meer te controleren op juistheid en volledigheid. Dit vergroot de efficiëntie en effectiviteit van het toezicht van de AFM op deze groep ondernemingen en reduceert de nalevingskosten fors. Een andere situatie waarin de AFM informatie kan opvragen uit het informatiesysteem is als er twijfel bestaat over de echtheid van de door een financëledienstverlener overlegde kopieën van Wft-diploma’s of PE-certificaten. DUO is in dergelijke gevallen de enige instantie die de echtheid kan bevestigen of weerleggen. Zie Kamerstukken 34 859.
Stb. 2018, 408 en 486

Ook met ingang van 1 januari 2019 is in werking getreden het Besluit van 29 november 2018 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit financiële markten BES en het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (Wijzigingsbesluit financiële markten 2018). Art. 11, vierde lid, derde volzin, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft is komen te luiden: ‘Het eerstvolgende periodieke examen in het kader van permanente educatie wordt vervolgens afgelegd in de PE-periode volgend op die waarin het bijzondere examen is afgelegd.’
Stb. 2018, 459 en 460


Verzekeringstoezicht (prudentieel)

Herstel en afwikkeling verzekeraars
Met ingang van 1 januari 2019 is in werking getreden de Wet van 28 november 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten in verband met de herziening van het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars (Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars). Deze wet wijzigt de Wft, de Faillissementswet, het BW, de WAM en een aantal andere wetten. De wet voorziet in aanpassing, versterking en uitbreiding van het reeds bestaande instrumentarium ten aanzien van herstel en afwikkeling van (insolvente) verzekeraars. Zie Kamerstukken 34 842 en de bijdrage van Lavrijssen in deze aflevering van Het Verzekerings-Archief.
Stb. 2018, 489 en 491

Ook met ingang van 1 januari 2019 is in werking getreden het Besluit van 11 december 2018 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft en enige andere besluiten (Besluit herstel en afwikkeling van verzekeraars). De niet met name genoemde besluiten waarin (kleine) wijzigingen zijn aangebracht zijn: het Besluit reikwijdtebepalingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. In het onderhavige besluit worden nadere regels gegeven ter uitvoering van de Wet op het financieel toezicht. Het betreft regels ter zake van het voorbereidend crisisplan, het afwikkelingsplan en de beoordeling van de afwikkelbaarheid, de financieringsregeling en de grondslagen voor bepaalde waarderingen.
Stb. 2018, 490 en 491


Verzekeringsverdrag EU-VS
Met ingang van 1 april 2019 zal in werking treden de Regeling van de Minister van Financiën van 28 januari 2019 tot wijziging van het Besluit aangewezen staten Wft en de Vrijstelingsregeling Wft in verband met de bilaterale overeenkomst tussen de EU en de VS met betrekking tot prudentiële maatregelen voor verzekering. Het bilaterale verdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake prudentiële maatregelen betreffende verzekering en herverzekering (tekst en besluit ondertekening en voorlopige toepasssing: PbEU 2017, L 258/4, 1 en 3) beoogt voor zover het herverzekeraars betreft vooral de wederzijdse opheffing van lokale vestigingseisen voor herverzekeraars met zetel op het grondgebied van een van de overeenkomst sluitende partijen (de EU en de VS) en de afschaffing van de eis dat een herverzekeraar een onderpand aanhoudt in het gastland als zekerheid voor de aangegane verplichtingen aldaar. Art. 3, eerste tot en met derde lid, van de overeenkomst houdt in dat de behandeling van herverzekeraars met zetel in de VS niet mag resulteren in een minder gunstige behandeling dan die van lidstaatherverzekeraars. In feite betekent dit dat herverzekeraars met zetel in de VS moeten worden behandeld als lidstaatherverzekeraars. Het is dus niet meer toegestaan van herverzekeraars met zetel in de VS te verlangen dat zij, voordat zij een herverzekeringsovereenkomst sluiten met een verzekeraar met zetel in een lidstaat van de EU, eerst een bijkantoor openen en onderpand voor aldaar aangegane verplichtingen aanhouden. Nederland stelde deze eisen overigens niet, maar controleerde wel of de herverzekeraar solvabiliteit aanhield zoals geëist op grond van de Richtlijn solvabiliteit II. Die eis is niet in overeenstemming met de overeenkomst (zie art. 3, vierde lid, onderdelen a en b).Teneinde hieraan te kunnen voldoen, dienen herverzekeraars met zetel in de VS te worden behandeld als lidstaatherverzekeraars en daarvoor is nodig de VS aan te wijzen als staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wet op het financieel toezicht (Wft) beoogt te beschermen. Het nieuwe art. 1a van het Besluit aangewezen staten Wft voorziet hierin. Ook kunnen in geval van een bijkantoor in Nederland van een dergelijke herverzekeraar geen eisen meer worden opgelegd met betrekking tot bijvoorbeeld de solvabiliteitseisen en rapportage-eisen. Voor herverzekeraars met zetel in de VS gelden de solvabiliteitseisen van de zetel, zoals blijkt uit art. 3, vierde lid, onderdelen a en b, van de overeenkomst. Dit past bij home country control en is in lijn met art. 3, derde lid, op grond waarvan De Nederlandsche Bank niet meer mag vragen naar de solvabiliteit. Daarom is ook de Vrijstellingsregeling Wft in lijn met het home country control beginsel aangepast (zie art. 18aa). Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat het bilaterale verdrag met de VS verder gaat dan het Gedelegeerd besluit (EU) 2015/2290 van de Commissie van 12 juni 2015 betreffende de voorlopige gelijkwaardigheid van de solvabiliteitsstelsels die van kracht zijn in Australië, Bermuda, Brazilië, Canada, Mexico en de Verenigde Staten en die van toepassing zijn op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in derde landen (PbEU 2015, L 323/22, zoals gewijzigd door 2016, L 58/53 en 58/55). Ingevolge dat besluit kan bij de berekening van de groepssolvabiliteit, indien van die groep een herverzekeraar met zetel in de VS deel uitmaakt, rekening worden gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals voorgeschreven voor die herverzekeraar. In feite is het besluit wat betreft herverzekeraars met zetel in de VS achterhaald omdat het verdrag voor die herverzekeraars veel verder gaat.
Stcrt. 2019, 5637


Verzekeringstoezicht (gedrag)

Nadere regeling gedragstoezicht AFM
Op 1 januari 2019 is in werking getreden het Besluit van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 4 december 2018, houdende wijziging van de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft van 15 november 2006, in verband met enkele technische aanpassingen vanwege het corrigeren van onjuiste verwijzingen en het herstellen van een omissie. Deze technische aanpassingen hebben betrekking op het corrigeren van onjuiste verwijzingen. Tevens is een ontbrekende waarschuwingszin toegevoegd voor derdepijlerpensioenproducten, die reeds in de uitkerende fase verkeren. Hiermee wordt een omissie hersteld.
Stcrt. 2018, 71992

Verzekeringsdistributie
Op 1 oktober 2018 is in werking getreden de Decision of the Board of Supervisors on the cooperation of the competent authorities of the Member States of the European Economic Area with regard to Directive (EU) 2016/97 of the European Parliament and of the Council of 20 January 2016 on insurance distribution EIOPA-BoS/18-340 en 18-342, 28 September 2018, 35 p.
www.eiopa.europa.eu


Pensioenverzekering

Verzamelwet
Met ingang van 1 januari 2019, met terugwerkende kracht voor art. V tot en met 1 januari 2018, is in werking getreden de Wet van 12 december 2018 tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten vanwege enkele wijzigingen met betrekking tot pensioen (Verzamelwet pensioenen 2019). Deze wet beoogt een verbetering van de pensioenwetgeving. Hiertoe zijn onder meer wijzigingen aangebracht in de regelingen betreffende de waardeoverdracht, de gegevenslevering aan De Nederlandsche Bank, het overbruggingspensioen, de medezeggenschap bij kleine ondernemingen, en de premiebetaling op basis van feitelijk verloonde bedragen per maand. Zie Kamerstukken
35 015.
Stb. 2018, 476 en 477

Implementatie Richtlijn IBPV’s
Met ingang van 13 januari 2019 is in werking getreden de Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op het financieel toezicht in verband met de implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU 2016, L 354). De Richtlijn, ook wel bekend als de IORP II-richtlijn, vervangt de IORP I-richtlijn uit 2003 (2003/41/EG). De richtlijn is van toepassing op pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen (ppi’s). Het doel van de richtlijn is het bevorderen van de verdere ontwikkeling van het tweede pijler pensioen in de Europese Unie. De belangrijkste wijzigingen voor Nederland zijn: – aanvullende regelgeving voor governance, met de vereiste van integraal risicomanagement, de introductie van sleutelfuncties voor risicobeheer, actuariële functie en interne audit (i.e. de expliciete scheiding van uitvoering en controle op de uitvoering), en de toevoeging van een verplichte, minimaal driejaarlijks uit te voeren eigenrisicobeoordeling; – verduidelijking van de procedure voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht; en – aanvullende regelgeving voor de informatieverstrekking. Voor de informatievereisten richting (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden geldt dat de veranderingen in de bepalingen over informatieverstrekking ook gevolgen hebben voor verzekeraars voor zover zij een tweede pijlerpensioenregeling uitvoeren. Reden hiervoor is het belang van een uniforme manier van communiceren richting (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Zie Kamerstukken 34 934.
Stb. 2018, 515 en 517

Eveneens met ingang van 13 januari 2019 is in werking getreden het Besluit van 19 december 2018 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft in verband met de implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU 2016, L 354).
Stb. 2018, 516 en 517

Ten slotte is op 13 januari 2019 in werking getreden de Regeling van de Minister van Financiën van 21 december 2018 tot wijziging van de Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft en de Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen in verband met de implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU 2016, L 354) (Implementatieregeling herziene richtlijn instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening)
Stcrt. 2019, 869


Vermogensbeheer

Securitisatie
Met ingang van 1 januari 2019 is in werking getreden de Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012. Securitisatie heeft betrekking op transacties die een kredietverstrekker of een crediteur – doorgaans een kredietinstelling, een verzekeraar of een pensioenfonds – in staat stellen een samenstel van leningen, blootstellingen of kortlopende vorderingen, zoals woonkredieten, autoleningen of -leases, consumptieve kredieten, kredietkaarten of handelsvorderingen, te herfinancieren door ze om te zetten in verhandelbare effecten. De kredietverstrekker poolt en herverpakt een portefeuille van zijn leningen en brengt deze onder in verschillende risicocategorieën voor verschillende beleggers, zodat deze toegang krijgen tot beleggingen in leningen en andere blootstellingen waartoe zij normaal gesproken geen directe toegang zouden hebben. Het beleggingsrendement wordt gegenereerd uit de kasstromen van de onderliggende leningen. Securitisatie is een belangrijk element van goed functionerende financiële markten. Deugdelijk gestructureerde securitisatie is een belangrijk kanaal voor het diversifiëren van financieringsbronnen en het ruimer spreiden van risico’s in het financiële systeem van de Unie. Securitisatie maakt een bredere spreiding van risico in de financiële sector mogelijk en kan ertoe bijdragen dat op de balansen van initiators ruimte wordt vrijgemaakt zodat meer krediet naar de economie kan vloeien. Over het geheel genomen kan zij de efficiëntie in het financiële systeem verbeteren en extra beleggingskansen creëren. Securitisatie kan een brug slaan tussen kredietinstellingen en kapitaalmarkten met een indirect voordeel voor ondernemingen en burgers (zoals minder dure leningen, bedrijfsfinanciering, en kredieten voor onroerend goed en kredietkaarten). Gelet op de risico’s voor de economie beoogt deze verordening de securitisatiemarkt te reguleren. Een risicogevoeliger prudentieel kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (simple, transparent and standardised -‘STS’) securitisatie vereist dat de verordening duidelijk definieert wat STS-securitisatie is, omdat anders de risicogevoeliger behandeling in de regelgeving voor banken of verzekeraars in verschillende lidstaten voor verschillende soorten securitisatie beschikbaar zou zijn. Dat zou leiden tot een ongelijk speelveld en regelgevingsarbitrage in de hand werken, terwijl het juist van belang is ervoor te zorgen dat de Unie fungeert als een eengemaakte markt voor STS-
securitisaties en dat ze grensoverschrijdende transacties vergemakkelijkt.
PbEU 2017, L 347/35


Literatuur

De verzekeringsarts als deskundige
De auteurs gaat in deze bijdrage eerst in op de vraag wat een verzekeringsarts is en langs welke lijnen een verzekeringsarts geschoold en getraind is om te denken en te handelen. Toenemend zijn medisch adviseurs en (buiten-) gerechtelijk deskundigen specifiek geschoold als verzekeringsarts. Vervolgens beschrijven de auteurs de inzet van de verzekeringsarts, al dan niet met RGA-kwalificatie, in de letselschadeprocedure (buiten-gerechtelijk en gerechtelijk) en de specifieke problemen waarvoor de verzekeringsarts zich gesteld weet. De bijdrage wordt afgesloten met een korte vooruitblik.
W.E.L. de Boer, A.W. Lechner, J.H.M. de Brouwer en C.A.M. Roijackers, L&S 2018, afl. 4

Beleggingsadvies bij verzekeringsbemiddeling: een incidentele activiteit?
De richtlijn verzekeringsdistributie (IDD) is per 1 oktober 2018 in werking getreden. De IDD bevat reeds bestaande regels van de richtlijn verzekeringsbemiddeling (IMD) en nieuwe regels voor de verzekeringssector die mede naar aanleiding van de financiële crisis zijn aangenomen. Zowel verzekeraars als bemiddelaars in verzekeringen moeten per 1 oktober 2018 aan de regels van de IDD voldoen. Een van de onderwerpen die in de IDD expliciet aan de orde komt is de zorgplicht bij het verkopen van een beleggings-verzekering en dan met name als de distributeur advies geeft aan de klant over de onderliggende belegging. Het arrest van het Hof van Justitie (HvJ EU 31 mei 2018, C-542/16, JOR 2018/180) wordt besproken en van belang geacht omdat deze zaak over beleggingsverzekeringen antwoord geeft op de vraag of op beleggingsadvies in het ka-der van een beleggingsverzekering de zorgplichteisen van de IMD van toepassing zijn, dan wel de zorgplichteisen voor beleggingsadvies van MiFID, dan wel beide. Het arrest van het Hof van Justitie behandelt twee verschillende zaken die door de hoogste Zweedse rechter zijn voorgelegd en die allebei betrekking hebben op de reikwijdte van de IMD. De auteur gaat tevens kort in op het verband tussen deze uitspraak en de IDD.
M.E.J. Bracco Gartner, Bb 2018/90, afl. 26

Nog net geen oneerlijk beding
In dit redactioneel wordt ingegaan op het arrest van de Hoge Raad waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordt over een beding in een arbeidsongeschiktheidsverzekering van een zelfstandige waarin de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld. Hierbij speelt de vraag of het een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat het beding niet als kernbeding kan worden beschouwd, omdat het beding zo wordt uitgelegd dat aan de in het beding genoemde termijn van 30 dagen waarbinnen bezwaar tegen die vaststelling moet worden gemaakt, geen sanctie is verbonden en het beding in zoverre dus geen betekenis heeft voor de restpositie van de verzekerde. Daarmee leidt het beding niet tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen en daarmee is het geen oneerlijk beding.
T.J. Dorhout Mees, AV&S 2019/1, afl. 1, p. 1-3

De opzetclausule (2000) uitgelegd door de Hoge Raad
Annotatie bij HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 (Shaken baby). In dit arrest geeft de Hoge Raad uitleg aan de opzetclausule die sinds 2000 in de AVP gehanteerd wordt. Gekeken wordt naar de invloed van de geestesstoornis op de toepassing van de opzet-uitsluiting en er wordt een vergelijking getrokken met het strafrecht.
J.C. van Eijk-Graveland, MvV 2018, afl. 11

Wanneer is sprake van opzet onder de AVP? De Hoge Raad legt uit
Ook in deze bijdrage aandacht voor het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2018 waarin uitleg wordt gegeven aan de opzetclausule zoals die is opgenomen in het Stan-daardpolismodel AVP 2000. Geconcludeerd wordt dat het aan het arrest onderhavige geval strikt gezien voldoet aan de vereisten om opzet aan te nemen, maar dat, gelet op de (zeer trieste) omstandigheden van het geval, de opzetclausule buiten toepassing dient te blijven.
L.A. Godwaldt, Bb 2018/74, afl. 22

Het uitgangspunt van de “redelijk handelend verzekeraar” en de regeling van art. 7:928-931 BW
Mede naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:1978:AC6258 wordt door de auteurs ingegaan op het criterium van de “redelijk handelend verzekeraar” in het kader van de regeling van de precontractuele mededelingsplicht ex art. 7:928-931 BW. Niet alleen in de uitkeringsfase speelt het criterium een rol, maar de basis van dit verzekeringsrechtelijk beginsel is – ook preventie – voor het acceptatiebeleid en voor het bepalen van (en een beroep doen op) de dekkingsomvang inclusief specifieke uitsluitingsclausules in verband met de aard van de concrete verzekering of de verzekeringnemer in persoon. Op drie aspecten wordt nader ingegaan. De betekenis en reikwijdte van het criterium van de “redelijk handelend verzekeraar”, wat de toets is van de “redelijk handelend verzekeraar” omvat en hoe de stelplicht en bewijslast hieromtrent geregeld zijn.
M.L. Hendrikse en J.G.J. Rinkes, NTHR 2018, afl. 6

De waarde van een strafrechtelijke uitspraak bij een beroep op de opzetclausule
In deze bijdrage wordt onderzocht wat de waarde is van een strafrechtelijke uitspraak bij een beroep op de opzetclausule. Wanneer een verzekerde een strafbaar feit pleegt waarbij een derde schade lijdt, wordt er vaak een beroep gedaan op de aansprakelijkheidsverzekering van de schadeveroorzaker. In vrijwel iedere aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren is echter een uitsluiting voor opzettelijk veroorzaakte schade opgenomen. Kan een verzekeraar, bij een beroep op de opzetclausule, met een enkele verwijzing naar een strafrechtelijke uitspraak dekking weigeren? Eerst wordt stilgestaan bij de opzetclausule en opzet in het strafrecht. Daarna komt de bewijskracht van een strafrechtelijke uitspraak aan bod. Vervolgens worden de uitspraken uiteengezet die de afgelopen jaren door de civiele feitenrechters zijn gedaan. Welke waarde wordt gehecht aan een strafrechtelijk uitspraak en hoe is die waarde toegenomen door het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601, NJ 2018/463, m.nt. S.D. Linden-bergh.
M.E. Holthausen, AV&S 2019/3, afl. 1, p. 12-17

Wetsvoorstel Wet verzekerdeninvloed Zvw: één aanpassing nog dringend gewenst
In juni 2018 is het wetsvoorstel Wet verzekerdeninvloed Zvw ingediend bij de Tweede Kamer. De auteur onderzoekt in deze bijdrage het wetsvoorstel een verbetering is ten opzichte van het Voorontwerp en of er nog aanpassingen nodig zijn. Naast de achtergrond, de hoofdlijnen van het wetsvoorstel wordt achtereenvolgens nader ingegaan op de inspraakregeling, de permanente vertegenwoordiging, het instemmingsrecht, het adviesrecht, het toezicht en de handhaving en de rol van de statuten in het wetsvoorstel. Afgesloten wordt met een conclusie en enkele aanbeveling. De eis dat bepaalde onderwerpen in de statuten van een zorgverzekeraar moeten worden geregeld ziet de auteur als zeer ongewenst en aanpassing op dit punt is dan ook dringend aanbevolen.
A.G.H. Klaassen, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2018, afl. 5

Invloed van verzekerden bij zorgverzekeraars
Wederom een bijdrage van de auteur over dit onderwerp. Het wetsvoorstel Wet verzekerdeninvloed Zvw lijkt op twee gedachten te hinken door aspecten van zeggenschap en medezeggenschap te verenigen in een inspraakregeling. De auteur zet in deze bijdrage vraagtekens of er wel de juiste keuzes gemaakt worden om de invloed van verzekerden op een zorgverzekeraar te versterken.
A.G.H. Klaassen, NJB 2019/4, afl. 1

Overwegingen bij een behoedzaam arrest van de Hoge Raad omtrent de doorbreking van de aansprakelijkheidslimiet voor personenvervoer op de binnenvaart (art. 8:983 BW)
In deze bijdrage wordt ingegaan op het arrest van de Hoge Raad van 18 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:729). Hierin heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de mogelijkheden om een aansprakelijkheidslimiet die geldt voor personenvervoer op de binnenvaart, te doorbreken. Deze zaak betreft een ongeval, waarbij een Duitse passagier tijdens een pleziervaart op het Grevelingenmeer ernstig letsel oploopt met een schade voor een bedrag van ruim
€ 620.000,-. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het schip beroept zich echter op de van toepassing zijnde limiet van € 137.000,-. Naast een bespreking van de verschillende procedures komen ook de argumenten voor en tegen een doorbreking van limitering van aansprakelijkheid aan bod.
P.C.J. De Tavernier, AV&S 2018/32, afl. 6, p. 169-180

Verkeersdeelname in het kader van de WAM: waar liggen de grenzen?
Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 (ECLI:NL:HR:2018:877, NJ 2018/269) inzake de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betrof een ongeval met een vorkheftruck die werd gebruikt bij het plaatsen van betonnen elementen. Nadat een element omviel kwam deze op de benen van een slachtoffer terecht, met ernstig letsel tot gevolg. Vervolgens speelde de vraag of hier sprake was van schade die onder de dekking van de WAM-verzekering van de vorkheftruck viel. Deze bijdrage beoogt een overzicht te bieden van de huidige stand van zaken op dit terrein. Naast het arrest van de Hoge Raad wordt ook ingegaan op twee recente arresten van het Hof van Justitie van de EU die op een vergelijkbare situatie zien. Eerst wordt de bredere context geschetst. Vervolgens wordt ingegaan op de reikwijdte van de verplichte WAM-dekking en de in het verleden in dat kader verschenen jurisprudentie. In de conclusie worden de belangrijkste elementen van het dekkingsbereik samengevat.
H.P. Verdam, MvV 2018, afl. 11

Over de weigering expertisekosten te vergoeden van niet-ingeschreven experts
Rechtbank Gelderland 28 november 2018
Bespreking van een (nog ongepubliceerd) vonnis van de Rechtbank Gelderland van 28 november 2018. In deze zaak weigerde de verzekeraar de expertisekosten te betalen van de verzekerde. Aan de orde lijkt daarmee te zijn een oordeel over de door die verzekeraar in zijn polisvoorwaarden gestelde eis dat experts – en dus ook de expert aan de zijde van verzekerde over wiens gemaakte kosten de zaak speelde – ingeschreven dient te zijn bij het NIVRE (Nederlands Instituut voor Register Experts) of een vergelijkbare brancheorganisatie. Verzekeraar legde aan die weigering ten grondslag dat de door de verzekerde ingeschakelde expert zich niet houdt aan de Gedragscode expertiseorganisaties hetgeen met zich zou brengen dat de verzekeraar op grond van de polisvoorwaarden niet hoeft over te gaan tot vergoeding van deze kosten.
M. de Vries, AV&S 2019/5, afl. 1, p. 27-30 |