Home › nr. 18 › Kwart levensverzekeraars interpreteert code onjuist
26-09-1997 • Archief • 0 reacties
Levensverzekeraars zijn nog altijd nauwelijks open over de kosten van beleggingsverzekeringen en ze hanteren geen eenduidige definities voor begrippen als bruto- en nettofonds- en productrendement. De gedragscode Rendement en Risico levert hoegenaamd geen verbeteringen op. Dat concluderen actuarieel bureau Hammer en pensioenadviesbureau Valkenburg na een onderzoek onder 25 aanbieders van beleggingspolissen. "Het is triest, maar zelfs een vakman kan deze producten niet goed vergelijken."
De conclusies wijken niet veel af van het onderzoek van twee jaar geleden, toen de gebroeders Valkenburg - Falco (actuarieel bureau Hammer uit Rotterdam) en Ivo (pensioenbureau Valkenburg uit Brummen) - hun eerste 'Marktverkenning beleggingsverzekeringen' hielden.
"In vergelijking met 1995 geven verzekeraars wel wat meer openheid over kosten", weet Ivo Valkenburg. "Die beweging is positief. Ik denk dat het intermediair ook om die openheid vraagt. Maar, er bestaan nog steeds grote onduidelijkheden en interpretatieverschillen. Het is pijnlijk om te moeten concluderen, maar je kunt offertes voor beleggingsverzekeringen eigenlijk niet met elkaar vergelijken."
Hammer en Valkenburg benaderden in totaal 38 verzekeraars, waarvan er uiteindelijk 25 in het onderzoek zijn opgenomen. Grote maatschappijen als Amev, Interpolis en Delta Lloyd verleenden wegens 'tijdgebrek' geen medewerking. Van de in totaal 29 onderzochte beleggingsverzekeringen (zowel unit-linked als universal-life) zijn acht elementen onder de loep genomen: algemeen, premiebetaling, fondsen, kosten, provisie, dekking overlijdensrisico en arbeidsongeschiktheidsrisico en informatieverstekking aan de klant over kosten en inhoudingen.
Slecht inzicht
Een van de belangrijke onderdelen van het onderzoek zijn de diverse kostenposten. Volgens Hammer/Valkenburg zijn er twee bruto-/nettotrajecten te onderscheiden.
Het eerste traject betreft het beleggingsfonds. Het brutorendement van een beleggingsfonds is het totaal gerealiseerde rendement na aftrek van transactiekosten. Trekken we daar de beheer- en bewaarvergoedingen vanaf, dan resteert het nettofondsrendement. Dit rendement komt ten goede aan de belegger. Het nettofondsrendement is gelijk aan het brutoproductrendement. Daarna volgt het tweede traject: de kosten van de verzekeraar (inclusief risicodekkingen). Na aftrek van deze verzekeraarskosten resteert het nettoproductrendement.
De openheid van verzekeraars over het eerste traject is ronduit bedroevend. Slechts 12% (drie van de 25 verzekeraars) vermeldt deze kosten aan de consument door middel van brochures en/of offertes. De onderzoekers verging het niet veel beter: aan hen gaf 32% duidelijkheid over de kosten van het beleggingsfonds. "En dan nog uitsluitend over de beheerskosten. Wij hebben echter de stellige indruk dat hier nog meer kosten in rekening worden gebracht. Over de omvang kun je slechts gissen, maar we hebben het idee dat hier een belangrijk deel van de verdiensten wordt behaald", aldus Valkenburg.
Volgens Ivo Valkenburg verwijzen veel verzekeraars voor deze kosten naar de beleggingsfondsen of de beheerders daarvan. "Bij verzekeraars leeft het idee dat zij niet de aangewezen persoon zijn om de consument hierover in te lichten. Maar dat is wat al te lichtvaardig gedacht. Die klant sluit namelijk een contract met de maatschappij. Die moet de klant daarom volledig inlichten over de kosten; ook als die kosten ten goede komen aan een derde, de vermogensbeheerder."
Over de kosten van de verzekeraar ontbreekt eveneens de nodige openheid. Naar de onderzoekers toe gaf 80% hierover duidelijkheid, zij het soms na veelvuldig aandringen. Maar volgens Hammer/Valkenburg wordt de consument slechts in 48% van de gevallen openheid verschaft (via brochures of offertes). Tien van de 25 maatschappijen (40%) geven de consument helemaal geen informatie over de kosten en inhoudingen door de verzekeraar.
Valkenburg werd onder meer verrast door de veelheid aan kostencategorieën die verzekeraars hanteren. "Het zou goed zijn als men een wat meer uniforme terminologie ging hanteren. En verzekeraars moeten duidelijk maken welke kosten zíj in rekening brengen en welke kosten het beleggingsfonds maakt. Zo reppen veel verzekeraars ten onrechte over beheerskosten. Dit suggereert kosten voor het beheer van de beleggingen, terwijl het in de praktijk vaak administratiekosten van de verzekeraar zijn."
Gedragscode
Nog meer vaagheden worden gecreëerd door verschillen in de interpretatie van definities. Een kwart van de verzekeraars bleek bijvoorbeeld ten onrechte te spreken van een nettofondsrendement. Dat zou - ook volgens de code Rendement en Risico - het brutofondsrendement minus alle kosten van het beleggingsfonds moeten zijn. Het rendement derhalve dat volledig aan de belegger wordt doorgegeven. Echter, diverse maatschappijen bleken op dit 'nettorendement' eerst nog beheers- en/of verkoopkosten in rekening te brengen.
De onderzoekers halen fors uit in de richting van de door het Verbond van Verzekeraars opgestelde gedragscode Rendement en Risico. Punten van kritiek zijn:
over het bruto fondsrendement dat nodig is voor het behalen van een netto fondsrendement hoeft niets gezegd te worden;de kosten van beleggingsfonds en verzekeraar blijven geheel buiten beeld;door de zes opeenvolgende reeksen van vijftien jaar voor de performance-berekening ontstaat een marginale bandbreedte, waardoor te weinig inzicht in de risico's wordt gegeven. Dit laatste wordt versterkt doordat bij de invoering van de code de reeksen een periode betreffen met extreem hoge rendementen;het begrip nettofondsrendement is onvoldoende gedefinieerd, aangezien verzekeraars het op verschillende manieren uitleggen.Vergelijking
De onderzoekers hebben de maatschappijen gevraagd een voorbeeldkapitaal te berekenen op basis van gelijke uitgangspunten: een 30-jarige man, 25 jaar durende verzekering en premiebetaling, jaarpremie f 11.516, 90% overlijdensdekking en een nettofondsrendement van 7%. Verzekeraars gaven voor dit specifieke geval voorbeeldkapitalen op die varieerden tussen f 589.146 en f 890.623. Voor zover mogelijk gecorrigeerd voor niet correct verwerkte kosten, kwamen de voorbeeldkapitalen uit op f 577.500 tot f 743.300: een verschil tussen de hoogste en de laagste van ruim 28%.
Ivo Valkenburg tekent hierbij aan dat voor een goede vergelijking het nettofondsrendement geen goed uitgangspunt is. "Ten eerste omdat dan de kosten van het beleggingsfonds volledig buiten beschouwing blijven. Daarnaast is het zo dat verzekeraars het begrip netto verschillend uitleggen. Bij enkele maatschappij worden op een nettofondsrendement van 7% toch nog beheerskosten in mindering gebracht, waardoor netto bijvoorbeeld maar 6,5% overblijft."
Actuarieel bureau Hammer heeft veel moeite gehad om de voorbeeldkapitalen na te rekenen. Daarbij kwamen regelmatig nog niet eerder gemelde kosten aan de oppervlakte. Ivo Valkenburg: "Wat ik persoonlijk in de praktijk heel irritant vind, is dat op opgegeven voorbeeldkapitalen nog verkoopkosten in rekening worden gebracht. Men belooft een kapitaal op einddatum van f 600.000 en maakt vervolgens maar f 594.000 over."
"Door een gebrek aan openheid zijn beleggingsverzekeringen nauwelijks met elkaar te vergelijken. Zelfs niet door vakmensen als wij. Dat is triest", vindt Valkenburg. Wat hem ook stoort, is de hoge mate van onwetendheid bij verzekeraars. "Er wordt heel veel onzin verkocht. Ik zeg niet dat dat met opzet gebeurt, maar we zijn op een enorm gebrek aan kennis van zaken gestuit, tot op hoog niveau aan toe."
Het rapport 'Marktverkenning beleggingsverzekeringen' is te bestellen bij bureau Hammer (tel. 010-207.55.00) of pensioenadviesbureau Valkenburg (tel. 0575-565.722) en kost f 3.000. Deelnemende verzekeraars betalen f 2.250 (excl. btw).
Falco (l) en Ivo Valkenburg: "Er wordt veel onzin verkocht."
Apeldoornse Beurspolis
Opmerkelijk in het onderzoek van Hammer en Valkenburg is het product Apeldoornse Beurspolis van Lanfermeijer & Partners. Deze verzekering, waarbij rechtstreeks in aandelenfondsen belegd kan worden, is namelijk nog niet verkrijgbaar. De polis werd in 1995 al met veel tamtam in Monaco geïntroduceerd.
De daadwerkelijke lancering laat echter nog steeds op zich wachten. In het onderzoek staat 1 oktober aanstaande als verwachte ingangsdatum van het product vermeld. Desgevraagd laat Lanfermeijer echter al weten dat daar nog zeker wel een maand bijgeteld kan worden. Overigens verstrekte Lanfermeijer geen voorbeeldkapitaal.
Altijd wel een reden voor een kostenpost
De inventarisatie van actuarieel bureau Hammer en pensioenadviesbureau Valkenburg in hun onderzoek 'Marktverkenning beleggingsverzekeringen' heeft een veelheid aan kosten opgeleverd. In totaal gaven de 25 aanbieders veertien verschillende soorten kosten op, waarvan de meeste in meerdere varianten voorkomen, namelijk:
verlaagde allocatie (verlaagde investering)eerste kosten (afsluitkosten)incassokosten (stortingskosten)poliskostenadministratiekosten (doorlopende kosten, eerste, vaste, variabele of doorlopende administratiekosten)afsluitprovisie (provisiekosten)aankoopkostenswitchkostenbeheerskostenafkoopkosten (uittreedkosten)kostenopslag voor premiebetaling in termijnenwijzigingskostenbeloning gerelateerd aan de beleggingsperformancewinstopslag.Meest gelezen deze week
Peiling
Niet slagen voor een PE-examen leidt direct tot intrekking van de (deel)vergunning. Is dat terecht?
Snelzoeken vacatures
Assurantiemagazine is een product van Kluwer - © www.amweb.nl