nieuws

Van gefluister in houten bankjes naar geruis elektronische snelweg

Archief

“Toen ik in 1962 begon bij Bekouw Mijnssen, vonden we ons al hypermodern omdat we een telex hadden. In de jaren zeventig en tachtig kwam de automatisering in de verzekeringsbranche pas echt op gang. Niemand had toen echter kunnen vermoeden dat in 2004 in Nederland een virtuele assurantiebeurs zijn intrede zou doen en daarmee een einde zou komen aan de meer dan vierhonderd jaar oude traditie van het ‘vis a vis’ zakendoen op de beursvloeren in Amsterdam en Rotterdam”, bespiegelt Rolf van der Wal, voorzitter van de Vereniging Nederlandse AssurantieBeurs (VNAB).

Van der Wal laat er geen enkele traan om. “De tijd haalt je in. Ik vergelijk het met de kolenboeren. Die hadden een goede boterham, totdat ze door de komst van het aardgas gedwongen werden hun zeilen bij te zetten.”
Co-assurantie, waarbij vanwege de financiële omvang van het te verzekeren risico meerdere verzekeraars als risicodrager fungeren, wordt in ons land al sinds 1598 in Rotterdam en sinds 1611 in Amsterdam bedreven. Op heuse marktplaatsen waar vragers (makelaars) en aanbieders (verzekeraars) bijeenkwamen om, gezeten op keiharde houten bankjes, zaken te doen. De echte veranderingen in de co-assurantiemarkt hebben zich vooral in de afgelopen kwart eeuw voorgedaan.
Wijze mannen
Aan het eind van de jaren zeventig had de sector, geheel in de lijn van de toenmalige internationale ontwikkelingen, net zijn eerste fusie- en overnamegolf achter de rug. Mede daardoor was het aantal beurspartijen sterk gereduceerd, zowel aan de zijde van de makelaars en de verzekeraars als de assuradeuren, gevolmachtigden die namens (veelal buitenlandse) verzekeraars opereerden. Deze grootschalige krachtenbundeling vond niet alleen plaats binnen de eigen ‘bloedgroep’, maar er waren ook veel nieuwe combinaties ontstaan van makelaars- en assuradeurenbedrijven. Ook was door de toenemende internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven behoefte ontstaan aan dekkingscapaciteit voor grotere en meer complexe risico’s. Verder nam de aandacht voor kostenbeheersing en efficiencyverbetering toe. Allemaal zaken die binnen de markt een herbezinning met zich meebrachten over de manier van werken en de rol van de beide marktplaatsen.
Op initiatief van de VNAB werd een stuurgroep van beurspartijen in het leven geroepen, die uiteindelijk pleitte voor een nieuwe beursopzet én voor samenvoeging. Vanwege de aloude ‘Feyenoord-Ajax vete’ werd een onafhankelijke commissie van wijze mannen gevraagd de haalbaarheid en wenselijkheid hiervan te onderzoeken en werd bij voorbaat gesteld dat het advies van ‘de drie’ bindend zou zijn. De commissie bestond uit mr. G.J. Wiarda (voormalig president van de Hoge Raad), jhr.mr. W.M. de Brauw (destijds voorzitter van de Verzekeringskamer) en M. Geldens (toenmalig directeur van McKinsey).
‘Ajax-Feyenoord’
Het was het begin van wat zou uitgroeien tot een van de meest roerige en tumultueuze periodes in de historie van de co-assurantiemarkt. De commissie sprak met alle betrokken marktpartijen en belangenorganisaties en zelfs met overheden en vakbonden en luisterde naar ieders ideeën en wensen. De lobbyisten voor ‘Amsterdam’ en ‘Rotterdam’ maakten overuren. Er werden bijeenkomsten belegd en zelfs uitgebreide plannen ontwikkeld voor een nieuwe beursopzet, compleet met kostenplaatjes en tekenschetsen. ‘Amsterdam’ koos voor nieuwbouw op een strategische plek bij de zuidelijke rondweg, vlakbij het wereldhandelscentrum. ‘Rotterdam’ kwam met een voorstel voor modernisering van de beursvloer in het Beursgebouw (hoek Beursplein/Coolsingel), waar het al was gevestigd.
Vanwege de lokale sentimenten werd er zelfs nog even serieus gedacht aan een neutrale marktplaats, waarbij met name Alphen aan den Rijn en Utrecht werden genoemd. Maar daarvan zag de commissie om vooral praktische reden vanaf. Voormalig VNAB-voorzitter Otto Bekouw begrijpt dit volkomen. “In Alphen was geen enkele beurscultuur en zouden gebouw en infrastructuur van de grond af moeten worden opgebouwd. Wat ik jammer vond, was dat deze ‘neutraliteitsgedachte’ de boel verschrikkelijk heeft vertraagd.”
Begin 1980 kwam het verlossende woord van ‘de wijze mannen’, die zich tot veler verrassing – zeker voor de Maasstedelingen – voor een nationale assurantiebeurs in Amsterdam uitspraken. Van de beoogde bindende uitspraak kwam in de praktijk echter niets terecht. Veel assurantiebedrijven met een voorkeur voor Rotterdam trokken hun eerdere toezegging in zich te zullen conformeren aan het commissiebesluit en opteerden alsnog voor een opzet met twee beurzen. Begin 1981 werd duidelijk dat er onder de beursverzekeraars, -makelaars en -assuradeuren onvoldoende steun was voor één beurs in Amsterdam en werd na twee jaar steggelen het plan definitief afgeblazen.
Eén markt, twee winkels
“Een gemiste kans”, zegt Van der Wal nu ruim twintig jaar later. “Het samenvoegen van beide assurantiebeurzen was natuurlijk een stuk efficiënter en aanmerkelijk goedkoper geweest. Overigens denk ik nog steeds dat de kans dat de bedrijven met een voorkeur voor Amsterdam zich uiteindelijk zouden hebben geconformeerd aan een keuze voor Rotterdam vele malen groter was geweest.”
Bekouw denkt daar hetzelfde over. “Maar misschien komt dat wel doordat in Amsterdam werd gehoopt dat de beurs daar gevestigd zou worden, maar dat men er in Rotterdam van overtuigd was dat ze zouden winnen.”
Een andere ‘zendeling’ voor de co-assurantiemarkt in Nederland, Joop Waterreus, eveneens voormalig VNAB-voorzitter, heeft minder moeite met twee marktplaatsen. “Ik heb altijd gezegd dat je als verzekeraar/assuradeur zo dicht mogelijk bij je klanten moet zitten om hen een goede service te kunnen bieden. En die zitten nu eenmaal in beide plaatsen. Het is in feite ook één markt, maar dan wel met twee winkels.”
Modernisering
Overigens bracht de discussie over één assurantiebeurs wel een gemeenschappelijke gedachte voort. Zowel in Amsterdam als in Rotterdam werd de noodzaak tot modernisering van de beursvloer ingezien. In Amsterdam wilden ze naar een dagbeurs toe, uit serviceoverwegingen ten opzichte van de makelaars. Bekouw blikt terug: “In de Koopmansbeurs op het Damrak waren geen computerfaciliteiten. Een acceptant moest met een aangeboden risico eerst naar kantoor terug voor een antwoord. Daarom wilden we één plek waar beursverzekeraars en assuradeuren bij elkaar zaten en makelaars de gehele dag terecht konden. Vooral Rob Lenterman heeft zich hiervoor sterk gemaakt en uiteindelijk de Amsterdamse bedrijven zover gekregen naar ’t Noortse Bosch te verkassen. De gedachte was uitstekend, de locatie hiervoor ongeschikt. Er was geen gemeenschappelijke ruimte en iedereen had zijn eigen afgesloten kantoortje.”
Vandaar dat al vrij snel werd uitgekeken naar een andere, meer open locatie. En dat werd in 1988 uiteindelijk het gebouw dat speciaal voor de Amsterdamse Assurantiebeurs werd gebouwd aan de Strawinskylaan, tegenover het WTC en vlakbij de plek waar de Nationale Assurantiebeurs oorspronkelijk had moeten komen. Het bleek een ideaal gebouw voor de gewenste dagbeurs. Een echte marktplaats, modern met veel glas, zodat van alle kanten kon worden gezien wie er binnen was. En dat alles voor een door ‘bouwmeester’ Van der Wal door goed koopmanschap afgedwongen aantrekkelijke huurprijs.
In Rotterdam voltrok zich een soortgelijke ontwikkeling. Een groep beurscoryfeeën onder aanvoering van Aad Strijbos (Mees & Zoonen, later Marsh) zette zich in voor een meer eigentijdse beursvloer. Die kwam er, als onderdeel voor een totale vernieuwing van het Beursgebouw, in 1983 met half open bedrijfsunits en meer technologische faciliteiten. Daarbij fungeerde de Assurantiebeurs als trekker voor de vele extra kantoorruimte die in het Beurs/World Trade Center beschikbaar kwam. Vooral assurantiebedrijven werden gestimuleerd zich aldaar te vestigen, met als bijkomend voordeel dat de gang naar de beurs, die zich op de begane grond bevond en dagelijks enkele uren in de middag geopend zou zijn, nagenoeg geen (reis)tijd kostte van de beursmedewerkers. Omdat veel verzekeringsbedrijven al in de Maasstad waren gevestigd, viel de belangstelling voor het huren van kantoorruimte in het WTC uiteindelijk tegen.
Assuradeuren verdwijnen
De jaren zeventig werden ter beurze gedomineerd door de vele tientallen assuradeurenbedrijven met fraaie namen als Bicker Caarten & Obreen, Bruns ten Brink, AC Fräser & Co, Moes & Caviet, OWJ Schlencker Assuradeuren, Tollenaar & Wegener en Tulleners van Buren. Zij droegen niet zelf het risico, maar hadden tekenvolmachten van veelal buitenlandse verzekeraars. Voor die verzekeraars was het een aantrekkelijke manier om zonder veel investeringen – kantoorruimte, personeel – op de Nederlandse markt actief te kunnen zijn en waren de kosten – tekenprovisie – gerelateerd aan de omzet.
De kracht van de volmachtbedrijven lag daarnaast in hun hoge graad van vakkennis bij de firmanten zelf, een uitstekende persoonlijke band met de bedrijfsklanten via een uitgebreid old boys network en een sterke mate van reciprociteit met de makelaarsbedrijven. “Nieuwe markten als brand/bedrijfsschade, CAR, machinebreuk en machinebreuk/bedrijfsschade zouden zich nimmer zo snel hebben ontwikkeld als de assuradeurenbedrijven met hun enorme creativiteit en inventiviteit op verzekeringsgebied er niet waren geweest”, verklaart Joop Waterreus.
Toch waren de assuradeuren tien jaar later grotendeels en anno 2004 vrijwel helemaal van het toneel verdwenen. In de jaren zeventig was automatisering nog geen gemeengoed en keek niemand er vreemd van op dat de werkelijke resultaten pas ver in het jaar daarop zichtbaar werden. En die waren niet echt positief voor de ware risicodragers. Het was de tijd waarin volgens Waterreus gesproken werd van ‘lachende makelaars, glimlachende assuradeuren en huilende verzekeraars’. “Het prijs/voorwaardenbeleid was niet bepaald in hun voordeel. Dankzij de automatisering kregen verzekeraars zowel eerder als een beter inzicht in de resultaten en besloten op een gegeven moment dat ze het werk van de gevolmachtigden beter zelf konden doen.”
Stabiel premie-inkomen
In de loop der jaren is de omzet ter beurze tamelijk stabiel gebleven op ca. # 1 mld tot # 1,5 mld. Dat komt door de veranderde marktontwikkelingen. Hoewel de verzekerde sommen stegen, nam het aantal aangeboden posten geleidelijk af. Dit gebeurde zowel aan ‘de onderkant van de markt’, door middel van bundeling van allerlei kleine posten in verzekeringspools, als aan ‘de bovenkant’, door het vertrek van de grote risico’s naar internationale verzekeringsmarkten. Daar kwam bij dat door de schaalvergroting onder verzekeraars zoveel capaciteit in eigen huis voor handen was dat meer posten voor 100% werden getekend.
Vanwege de gunstige economische ontwikkelingen ontstond er overcapaciteit op de wereldwijde verzekeringsmarkt en dat leidde tot een moordende concurrentie. Op deze losgeslagen markt was het acceptatiebeleid van verzekeraars meer omzet- dan winstgericht. “Uit concurrentieoverwegingen konden wij het ons als verzekeraars niet permitteren om verzekeringstechnisch positieve resultaten te maken, want met de daarvoor benodigde premiestelling had je je gewoonweg uit de markt geprezen”, legt Allianz-directeur Kees Krijgsman uit. “De beleggingsportefeuille heeft dit verlies jarenlang gecompenseerd, totdat enkele jaren terug de aandelencrisis kwam. De wal heeft het schip gekeerd. Vanwege de slechte resultaten hebben veel spelers zich uit de Nederlandse co-assurantiemarkt teruggetrokken. Bij de overgebleven partijen is echter het besef teruggekeerd dat het rendement direct uit de verzekeringsactiviteiten moet komen en dat daarvoor een ander, adequaat prijs- en voorwaardenbeleid gehanteerd moet worden.”
Virtuele assurantiebeurs
Daarnaast zijn de bij de VNAB aangesloten makelaars en verzekeraars gaan inzien dat uit concurrentieoverwegingen de (administratie- en distributie)kosten omlaag moesten en de efficiency en snelheid van werken sterk verbeterd. Daartoe zijn de beide marktplaatsen na eeuwenlang dienst te hebben gedaan gesloten en komt hiervoor een virtuele assurantiebeurs in de plaats. Met dit zogeheten elektronische Assurantie Beurs Systeem (e-ABS) vindt zowel de communicatie rond het plaatsen van risico’s als de schadeafwikkeling tussen betrokkenen online plaats. Dit laatste gebeurt al sinds september 2003; de placingmodule treedt volgens plan dit jaar september in werking.
Tot die tijd kunnen beurspartijen elkaar één à twee keer in de week ontmoeten op een tijdelijke marktplaats. Zowel in Amsterdam als Rotterdam is hiervoor ruimte beschikbaar in het WTC-gebouw. De verwachtingen over de resultaten van het e-ABS, dat alleen al aan huisvestings- en personeelskosten jaarlijks een miljoenenbesparing moet genereren, zijn hooggespannen, niet in de laatste plaats omdat het van levensbelang wordt geacht voor het voortbestaan van de vaderlandse co-assurantiemarkt. Al buigt men zich binnen de VNAB nog wel over de vraag hoe het gemis aan het voor het beurswerk zo essentieel geachte persoonlijk contact kan worden ondervangen.
In makelaars- en verzekeraarskringen is men ervan overtuigd dat er een rol blijft weggelegd voor de co-assurantiemarkt. Dit omdat er altijd risico’s blijven die vanwege hun omvang en/of complexiteit financieel te groot zijn om door één verzekeraar gedragen te worden. Mede door de komst van e-ABS kan co-assurantie voor dit soort risico’s de meest efficiënte manier van risicofinanciering blijven. Toch realiseert eenieder zich wel dat de grote bedrijfsklanten alternatieve risicofinancieringsoplossingen tot hun beschikking hebben en dat mede daardoor een goede toekomst minder vanzelfsprekend is als vroeger werd aangenomen.
“Een gemiste kans”, is de terugblik van Rolf van der Wal op het afketsen van de voorgenomen fusie van de assurantiebeurzen.
Op keiharde houten bankjes zakendoen.
Rotterdamse assurantiebeurs in jaren zeventig.
Amsterdamse assurantiebeurs in jaren tachtig.

Reageer op dit artikel