nieuws

Verzuimverzekeraar had premiebrief aangetekend moeten verzenden

Archief

Een bedrijf heeft met succes bij de Raad van Toezicht Verzekeringen betwist dat het van zijn ziekteverzuimverzekeraar een brief had ontvangen waarin een fikse premieverhoging was aangekondigd. Van acceptatie van de verhoging was dus geen sprake.

Volgens de verzekeraar had hij op 18 december 1998 het betreffende elektrotechnische bedrijf een brief gezonden waarin hij had meegedeeld dat de basispremie voor de ziekteverzuimverzekering op 1 januari zou worden verhoogd van 1,73% naar 3,88%. Het verzekerde bedrijf had op grond hiervan tot de einddatum namelijk 1 maart 1999 de tijd om op te zeggen. Het was de eerste keer dat de premie zou worden verhoogd, want de premie was gedurende drie jaar tot 1 januari 1999 gegarandeerd. Het ging overigens nog niet om de precieze premie. Vanwege een nog lopend ziektegeval zou het definitieve premiepercentage later worden vastgesteld. Dit werd verwerkt op het polisblad dat op 12 augustus 1999 werd afgegeven.
Het bedrijf stelt, dat het de betreffende brief niet heeft ontvangen en dat het pas in juli 1999 via de notaspecificatie van de verzekeraar werd geconfronteerd met de nieuwe premie. In november 1999 had de betreffende tussenpersoon een verhoging van de premie voorgesteld van 20%. De verzekeraar kwam daarop met het tegenvoorstel tot 1 januari 2000 een premie te hanteren van 3,15% (hetgeen neerkwam op verhoging van de premie van 25%) en daarna van minimaal 3,89%. Het bedrijf ging hiermee niet akkoord en de verzekering werd per eerstvolgende mogelijkheid, namelijk 1 januari 2000, beëindigd. Vervolgens sloot het bedrijf bij een andere verzekeraar een verzekering tegen een lager tarief. Het bedrijf heeft door dit alles over 1999 teveel premie moeten betalen en eist via de Raad van Toezicht van de verzekeraar een premierestitutie van ( 3.985. Voor de Raad betoogde het bedrijf dat de brief dusdanig belangrijk was – het ging immers om een fikse verhoging die pas bij de naverrekening zichtbaar zou worden – dat de verzekeraar die aangetekend had moeten verzenden.
De verzekeraar stelde dat ook al zou het bedrijf de brief niet ontvangen hebben, zij daaraan niet het recht ontlenen dat de premie tot de einddatum onveranderd zou blijven. Op grond van de polisvoorwaarden wist het bedrijf immers dat de premie na drie jaar omhoog zou gaan. En gezien het ziekteverzuim kon het bedrijf ook weten dat dit niet gering zou zijn. De verzekeraar maakte hierbij de kanttekening, dat het bedrijf zijn aanbod voor tijdelijke premieverlaging niet had geaccepteerd.
Niet voorzien
De Raad van Toezicht neemt bij de beoordeling van de klacht het Burgerlijk Wetboek (art. 3:37, lid 3) als uitgangspunt. Hierin staat dat: “een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Indien deze betwist dat de brief, waarin de verklaring was vervat, hem heeft bereikt, dan zal degene die de brief verzond dienen te bewijzen dat de brief de persoon aan wie zij was gericht heeft bereikt”. Dat de verzekeraar aanvoert dat eerder verstuurde brieven wel zijn ontvangen, doet volgens de Raad (ingevolge een arrest van de Hoge Raad van 23 juni, NJ 2000, 517) niet ter zake. De Raad vindt dat, alhoewel zwart op wit stond dat de verzekeraar begin 1999 de basispremie kon herzien, het voor het bedrijf niet hoefde vast te staan dat dit ook daadwerkelijk zou gebeuren, en zeker niet dat de verhoging zo drastisch zou zijn. Aangezien de verzekeraar niet heeft kunnen bewijzen dat de brief is verstuurd, kan hij niet het standpunt innemen dat het elektrotechnisch bedrijf door niet te reageren op die brief de betreffende premieverhoging heeft geaccepteerd. De Raad achtte het daarom redelijk dat de verzekeraar het aanbod zou accepteren dat destijds via de tussenpersoon was gedaan, namelijk een premieverhoging van 20%. De restitutie moet inclusief wettelijke rente zijn.
Raad van Toezicht Verzekeringen, uitspraak nr 2001/29 Med.

Reageer op dit artikel