blog

Ik zie de bui al hangen…

Archief

Het is een natte dag in januari als klant E. in alle vroegte belt. “Ik wil even iets doorgeven”, zegt hij. “Ze gaan morgen beginnen met het plaatsen van een nieuw dakkapel.” In gedachten haal ik het dossier van klant E. voor de geest.  

Het kan liggen aan het feit dat ik nog geen koffie op heb, maar ík kan me niet herinneren dat klant E. een koophuis heeft. “Dat klopt,” bevestigt hij. “Ik woon in een huurhuis. Maar in de brief van de woningbouwvereniging staat, dat we de verzekering dienen te informeren.”

 

Daar moet ik even over nadenken. “En staat er ook wélke verzekering je moet informeren?” vraag ik. “En waaróm?” (Met de beste wil van de wereld kan ík niet bedenken wat ‘de verzekering’ met deze informatie moet. Op de rechtsbijstand na misschien. Maar het lijkt me niet dat de woningbouwvereniging de klant alvast wil helpen bij het indienen van een toekomstige claim.)

Maar nee, de brief die klant E. heeft ontvangen zwijgt in alle talen. Er staat alleen dat de klant de verzekering móet informeren. “Goed,” zeg ik. “U heeft bij deze uw verzekering geïnformeerd.” Die dag krijg ik nog een paar telefoontjes. Alle klanten doen dezelfde ‘melding’ over het plaatsen van een nieuw dakkapel.

Twee dagen later belt klant E. weer. Hij heeft waterschade. Ik voel de bui al hangen en maak direct een afspraak bij hem thuis. Zoals ik al vermoedde bevindt de waterschade zich op zolder, vlak onder de nieuwe dakkapel. “Tja”, legt klant E. uit. “Ze hebben het dak opgemaakt en zijn naar huis gegaan. En toen ging het regenen.” Hij wijst naar de vloer. “Nu staat het laminaat bol.”

 

In gedachten doorloop ik de voorwaarden van de extra uitgebreide inboedelverzekering. Er is dekking als het water ‘onvoorzien’ de woning is binnengedrongen. Echter een dak verwijderen en na een flinke hoosbui constateren dat de zolder blank staat, is nauwelijks onvoorzien te noemen. Daarbij geldt er óók nog eens een uitsluiting voor waterschade (door neerslag) ontstaan tijdens bouw, aanbouw of verbouw. Een rechtsbijstandsverzekering heeft de klant niet, dus feitelijk zijn we uitgepraat.

 

“De woningbouwvereniging lijkt mij aansprakelijk,” concludeer ik. “Dus?” De klant kijkt me verwachtingsvol aan. “Wat gaan we nu doen?” Hij spreekt het woord ‘we’ uit alsof hij eigenlijk ‘jij’ had willen zeggen. Ik zet aan om te protesteren, maar bedenk me. Zuchtend maak ik een paar aantekeningen. “Ik stel ze wel aansprakelijk.”

 

evuijsters@kluwer.nl

Reageer op dit artikel