nieuws

NIDI-onderzoekers: ‘Rem op stijging AOW-leeftijd is betaalbaar’

Pensioen 1931

Het bevriezen van de AOW-leeftijd op 66 jaar zou een dure zaak worden. Een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd is echter best betaalbaar. Dat concluderen onderzoekers van Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI).

NIDI-onderzoekers: ‘Rem op stijging AOW-leeftijd is betaalbaar’

In een artikel op economieplatform MeJudice rekenen NIDI-onderzoekers Joop de Beer, Harry van Dalen en Kène Henkens een aantal scenario’s voor de stijging van de AOW-leeftijd door. Ze lopen hiermee vooruit op het onderzoek dat minister Koolmees (Sociale Zaken) heeft beloofd naar de loskoppeling van AOW-leeftijd en levensverwachting. De conclusies van het NIDI: de pensioenleeftijd minder snel laten stijgen kan best. En het is ook nog eens betaalbaar.

Bevriezen

Volgens de huidige regels stijgt vanaf 2022 de AOW-leeftijd een-op-een mee met de levensverwachting. Leven we gemiddeld een jaar langer, dan hebben we ook een jaar later recht op AOW. Die stijging van de AOW-leeftijd wordt wel uitgesmeerd, in stappen van drie maanden per jaar.

De onderzoekers vergelijken de kosten van deze situatie met die vier scenario’s. Een daarvan is het bevriezen van de AOW-leeftijd op 66 jaar. In 2040 zou het aantal AOW’ers dan uitkomen op 4,6 miljoen. Een zeer kostbare zaak, volgens De Beer, Van Dalen en Henkens. “De extra uitgaven aan de AOW stijgen in 2020 met € 1,5 miljard en daarna lopen de uitgaven sterk op: in 2030 € 5 miljard extra, in 2040 € 8 miljard en in 2050 € 9 miljard.” Het gaat om extra kosten, die boven op de kosten komen die bij het huidig beleid – resulterend in 3,9 miljoen AOW-gerechtigden in 2040 – gemaakt zouden worden.

Percentage stijging levensverwachting

De extra kosten van drie andere varianten zijn minder hoog. In die scenario’s stijgt de AOW-leeftijd respectievelijk een kwart, een half en driekwart jaar met elk jaar extra levensverwachting. Bij die eerste, de meest gematigde variant, zou de AOW-leeftijd in 2050 uitkomen op 67 jaar en 10 maanden. Bij het huidige beleid zou die leeftijd 70 jaar en 3 maanden zijn. In het scenario waarin de stijging van de levensverwachting voor 75% wordt doorberekend, zou de AOW-leeftijd in 2045 uitkomen op 69 jaar. Dat is zes jaar later dan met het huidige beleid.

50%-koppeling

Van de middenweg – één jaar extra in de levensverwachting is een halfjaar stijging AOW-leeftijd – noemen de onderzoekers in hun artikel wat meer cijfers. Zou dat scenario gelden, dan zijn er in 2040 4,2 miljoen mensen die recht hebben op een AOW-uitkering. Overigens ligt de piek van de vergrijzing rond dat jaar. Vandaar dat in alle varianten een daling van het aantal AOW’ers inzet na 2040.

In het geval van een 50%-koppeling aan de levensverwachting zullen in 2035 de extra kosten circa € 2 miljard per jaar bedragen. Na 2040 is dat ongeveer € 3 miljard per jaar, schrijven de onderzoekers. “Berekeningen op basis van een aantal AOW-alternatieven laten echter zien dat budgettaire overwegingen niet onoverkomelijk hoeven zijn, hoewel dit oordeel uiteraard afhangt van de bredere prioriteitstelling van het kabinet”, oordelen ze. “De kern van al de hier gepresenteerde koppelingsalternatieven is dat de winst in levensverwachting ook ten goede komt aan een langere pensioenperiode en dus niet zoals in het heden volledig op de arbeidsmarkt moet worden doorgebracht.”

Vuistregel

De onderzoekers stellen ook nog voor een andere variant te overwegen. Hierbij wordt de strikte koppeling tussen levensverwachting en AOW-leeftijd losgelaten. In plaats daarvan kan een vuistregel gemaakt worden waarbij de AOW-leeftijd bijvoorbeeld elk jaar met een maand toeneemt. Dat zou in de praktijk vergelijkbaar zijn met het scenario waarbij driekwart van de gestegen levensverwachting wordt doorberekend. Actuarissen en demografen zouden elke tien of twintig jaar zo’n vuistregel tegen het licht kunnen houden. Mocht de levensverwachting stagneren, dan is dat het moment om het stijgingstempo af te remmen.

Reageer op dit artikel