nieuws

Ouders Tristan van der Vlis niet zelf aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad

Schade 794

Op 9 april 2011 heeft de destijds 24-jarige Tristan van der Vlis in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn zes personen doodgeschoten en vervolgens zichzelf van het leven beroofd. De rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak van 14 juni 2017 geoordeeld dat de ouders van Tristan niet zelf jegens benadeelden aansprakelijk zijn voor dit gewelddadige handelen van hun zoon.

Ouders Tristan van der Vlis niet zelf aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad

Waarom en hoe de rechtbank tot dit oordeel kwam, bespreek ik hierna. Vervolgens zal ik kort ingaan op de aansprakelijkheid van ouders voor kinderen in de verschillende leeftijdscategorieën.

In een procedure bij de rechtbank Den Haag vorderden benadeelden van de ouders van Tristan de door hen ten gevolge van het schietincident geleden schade op grond van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW, nader op te maken bij staat.

Kan de ouders van Tristan een eigen onrechtmatige daad worden verweten?

Aan die vordering is door benadeelden ten grondslag gelegd dat de ouders verwijtbaar nalatig zouden zijn geweest door talrijke ernstige waarschuwingssignalen betreffende Tristan, ten tijde van de schietpartij 24 jaar oud, te negeren. Ook werd de ouders het verwijt gemaakt dat zij niets zouden hebben ondernomen om het (risico op) een schietincident te voorkomen, terwijl zij zich van de gevaren bewust zouden zijn geweest. Aldus een zuiver nalaten.

Voor aansprakelijkheid op voornoemde grondslag is in de eerste plaats vereist dat een persoon wetenschap heeft van een voor derden gevaarlijke situatie. Dan kan in bepaalde gevallen op die persoon een rechtsplicht rusten om deze situatie te (doen) beëindigen. Laat die persoon dat – in strijd met deze op hem rustende rechtsplicht – na, dan kan dit een onrechtmatige daad opleveren jegens degene die schade heeft geleden als gevolg van het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt (r.o. 4.7 van het vonnis). Dit dan slechts in uitzonderlijke gevallen, namelijk op het moment dat het betreffende gevaar is doorgedrongen tot het bewustzijn van de persoon (vgl. HR 22 november 1974, NJ 1975/149; Struikelende broodbezorger). Essentieel is dus dat de persoon concrete kennis heeft van het bestaande of op handen zijnde gevaar.

Uit de rechtspraak volgt dat een bijzondere positie een bijzondere zorgplicht in het leven kan roepen, op grond waarvan van de betreffende persoon een grotere kennis en alertheid mag worden verlangd. De relatie tussen ouders en hun volwassen kind roept zo’n bijzondere zorgplicht in het algemeen niet in het leven.[1] Wel kan het zo zijn dat bijzondere omstandigheden er in het concrete geval toe leiden dat aan ouders van een meerderjarig kind méér wetenschap kan worden toegerekend, hetgeen een bijzondere zorgplicht van de ouders jegens het kind met zich kan brengen.

De rechtbank achtte in het onderhavige geval relevant dat Tristan in de periode voorafgaand aan het schietincident bij zijn ouders woonde en dat de ouders vanaf zijn gedwongen opname in 2006 in een psychiatrisch ziekenhuis nauw betrokken zijn geweest bij de behandeling van Tristan, zodat zij goed zicht hadden op zijn (geestelijke) toestand in de periode voorafgaand aan het schietincident.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat de ouders van Tristan zelf – naast het onmiskenbaar onrechtmatige handelen van hun zoon – geen enkel verwijt treft. Aan dit oordeel legt de rechtbank ten grondslag dat op de ouders geen plicht rustte om in het kader van de aanvraag voor een wapenverlof door hun zoon in 2008 bij de politie melding te maken van de gedwongen opname van hun zoon, omdat de ouders ervan uit mochten gaan dat die gedwongen opname die bij de politie bekend was, zou worden betrokken bij de beoordeling van de verlofaanvraag.[2]

De ouders waren naar het oordeel van de rechtbank ook méér dan rechtens jegens een volwassen kind is vereist, betrokken bij zijn behandeling en zij hebben ook zelfstandig melding gedaan aan de behandelaars van kwesties die Tristans leven betroffen (r.o. 4.72 van het vonnis). Voorafgaand aan en op de dag van het schietincident hebben de ouders volgens de rechtbank bovendien op geen enkele manier kennis opgedaan die kon wijzen op het gevaar dat Tristan wapengeweld tegen derden (en tegen zichzelf) zou aanwenden.

Bij gebrek aan relevante wetenschap over het gevaar dat zich – achteraf bezien – heeft verwezenlijkt, kan volgens de rechtbank dan ook geen sprake zijn van schending van een rechtsplicht door de ouders. De ouders waren niet daadwerkelijk in staat om het gevaar van wapengeweld door hun zoon af te wenden. De rechtbank wijst de vorderingen van benadeelden jegens de ouders van Tristan dan ook af.

Dekking onder AVP ouders?

Eisers hebben ook Reaal in de procedure betrokken. In dat kader speelt de discussie of Tristan is meeverzekerd onder de gezinspolis van de ouders bij Reaal. De rechtbank gaat voorshands uit van het vermoeden dat Tristan nog voor aansprakelijkheid was meeverzekerd onder de gezinspolis. Reaal wordt in de gelegenheid gesteld om dit voorshands vermoeden te ontzenuwen.

Slaagt Reaal daarin, dan is volgens de rechtbank daarmee niet gezegd dat zij is gehouden tot het verlenen van dekking onder de gezinspolis. Dat hangt af van het standpunt dat Reaal daarover inneemt, bijvoorbeeld over een eventueel door haar te doen beroep op de opzetclausule. Daarover heeft echter nog geen partijdiscussie plaatsgehad. Die discussie wordt geparkeerd totdat er duidelijkheid is over de vraag of Tristan was meeverzekerd onder de gezinspolis.

Beschouwend: onrechtmatige daad ouders voor gedraging kind

Zoals uit de hiervoor besproken uitspraak blijkt, rust op ouders van kinderen vanaf 16 jaar doorgaans geen bijzondere zorgplicht jegens hun kind. Ouders (waarmee ook steeds voogden worden bedoeld) van kinderen tot 14 resp. 16 jaar hebben een bijzondere juridische positie in relatie tot hun kinderen die tot uiting komt in de in artikel 6:169 BW neergelegde wettelijke (risico)aansprakelijkheid (zie ook r.o. 4.9 van het vonnis).

Artikel 6:169 lid 1 BW vestigt een risicoaansprakelijkheid ten aanzien van ouders van kinderen tot 14 jaar. Die kinderen zijn niet zelf op grond van een eigen onrechtmatige daad aan te spreken (vergelijk artikel 6:164 BW).

Artikel 6:169 lid 2 BW vestigt een schuldaansprakelijkheid ten aanzien van ouders van kinderen in de leeftijd van 14 en 15 jaar. De ouders zijn krachtens dit artikellid aansprakelijk voor een toerekenbare onrechtmatige daad van hun kind, tenzij hen niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij de gedraging van hun kind niet hebben belet. In dat kader is van belang of de ouders alles hebben gedaan dat in de gegeven omstandigheden, waaronder de leeftijd en de aard en het ontwikkelingsniveau van het kind, de eisen van het dagelijks leven en de levensomstandigheden van de ouders, redelijkerwijs van hen kon worden gevergd ter voorkoming van nadeel voor derden[3].

Een dergelijke discussie speelt in de Faceboordmoord-zaak. Na verwijzing door de Hoge Raad zal het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich erover gaan uitlaten of de ouders van de destijds 14-jarige dader kan worden verweten dat zij de gewelddadige gedraging van hun zoon niet hebben belet. Ik schreef daarover eerder een artikel.

Onder omstandigheden kan op ouders van kinderen ouder dan 15 jaar zoals hiervoor besproken wel een bijzondere zorgplicht rusten die – hoewel de bewijslast anders is verdeeld[4] – vergelijkbaar is aan de zorgplicht die rust op ouders van kinderen in de leeftijd van 14 en 15 jaar, bijvoorbeeld wanneer het kind, zoals bij Tristan het geval was, ten tijde van zijn gewelddadige handelen nog thuis woonde en de ouders goed zicht hadden op de (geestelijke) toestand van hun kind doordat zij nauw betrokken waren bij diens behandelingen.

In het geval van Tristan waren de ouders vanwege het ontbreken van relevante wetenschap over het gevaar van wapengeweld van hun zoon jegens derden naar het oordeel van de rechtbank niet in staat om dit gevaar af te wenden, waardoor een onrechtmatig nalaten van de ouders in de zin van artikel 6:162 BW niet werd aangenomen.

[1] Dit is anders bij ouders van kinderen jonger dan 16 jaar, maar daarop ga ik hierna onder ‘Beschouwend: onrechtmatige daad ouders voor gedraging kind’ nog kort in.

[2] Dit was ten onrechte niet gebeurd. De mutatie van de bijstand bij de gedwongen opname is door de politie over het hoofd gezien, zie r.o. 4.42 van het vonnis.

[3] Asser/Hartkamp 4-III 2006/135.

[4] Bij artikel 6:169 lid 2 BW rust gezien de tenzij-clausule op de ouders de bewijslast dat hen geen verwijt treft dat zij de gedraging van hun kind niet hebben belet. Er is sprake van een schuldaansprakelijkheid met omkering van de bewijslast. In geval van artikel 6:162 BW dient de eisende partij te bewijzen dat de ouders een verwijt kan worden gemaakt dat zij de gedraging van hun kind niet hebben belet.

Auteur: Lindy Westrik

Dit is een partnerbijdrage van Dirkzwager. Bekijk hier een volledig overzicht van partnerberichten van Dirkzwager.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.