In deze zomerse vakantietijd is de aandacht voor het op te richten rampenfonds behoorlijk verslapt. Voor de Nederlandse bevolking is de consternatie van de (deels dreigende) overstromingen van het voorjaar naar de achtergrond verdwenen, verzekeraars zijn in algemene zin tevreden over het met de overheid gesloten convenant over hun risicodragende betrokkenheid bij het fonds en regering en parlement zijn met zomerreces. Vlak voor de parlementaire vakantie voerde minister Zalm van Financiën nog overleg met de Tweede Kamer over het rampenfonds, in de wandeling ten onrechte al omgedoopt tot rampenverzekering. Uit dat eerste overleg bleek dat, hoewel men niet juichend langs de zijlijn staat, onze volksvertegenwoordigers toch niet zover willen gaan dat ze de regeling afwijzen. Ondanks deze rust en tevredenheid is er een belangrijk aspect in de discussie rond het fonds blijven "hangen", namelijk het zoute water.