nieuws

Rendementen op beschikbare premieregeling lopen sterk uiteen

Pensioen 3023

Het rendement dat pensioendeelnemers maken met hun beschikbare premieregeling varieert sterk. Dat concludeert actuarieel adviesbureau LCP uit een onderzoek naar producten met een neutrale beleggingslifecycle. De rendementen lopen uiteen van 4% tot 14%, met name bij deelnemers onder de 50.

Rendementen op beschikbare premieregeling lopen sterk uiteen

Er zijn zo’n 1,3 miljoen werknemers met een beschikbare premieregeling. LCP nam het product onder de loep in het rapport ‘Lifecycle Pensioen 2018’ en focuste op de standaard neutrale lifecyle-producten. “Verreweg de meeste deelnemers maken daar gebruik van.”
Pensioendeelnemers jonger dan 50 hebben vorig jaar afhankelijk van de pensioenuitvoerder 4% tot ruim 14% rendement gemaakt. Bij oudere deelnemers lopen de rendementen minder uiteen. Bij de groep die vlak voor de pensioendatum zit, varieerden de rendementen in 2017 van -1% tot +4%. “Elk procent rendementverschil gedurende 40 jaar geeft circa 17% verschil in pensioenresultaat.”

Verder kijken dan kosten

Over de periode 2014-2017 constateert LCP een rendementsverschil van ongeveer 4% per jaar (van 6,5% tot 10%). Dat heeft vooral te maken met de beleggingsrisico’s die de diverse lifecycles nemen. “Ons onderzoek toont aan dat de beschikbare DC‑producten zeer verschillend zijn. Werkgevers en werknemers moeten bij de selectie van een pensioenuitvoerder verder kijken dan de laagste kosten of de hoogste verwachte pensioenen”, zegt senior actuaris Johan van Soest van LCP. De vermogensbeheerkosten bedroegen vorig jaar 0,2% tot 0,6% van het beleggingskapitaal. “Deze kosten zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren.”

Grote verschillen in risico en renteafdekking

De variatie in lifecycleproducten en risicoprofielen wordt steeds groter, aldus LCP. “Sommige uitvoerders bieden tientallen profielen.” Er zijn grote verschillen in beleggingsmix en de mate van afbouw van het renterisico. “Bij de keuze voor een pensioenuitvoerder dienen werkgever en OR zich hiervan bewust te zijn.” Tussen default lifecycles zijn er behoorlijke verschillen in beleggingsrisico te zien. “De start van de afbouw van zakelijke waarden vertoont grote spreiding, evenals de eindpositie. De meest offensieve en defensieve risicoprofielen bevatten gemiddeld circa 10% meer en minder zakelijke waarden.” Daarnaast zijn er grote verschillen in het moment waarop de afdekking van het renterisico wordt opgebouwd. Bovendien is de afbouw zelf niet altijd even drastisch: “Rond 10 jaar vóór de pensioendatum ligt de renteafdekking tussen circa 5% en 70%; op de pensioendatum varieert het renterisico van 0% tot circa 30%.”

Kosten gehalveerd

De gemiddelde kosten van het vermogensbeheer binnen beleggingsfondsen (inclusief eventuele extra kosten of kortingen bij de pensioenuitvoerder) zijn de laatste tien jaar gehalveerd van 0,8% naar 0,4% van het belegde kapitaal per jaar. “Een kostenverschil van 0,4% per jaar gedurende 40 jaar geeft circa 7% verschil in pensioenresultaat.” Er is weinig verschil tussen de kosten bij de meest offensieve en de meest defensieve risicoprofielen.

Doorbeleggen

Wie na de pensioendatum wil doorbeleggen met het opgebouwde kapitaal, of daarop al eerder wil voorsorteren, heeft een lastige klus. Ook daarin zijn er grote verschillen in beleggingsrisico tussen de aanbieders. Bovendien is er onvoldoende inzicht in de jaarlijkse schommelingen in de hoogte van de uitkering, constateert LCP. En het bredere plaatje ontbreekt: “De relatie met het overige pensioeninkomen, vermogen en vaste lasten ontbreekt.”

Voor het rapport is onderzoek gedaan bij vijf pensioenverzekeraars (Allianz, ASR, Centraal Beheer, Delta Lloyd en Zwitserleven) en zeven PPI’s (ABN Amro, Aegon, BeFrank, Brand New Day, Cappital, LifeSight en NN.

Reageer op dit artikel