Home › nr. 18 › Retentierecht dossier advocaat
25-09-1998 • Archief • 0 reacties
nr. 450
Een advocaat staat een tweetal BV's bij in een procedure. De BV's worden in staat van faillissement verklaard op een moment waarop er nog een bedrag van ruim f 66.000 terzake van onbetaald gebleven declaraties van die advocaat openstaat. De curator in het faillissement van de BV's, die de procedure wenst voort te zetten, zegt onvoldoende middelen te hebben om de openstaande declaraties uit de boedel te voldoen. Hij vraagt de advocaat, hem het dossier met betrekking tot genoemde procedure ter beschikking te stellen. De advocaat weigert evenwel aan het verzoek gehoor te geven en beroept zich op een retentierecht op het dossier. Hij laat de curator weten dat hij het dossier slechts ter beschikking wil stellen onder de voorwaarde, dat zijn openstaande declaraties te zijner tijd uit de baten van de procedure worden voldaan. De curator laat het er niet bij zitten en vordert in kort geding afgifte van het dossier. De president van de rechtbank wijst de vordering toe, dit echter onder de voorwaarde, dat de curator een gedeelte van de openstaande declaraties aan de advocaat voldoet. Beide partijen gaan in hoger beroep. Naar de mening van het hof komt het standpunt van de advocaat erop neer, dat zijn vordering tot betaling van de openstaande declaraties wordt gelijkgesteld met vorderingen van boedelcrediteuren, ontstaan door toedoen van de curator, terwijl de advocaat slechts als gewoon (concurrent) crediteur kan worden aangemerkt. Nu de advocaat niet heeft bestreden dat de curator in het belang van de boedel over het dossier dient te beschikken, terwijl tussen partijen vaststaat dat het dossier zich niet leent voor verkoop, acht het hof voortgezette uitoefening van het retentierecht door de advocaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het vonnis van de president van de rechtbank wordt derhalve vernietigd en het hof veroordeelt de advocaat tot afgifte van het dossier aan de curator. (KB)
Aansprakelijkheid omgevallen boom.
Een boom, eigendom van de gemeente, valt om en beschadigt een auto. De boom bleek gedeeltelijk verrot. De eigenaar van de auto spreekt de gemeente aan op grond van artikel 6:174 lid 3 BW. Deze vordering is niet voor toewijzing vatbaar. Artikel 6:174 lid 3 heeft betrekking op opstallen. Daaronder moeten worden verstaan kunstmatig gebouwde constructies of delen daarvan. Bomen vallen daar buiten.
Voor een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is meer nodig dan het enkele omvallen van een gedeeltelijk verrotte boom. Vereist is dat de gemeente tekort geschoten is in haar algemene zorgplicht als wegbeheerder. In dit geval was de boom minder dan twee jaar vóór het omvallen gesnoeid en gecontroleerd. Nu er niet sprake was van een situatie van een verhoogd risico heeft de gemeente aan haar zorgplicht voldaan. (WL)
Redelijke kosten van rechtsbijstand.
In deze procedure komt de vraag aan de orde of de kosten gemaakt in verband met een procedure bij het Medisch Tuchtcollege als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid moeten worden aangemerkt.
Het Hof beslist dat wanneer een arts betwist zich aan verwijtbaar handelen te hebben schuldig gemaakt, een klacht bij het Medisch Tuchtcollege een redelijke actie kan zijn ter vaststelling van de aansprakelijkheid. De kosten daarvan kunnen in dat geval - voorzover in redelijkheid gemaakt - worden aangemerkt als kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW. In dit geval echter beslist het Hof dat de klacht niet is ingediend om de aansprakelijkheid vast te stellen. Ruim voordat de mondelinge behandeling van de klacht door het Medisch Tuchtcollege plaatsvond, was de aansprakelijkheid al min of meer erkend. De kosten aan die tuchtprocedure verbonden komen niet voor verhaal in aanmerking. (WL)
Rechten uit artikel 7:507 BW vatbaar voor subrogatie?
Een ziektekostenverzekeraar heeft ziektekosten van een tweetal verzekerden vergoed en neemt als gesubrogeerd verzekeraar verhaal op de (contractueel) aansprakelijke reisorganisator.
De reisorganisator stelt zich op het standpunt dat de rechten van de reiziger uit hoofde van artikel 7:705 BW (waarop de gesubrogeerde vordering is gebaseerd) niet vatbaar zijn voor subrogatie. Zij beroept zich onder meer op de tijdelijke regeling verhaalsrechten (art. 6:197 BW) en de verkeersjurisprudentie, waarin eveneens verschil wordt gemaakt tussen de vordering van de benadeelde zelf en de gesubrogeerde verzekeraar.
Het Hof verwerpt deze stellingen. Artikel 7:705 BW valt niet onder de werking van de tijdelijke regeling verhaalsrechten. Deze somt uitdrukkelijk op welke artikelen ten aanzien van de gesubrogeerde verzekeraar buiten toepassing blijven. Het betreft daarbij een regeling van delictuele en niet van contractuele aansprakelijkheid, zoals in dit geval. Ook in de parlementaire geschiedenis omtrent de reisovereenkomst is geen verwijzing naar deze regeling te vinden.
De vergelijking met de verkeersaansprakelijkheid gaat mank. Deze is gebaseerd op de billijkheidscorrectie bij het leerstuk van de 'eigen schuld', waarvan in dit geval geen sprake is.
De door de ziektekostenverzekeraar gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. De drie uitgebreide brieven die aan de procedure vooraf zijn gegaan en waarvoor - aldus de verzekeraar - de nodige studie is verricht, worden aangemerkt als verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. De vordering van de ziektekostenverzekeraar wordt met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen. (MR)
Brandverzekering; bestemmingswijziging.
Een boerderij brandt af. De eigenaren zijn tegen brand verzekerd bij verzekeraar. Sedert 1991 is de boerderij verhuurd. Na de brand blijkt dat de huurder - in ieder geval - in de kelder van de boerderij (circa 6 m bij 4 m) een illegale hennepkwekerij hield. De oorzaak van de brand is niet bekend. Bij expertise blijkt dat ten behoeve van de kwekerij vele elektrische apparaten, waaronder assimilatielampen gedurende een groot aantal uren per etmaal moesten draaien, met als gevolg een groter risico op kortsluiting.
Verzekeraar weigert uitkering. Primair met een beroep op artikel 293 K. Subsidiair met een beroep op een risicoverzwaringsartikel in de polisvoorwaarden. Dit artikel doet het recht op uitkering vervallen, indien een risicoverzwaring niet tijdig is gemeld tenzij de verzekeringnemer bewijst dat geen causaal verband bestaat tussen de brand en de risicoverzwaring.
Rechtbank, Hof en Hoge Raad overwegen dat aan de vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 293 K is voldaan. Daartoe is niet - zoals verzekeringnemers betogen - vereist dat de bestemmingswijziging door toedoen of met medeweten van de verzekeringnemer tot stand is gekomen. Het belang van de verzekeraar, die ten behoeve van de premiestelling zijn risico'_ moet kunnen inschatten weegt zwaarder dan het belang van de niets vermoedende verzekeringnemer die zich verzekerd waant en moet ontdekken dat dit niet geval is.
Desalniettemin vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof om de volgende reden. Verzekeringnemers hebben hun vordering mede gebaseerd op de polisbepaling omtrent risicoverzwaring en hebben daarbij (gespecificeerd) aangeboden te bewijzen dat de brand geen verband hield met de hennepteelt. Het Hof heeft één en ander gepasseerd. De Hoge Raad komt uit het verloop van het geding en de door partijen ingenomen stellingen tot de conclusie dat beide partijen de betreffende polisbepaling kennelijk hebben opgevat als derogerend aan artikel 293 K op het punt van het causaal verband. Dat brengt met zich dat verzekeringnemer de gelegenheid moet krijgen te bewijzen dat er geen causaal verband tussen brand en hennepteelt bestaat. In dit licht heeft het hof het bewijsaanbod ten onrechte gepasseerd. De zaak wordt terugverwezen. (MR)
Meest gelezen deze week
Snelzoeken vacatures
Assurantiemagazine is een product van Kluwer - © www.amweb.nl