nieuws

Verkoper moet betalen voor klantverlies na portefeuilleovername

Schade 3651

Een tussenpersoon die zijn assurantiekantoor in 2012 heeft verkocht, moet aan de koper een deel van de koopprijs terugbetalen omdat nadien klanten zijn vertrokken. Dat heeft het gerechtshof in Den Bosch geoordeeld. In de koopovereenkomst waren daarover geen duidelijke afspraken gemaakt.

Verkoper moet betalen voor klantverlies na portefeuilleovername

De eigenaar van een assurantiekantoor verkoopt in 2012 zijn bedrijf voor € 360.000, uitgaande van een doorlopende schadeprovisie van minimaal € 141.000 en abonnementen van tenminste € 70.920 (overnamefactor is 1,7). In de overeenkomst wordt verder gewag gemaakt van maximaal € 122.000 aan niet-verdiende provisie. Komen de doorlopende provisie of inkomsten uit abonnementen in 2013 lager uit dan aangegeven, dan betaalt de verkoper naar rato het verschil in koopprijs. Ook kent het contract een concurrentie- en relatiebeding.

De overdracht vindt nog in goede harmonie plaats, maar al snel daarna ontstaan er problemen. Beide partijen treffen elkaar uiteindelijk voor de rechter: de koper claimt een terugbetaling omdat zowel de schadeprovisie als de abonnementsinkomsten lager zijn uitgevallen en bovendien heeft verkoper het relatiebeding overtreden, stelt hij.
De schadeprovisie is ruim € 22.000 minder dan verwacht en de abonnementsinkomsten hebben € 10.000 minder opgeleverd. De koopprijs is daardoor meer dan € 54.000 te hoog uitgevallen. De verkoper vindt dat alleen is gegarandeerd dat de in het koopcontract genoemde bedragen voor schadeprovisie en abonnementsinkomsten op het moment van de overdracht eind 2012 juist waren. Daarna droeg de koper het risico; terugbetaling is alleen aan de orde bij niet-natuurlijk verval. Daarvan is geen sprake als klanten opstappen omdat ze niet tevreden zijn over de dienstverlening van de koper. En dat was volgens de verkoper nu juist aan de orde.

Gesimplificeerde rekensom

De rechtbank in Roermond vindt dat de verkoper inderdaad een deel van de koopprijs moet terugbetalen. De verkoper gaat in hoger beroep. Het gerechtshof beoordeelt de zaak en noemt ten eerste de factor van 1,7 om de koopprijs te bepalen “opmerkelijk omdat voor de prijsbepaling van een onderneming nog veel meer andere factoren van belang kunnen zijn”. “Maar die andere factoren zijn kennelijk bewust buiten spel gelaten.” De terugbetalingsregeling – voor opzeggingen buiten de invloedsfeer van de koper – is begrijpelijk, aldus het hof. “Indien de gegevens waarop de gesimplificeerde rekensom voor de bepaling van de koopprijs is gebaseerd onjuist zijn, heeft dat immers onevenredig grote gevolgen.”

Natuurlijk verval uitgesloten

Het hof gaat niet mee met de stelling van de verkoper dat alleen is gegarandeerd dat de cijfers op het moment van overdracht kloppen. “Ook omdat in het betoog van [verkoper] onduidelijk blijft wat de bedoeling is van de terugbetalingsregelingen […]. Dat het hier een regeling voor het zogenoemde ‘natuurlijk verval’ zou betreffen, zoals door hem wordt betoogd, valt niet in te zien nu dat juist met zoveel woorden in de desbetreffende bepalingen wordt uitgesloten.” Dat er sprake is van natuurlijk verval is bovendien niet aangetoond, aldus het hof.

Eigen schuld alleen relevant bij schadevergoeding

De verkoper beweert dat het aantal opzeggingen aan de koper te wijten is. Maar een beroep op eigen schuld is pas relevant als er een verplichting is tot het vergoeden van schade, aldus de rechter. “[De koper] vordert echter geen schadevergoeding maar nakoming van een contractuele afspraak. Eigen schuld zou alleen in beeld komen voor zover er sprake zou zijn van een wanprestatie van [verkoper] , maar daarvoor bieden de stellingen van partijen geen aanknopingspunten. Het hof stelt vast dat het contract voor het kort gezegd weglopen van ontevreden klanten geen bijzondere regeling biedt.”

Verkoper moet verloop inschatten

De vraag spitst zich toe op het onderdeel van de overeenkomst dat bepaalt dat in het koopbedrag “alle eventuele voor- en nadelige omstandigheden die zich ná de overdracht kunnen voordoen” zijn verdisconteerd. Het hof vindt het niet onlogisch dat het weglopen van klanten daar ook onder valt “omdat partijen ervan zullen zijn uitgegaan dat de overnemende partij er belang bij heeft de overgenomen klanten te behouden en daarmee ook de prolongatieprovisie en de abonnementsinkomsten voor de langere termijn op peil te houden”. “Dit zou dan van [de verkoper] vergen dat hij bij de verkoop een inschatting heeft gemaakt van de mogelijkheden van [de koper] om zijn oude klanten naar tevredenheid te blijven bedienen. Indien hij immers hierover een verkeerde inschatting zou maken, zou dat betekenen dat hij ermee moest rekenen een deel van de koopprijs te moeten terugbetalen. Op zichzelf is dit niet een buitenissige eis: daar waar beide partijen in elkaars directe omgeving hebben gewerkt in dezelfde branche, moet die inschatting voor [de verkoper] feitelijk goed te maken zijn geweest.”

Dan zou al rekening zijn gehouden met vertrek van klanten uit onvrede. “Dat is bij de overname van onderneming ook niet ongebruikelijk, want ook in het geval er wél een expliciete regeling wordt opgenomen voor het vertrek van ontevreden klanten (waarvoor legio redenen kunnen zijn), wordt daarbij doorgaans een zekere marge aangehouden opdat niet ieder vertrek van een ontevreden klant direct leidt tot een restitutieverplichting.” De verkoper had moeten aantonen dat er sprake is van een abnormaal groot verloop van ontevreden klanten, te wijten aan de koper, maar dat is niet gebeurd. Hij moet dus het gevorderde deel van de overnamesom terugbetalen.

Ook beslagkosten betalen

De verkoper vangt dus opnieuw bot en moet bovendien nog dieper in de buidel tasten: er speelt nog een geschil over een door de koper in beslag genomen leaseauto van de verkopende partij. De rechter had in eerste instantie geoordeeld dat de kosten van beslaglegging voor rekening van de koper kwamen omdat de auto geen eigendom was van de verkoper en daarmee beslaglegging niet terecht was. Maar het hof oordeelt anders: de koper was aan te merken als houder van de auto, wat een wettelijk vermoeden van bezit en daarmee ook van eigendom rechtvaardigt. De kosten (ruim € 4.000) komen daarmee voor rekening van de verkopende partij.

Lees hier de uitspraak.

Reageer op dit artikel