nieuws

Hoge Raad oordeelt over aansprakelijkheid en bewijslast bij schade tijdens bruikleen (en bewaarneming)

Schade 1122

Wanneer iemand een zaak leent of voor een ander bewaart, is hij verplicht deze op enig moment terug te geven. Dat moet hij doen in de staat waarin hij de zaak eerder heeft ontvangen. Daarnaast is hij verplicht de zorg van een goed bewaarder in acht te nemen. In procedures wordt geregeld gediscussieerd over de vraag hoe deze teruggave- en zorgplicht zich tot elkaar verhouden.

Hoge Raad oordeelt over aansprakelijkheid en bewijslast bij schade tijdens bruikleen (en bewaarneming)

Ook de mate van zorg die van een bruiklener c.q. bewaarnemer mag worden verwacht, is vaak onderwerp van debat. In een arrest van 30 juni 2017 schept de Hoge Raad (meer) duidelijkheid.

Eerder artikel

In een eerder artikel ben ik, naar aanleiding van een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ingegaan op de vraag of bij bewaarneming sprake is van een resultaats- of inspanningsverplichting. Is voor aansprakelijkheid van de bewaarnemer voldoende dat hij de zaak niet of in beschadigde toestand teruggeeft (resultaat), of is ook vereist dat hij niet de zorg van een goed bewaarder in acht heeft genomen (inspanning)? De eerste variant leidt vanzelfsprekend (veel) sneller tot aansprakelijkheid dan de tweede.

In de hiervoor bedoelde zaak ging het hof uit van een inspanningsverplichting, zij het met een voor de bewaarnemer nadelige bewijslastverdeling. Volgens het hof hoeft de bewaargever enkel te stellen en te bewijzen dat de bewaarnemer zijn teruggaveplicht heeft geschonden (art. 7:600 jo. 7:605 lid 4 BW). Slaagt de bewaargever daarin, dan is de tekortkoming van de bewaarnemer gegeven (art. 6:74 BW). De bewaarnemer kan vervolgens aan aansprakelijkheid ontkomen door te stellen en te bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen (art. 7:602 BW). Slaagt de bewaarnemer daarin, dan is de tekortkoming niet aan hem toerekenbaar en is hij dus (toch) niet aansprakelijk (art. 6:75 BW).

In mijn artikel signaleerde ik dat er in de jurisprudentie ook andersluidende uitspraken te vinden zijn en dat een heldere lijn (dus) ontbreekt. Het was wachten op een oordeel van de Hoge Raad.

Dat oordeel is er op 30 juni 2017 gekomen. Het arrest heeft betrekking op bruikleen, maar schept mijns inziens ook duidelijkheid over bewaarneming. Behalve op de verhouding tussen de teruggave- en zorgplicht, gaat de Hoge Raad ook in op de mate van zorg die van een bruiklener mag worden verwacht.

Onderliggende casus

De procederende partijen zijn een man en zijn AVP-verzekeraar. De zaak draait om een aanhangwagen, die de man had geleend om zijn zoon te kunnen helpen bij een verhuizing. Op de dag van de verhuizing heeft de vader de aanhangwagen gedurende ongeveer anderhalf uur op een openbaar parkeerterrein geparkeerd. Ter beveiliging heeft de vader de aanhangwagen met een slot vastgemaakt aan de trekhaak van zijn auto. Desondanks is de aanhangwagen gestolen.

De man heeft de eigenaar van de aanhangwagen schadeloos gesteld en zijn AVP-verzekeraar verzocht de schade te vergoeden. De AVP-verzekeraar heeft echter dekking geweigerd, omdat zij de man niet aansprakelijk acht. De man heeft zijn AVP-verzekeraar daarop in rechte betrokken.

Procedureverloop

Ondanks het relatief geringe schadebedrag van € 1.615,05 hebben partijen in drie instanties geprocedeerd. Nadat de man door zowel de kantonrechter als het hof in het ongelijk is gesteld, probeert hij het bij de Hoge Raad.

Het hof had geoordeeld dat geen sprake was van een onverantwoord risico en dat de man dus de zorg van een goed huisvader (art. 7A:1781 BW) in acht heeft genomen. Het hof achtte bepalend dat het een bovengronds parkeerterrein betrof, dat zich rondom woningen bevonden, dat geregeld fietsers en voetgangers passeerden, dat de aanhangwagen overdag en niet onnodig lang op het parkeerterrein heeft gestaan en dat de man de aanhangwagen met een slot had vastgemaakt.

In cassatie klaagt de man met name over de door het hof aangelegde maatstaf. Volgens de man zou het hof hebben miskend dat de zorgplicht van de bruiklener inhoudt dat hij “alles moet doen wat menselijkerwijs mogelijk is om verlies of beschadiging van de in bruikleen ontvangen zaak te voorkomen en dat dus niet voldoende is dat de bruiklener niet een onverantwoord groot risico heeft genomen of dat niet gezegd kan worden dat sprake is geweest van onzorgvuldig, nalatig of roekeloos handelen van de bruiklener”.

Oordeel Hoge Raad

Nadat A-G Wuisman heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, is het woord aan de Hoge Raad. Het arrest begint met een samenvatting van de verplichtingen die op een bruiklener rusten:

Op degene die een zaak in bruikleen heeft ontvangen, rusten – behoudens voor zover uit de overeenkomst anders voortvloeit – twee primaire verplichtingen: hij dient de zaak bij het einde van de bruikleen aan de uitlener terug te geven (art. 7A:1777 BW) en hij moet tot op dat moment ‘als een goed huisvader’ voor de bewaring en het behoud van de zaak zorgen (art. 7A:1781 lid 1 BW). Voorts gelden de in deze zaak niet aan de orde zijnde voorschriften dat de bruiklener van de zaak geen ander gebruik mag maken dan de aard van de zaak meebrengt of uit de overeenkomst voortvloeit (art. 7A:1781 lid 2 BW) en dat hij niet aansprakelijk is voor waardevermindering van de zaak als gevolg van het overeengekomen gebruik (art. 7A:1784 BW).

Aansluitend gaat de Hoge Raad in op de verhouding tussen de twee primaire verplichtingen, de teruggave- en zorgplicht:

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de bruiklener de zaak bij het einde van de bruikleen in beginsel dient terug te geven in de staat waarin hij deze ontvangen heeft. Is hij daartoe niet in staat, maar heeft hij wel de zorg van een goed huisvader in acht genomen, dan is sprake van een niet-toerekenbare tekortkoming en is hij dus niet aansprakelijk voor slijtage, beschadiging of verlies van de zaak.

De Hoge Raad doet in deze bruikleenzaak dus hetzelfde als het hof in de hiervoor besproken bewaarnemingszaak: schending van de teruggaveplicht levert een tekortkoming op, die evenwel niet-toerekenbaar is als de bruiklener zijn zorgplicht is nagekomen. Volgens de hoofdregel uit art. 150 Rv rust de bewijslast van de tekortkoming (teruggaveplicht geschonden) op de bruikleengever, van de niet-toerekenbaarheid (zorgplicht nagekomen) op de bruiklener.

Wat resteert is de vraag wat de zorgplicht van de bruiklener inhoudt. De Hoge Raad blijkt de opvatting van de man in dat kader niet te delen en verwerpt zijn cassatieklacht:

Uit de wettelijke regeling van bruikleen volgt niet dat aan de verplichting om voor het behoud van de zaak ‘als een goed huisvader’ te zorgen, hogere eisen moeten worden gesteld dan de eisen die worden gesteld in bijvoorbeeld art. 6:27 BW (zorgvuldig schuldenaar).

Wat de zorgplicht van ‘een goed huisvader’ inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de inhoud van de overeenkomst, waaronder begrepen het bij de overeenkomst beoogde gebruik van de zaak, de aard van het geleende en eventueel naast de bruikleen tussen partijen bestaande (rechts)betrekkingen, alsmede van de redelijkheid en billijkheid.

Het vorenstaande brengt mee dat de in het onderdeel bepleite opvatting omtrent de zwaarte van de zorgplicht van de bruiklener geen steun vindt in het recht, zodat het onderdeel faalt.

Het oordeel van het hof, dat de man niet aansprakelijk is en dat zijn AVP-verzekeraar daarom niet gehouden is dekking te verlenen, blijft dus in stand.

Betekenis voor bewaarneming

Zoals eerder opgemerkt, is het arrest mijns inziens niet alleen toepasbaar op bruikleen, maar ook op bewaarneming.

Dat geldt in het bijzonder voor de verhouding tussen de teruggave- en zorgplicht. Zowel bij bruikleen als bij bewaarneming zijn dat de twee primaire verplichtingen van de ontvangende partij. Het wettelijk systeem is in zoverre dus vergelijkbaar. Voor de toelichting op art. 7:605 lid 4 BW heeft de wetgever nota bene verwezen naar de toelichting op het corresponderende bruikleenartikel (zie Parl. Gesch. Inv., p. 401, nt. a).

Met het analoog toepassen van het oordeel over de inhoud van de zorgplicht moet daarentegen (enigszins) terughoudender worden omgesprongen. In de literatuur wordt namelijk verdedigd dat ‘de zorg van een goed bewaarder’ een strengere norm is dan ‘de zorg van een goed huisvader’ (zie GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:602 BW, aant. 2).

Toch zal ook voor een bewaarnemer niet gelden dat hij “alles moet doen wat menselijkerwijs mogelijk is om verlies of beschadiging […] te voorkomen”. Wat wel van hem kan worden gevergd zal, net als bij bruikleen, afhangen van de omstandigheden van het geval. In de literatuur worden onder andere genoemd: de inhoud van de overeenkomst, de persoon van de bewaarnemer, de aard van de zaak die in bewaring wordt gegeven, het gebruik, en de redelijkheid en billijkheid (zie Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012/9). Het zal geen toeval zijn dat de Hoge Raad in het bruikleenarrest vergelijkbare termen heeft gekozen.

Auteur: Pieter Bloemendal

Dit is een partnerbijdrage van Dirkzwager. Bekijk hier een volledig overzicht van partnerberichten van Dirkzwager.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.