nieuws

Botsing met een hond; bezitter aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW

Schade 1890

Een mevrouw laat aan het einde van de middag haar hond uit op een omheind veldje. Op het veldje zijn meer mensen met een hond. Ze gaan vrolijk met elkaar spelen. Maar dan gaat het mis. Een botsing met een van de honden heeft een botbreuk bij de vrouw tot gevolg. De vrouw houdt de bezitter van de hond aansprakelijk.

Botsing met een hond; bezitter aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW

Op 11 oktober 2016 wees de Rechtbank Gelderland een uitspraak over de aansprakelijkheid van een hondenbezitter. De casus is als volgt. Een mevrouw laat aan het einde van de middag haar hond uit op een omheind veldje. Op het veldje was ook een jongen aanwezig met diens hond en nog twee andere personen met hun hond. Alle honden waren op dat moment nog aangelijnd. Vervolgens heeft mevrouw voorgesteld om de honden los te laten zodat ze met elkaar konden gaan spelen. En zo geschiedde: de honden tuimelden vrolijk over elkaar heen.

Maar op enig moment gaat het mis. Terwijl de hondenbezitters met elkaar staan te praten is de hond van de jongen, een Amerikaanse staffordshireterriër, tegen het linkerbeen van mevrouw aangerend met een botbreuk in het linker kniegewricht tot gevolg.

Mevrouw houdt vervolgens op grond van artikel 6:179 BW de jongen als bezitter van de hond en diens aansprakelijkheidsverzekeraar aansprakelijk voor haar schade als gevolg van de botsing.

Juridisch kader

Ingevolge artikel 6:179 BW is een bezitter van een dier aansprakelijk voor schade die door het dier is aangericht. Aan deze aansprakelijkheid ligt ten grondslag het onberekenbare element dat in de eigen energie van het dier ligt opgesloten.

In de onderhavige zaak is niet in geschil dat de jongen als bezitter van de hond die tegen mevrouw is aangerend in beginsel op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk is voor de schade die deze hond bij haar heeft aangericht. Wel werpen de jongen en diens aansprakelijkheidsverzekeraar een tweetal verweren op: rechtsverwerking en eigen schuld. Op deze verweren ga ik in het onderstaande nader in.

Rechtsverwerking

In de eerste plaats beroepen de jongen en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar zich erop dat mevrouw haar recht heeft verwerkt om een beroep te doen op artikel 6:179 BW. Daaraan leggen zij ten grondslag dat mevrouw heeft aanvaard dat het loslaten van de hond van de jongen voor haar eigen risico zou komen. In dat verband voeren zij aan dat de jongen zijn hond pas heeft losgelaten nadat hij mevrouw erop had gewezen dat het drukke karakter van zijn hond voor eigen risico van mevrouw zou komen. Dit wordt betwist door mevrouw.

De vraag rijst wanneer sprake is van ‘rechtsverwerking’. Uit de rechtspraak blijkt dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0271). Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 29 sep­tember 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827).

In casu slaagt het beroep op rechtsverwerking niet. De rechtbank oordeelt dat zelfs indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de jongen voordat hij zijn hond losliet mevrouw erop heeft gewezen dat het drukke karakter van zijn hond voor eigen risico van mevrouw zou komen, dit verweer niet slaagt. De rechtbank overweegt daartoe dat het loslaten van de hond erop was gericht dat de honden met elkaar konden spelen. Bij risico’s die zich in dat verband zouden kunnen voordoen moet worden gedacht aan hetgeen de honden elkaar kunnen aandoen, maar niet aan gevaren voor toekijkende personen. Volgens de rechtbank kan door mevrouw hooguit het gerechtvaardigde vertrouwen zijn gewekt dat zij eventuele schade aan haar eigen hond zelf zou dragen, niet dat zij afzag van eventuele aanspraak op vergoeding van eigen letselschade.

Nu het verweer van rechtsverwerking strandt, staat daarmee de aansprakelijkheid en vergoedingsplicht van de jongen en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar vast. Daarop anticiperend hebben de jongen en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar zich ook beroepen op eigen schuld.

Eigen schuld

Een beroep op eigen schuld ziet op de vraag of de vergoedingsplicht vanwege eigen schuld op grond van artikel 6:101 BW moet worden gereduceerd. Daarvan is in dit geval sprake indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan mevrouw kan worden toegerekend. De jongen en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar menen dat sprake is van eigen schuld, omdat mevrouw is blijven aandringen op het loslaten van de hond van de jongen en uit onoplettendheid niet is uitgeweken voor de hond.

De rechtbank stelt voorop dat de wetgever een beroep op eigen schuld ook mogelijk heeft geacht bij aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW. Daarbij noemt de rechtbank – onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van Boek 6 – de volgende voorbeelden:

de bezoeker van een dierentuin die door eigen onvoorzichtigheid wordt gebeten of een jongen die een dier ophitst en er door wordt gekwetst”.

Hoe zit het dan met het gestelde aandringen op het loslaten van de hond en het niet uitwijken. Zijn dit omstandigheden die eigen schuld aan de zijde van mevrouw opleveren? De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank acht daartoe van belang dat slechts is gesteld dat de jongen in algemene zin heeft aangegeven dat zijn hond druk was, niet dat deze hond eenmaal losgelaten in volle vaart tegen personen kon aanrennen. Aangezien mevrouw niet wist van dit bijzondere gevaar is het aandringen op het loslaten van de hond en het niet uitwijken geen abnormaal gedrag. Bovendien benadrukt de rechtbank dat het juist de onberekenbaarheid van de eigen energie van de hond is die zich hier heeft verwezenlijkt.

Kortom: ook het beroep op eigen schuld biedt de jongen en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar geen soelaas en zij zijn volledig aansprakelijk voor de schade van mevrouw.

Conclusie

Uit de onderhavige uitspraak van de Rechtbank Gelderland blijkt maar weer eens dat een beroep op rechtsverwerking niet snel opgaat. Er moet immers sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Ook zal niet al te snel sprake zijn van eigen schuld bij aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW, want dan moet de door het dier aangerichte schade mede te wijten zijn aan onvoorzichtigheid of roekeloosheid van de benadeelde.

Auteur: Frank van Toorn

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.