nieuws

Vordering shockschade verjaard. Is de schade tot na de verjaringstermijn verborgen gebleven?

Schade 533

Een jongen treft in 1992 zijn vader tijdens een hartinfarct in de badkamer. Op latere leeftijd krijgt de jongen psychische problemen waardoor zijn jeugdtrauma opnieuw wordt aangewakkerd. Hij start een procedure tegen de huisarts van zijn vader als blijkt dat deze mogelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Is deze vordering op shockschade verjaard?

Vordering shockschade verjaard. Is de schade tot na de verjaringstermijn verborgen gebleven?

In 1992 heeft een man (eiser) zijn vader tijdens een hartinfarct aangetroffen in de badkamer. Vader was nauwelijks aanspreekbaar en is kort daarna opgehaald door een ambulance. Eiser is eerst nog naar school is gegaan. Kort daarna is hij door een medewerker van de school naar het ziekenhuis gebracht. In het ziekenhuis is de vader, ondanks reanimatie door de cardioloog, (op 43-jarige leeftijd) overleden. Eiser was ten tijde van deze gebeurtenis 13 jaar oud.

Op latere leeftijd krijgt eiser psychische problemen waardoor voornoemd jeugdtrauma opnieuw wordt aangewakkerd. Als blijkt dat de toenmalige huisarts van zijn vader mogelijk verwijtbaar heeft gehandeld, start eiser een (dagvaardings)procedure tegen hem. Eiser verwijt de huisarts zijn vader ten onrechte niet te hebben doorverwezen naar een specialist. Ook zou hij onware mededelingen hebben gedaan aan de cardioloog. De schade van eiser ziet (met name) op shockschade.

De huisarts voert gemotiveerd verweer en stelt (onder meer) dat de vordering is verjaard. Gezien de verstrekkende gevolgen van dit verweer, buigt de kantonrechter zich eerst over de verjaringsvraag.

De beoordeling: verjaring

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW bedraagt de verjaringstermijn 20 jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De rechtbank Midden-Nederland stelt dan ook voorop dat de vordering van eiser in beginsel in het najaar van 2012 is verjaard. Eiser heeft de dagvaarding pas uitgebracht op 15 april 2016. Dit neemt niet weg, zo vervolgt de kantonrechter, dat een verjaring kan worden gestuit of verlengd. Ook kan een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Verjaring gestuit?

Eiser meent dat de verjaring is gestuit, omdat de huisarts zijn schuld aan het overlijden heeft erkend ex artikel 3:318 BW. Dit zou (onder meer) blijken uit een gesprek tussen eiser en de huisarts waarbij de huisarts heeft erkend dat hij de diagnose angina pectoris had behoren te stellen.

De kantonrechter oordeelt echter als volgt:

Ook in het geval [gedaagde] in dit gesprek zou hebben gezegd dat hij de diagnose angina pectoris had behoren te stellen, heeft hij daarmee niet erkend dat hij ter zake schadevergoeding aan [eiser] verschuldigd was.

Kortom: de verjaring is niet gestuit.

Verjaring verlengd?

Eiser stelt daarnaast dat de verjaringstermijn van 20 jaar is verlengd op grond van artikel 3:321 lid 1 sub f BW. De huisarts zou namelijk opzettelijk het bestaan van de schuld verborgen hebben gehouden.

Ook in deze stelling wordt eiser niet gevolgd:

Indien al van een verborgen houden sprake is geweest, [gedaagde] heeft dit betwist, dan kan uit het hierna in punt 4.8 geciteerde verslag dat [eiser] heeft opgesteld van zijn gesprek met [gedaagde] van 7 juni 2010 worden afgeleid dat [eiser] toen al het vermoeden had dat [gedaagde] valse informatie aan de cardioloog had verstrekt. [eiser] heeft er in dat gesprek immers op doorgevraagd of [gedaagde] aan de cardioloog had doorgegeven dat zijn vader rookte. Omdat op de datum van dit gesprek de verjaringstermijn nog niet was verstreken en evenmin binnen 6 maanden zou verstrijken, heeft zich geen verlengingsgrond voorgedaan.

De kantonrechter vervolgt:

Ook indien [eiser] op 7 juni 2010 nog niet het vermoeden had dat [gedaagde] valse informatie had verstrekt, dan zou dit geleid hebben tot verlenging van de verjaringstermijn totdat 6 maanden na het verdwijnen van de verlengingsgrond zijn verstreken (artikel 3:320 BW). Nu uit de sommatiebrief van 20 januari 2014 blijkt dat [eiser] in ieder geval op dat moment wél bekend was met de door [gedaagde] volgens [eiser] verborgen gehouden feiten, is de verjaringstermijn in ieder geval 6 maanden nadien geëindigd, dus op 20 juli 2014.

Beroep op verjaring onaanvaardbaar?

Tot slot betoogt eiser dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Eiser beroept zich hierbij op het Van Hese/De Schelde-arrest, HR 24 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635.

De kantonrechter stelt voorop dat dit arrest slechts ziet op de situatie:

dat de schade zich eerst heeft geopenbaard nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken en dat het voor de gelaedeerde dus niet mogelijk was nog tijdens de verjaringstermijn een vordering in te stellen.

Dat is hier niet het geval. Het blijkt dat eiser uiterlijk op 7 juni 2010 bekend was met het feit dat de huisarts in het najaar van 1992 mogelijk verwijtbaar handelde. De schade heeft zich dus nog tijdens de lopende verjaringstermijn geopenbaard. Eiser had nog ruim twee jaar de tijd om de toenmalige huisarts van zijn vader aansprakelijk te stellen, maar is daartoe niet overgegaan. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet wordt toegekomen aan de doorbrekingsgronden van het Van Hese/De Schelde-arrest.

Conclusie

Het verweer van de huisarts slaagt. De vordering van eiser is verjaard en wordt door de rechtbank afgewezen.

Auteur: Letske Hofstra

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.