nieuws

Adviseur versus adviseur in zorgplichtzaak rond waterschade

Schade 1415

Een verzekerde met een eigen assurantiekantoor krijgt van zijn verzekeringsadviseur ruim € 20.000 vergoed voor een waterschade in een leegstaande oude woning. De adviseur had verzuimd bij een verhuisbericht te wijzen op de leegstandsclausule die waterschade uitsluit. Daarmee heeft hij de zorgplicht geschonden, oordeelde het gerechtshof in Den Bosch gisteren.

Adviseur versus adviseur in zorgplichtzaak rond waterschade

De verzekerde, die zelf een eigen assurantiebedrijf runt, heeft de opstal van zijn woning sinds 1998 verzekerd bij Generali via M&R Volmachten, onderdeel van assurantiebedrijf Wilson. Begin oktober 2007 stuurt de verzekerde een verhuisbericht, waarbij hij aangeeft dat de oude woning nog in zijn bezit is. M&R voert de adreswijziging door en stuurt een nieuw polisblad. De verzekerde geeft daarop aan dat de opstalverzekering op het oude adres gehandhaafd moet worden.

Waterschade

In februari 2011 ontstaat lekkage in de oude woning. Die wordt geschat op € 30.000. De adviseur wijst de schade na overlegt met M&R af: de woning staat leeg en de polis kent een leegstandsclausule. Die bepaalt dat er bij leegstand alleen dekking is voor schade als gevolg van brand, ontploffing, blikseminslag, storm en luchtvaartuigen. De verzekerde stelt de adviseur vervolgens aansprakelijk voor de schade en start een klachtenprocedure bij Kifid.
De Ombudsman Financiële Dienstverlening oordeelt eind 2012 dat de adviseur zijn zorgplicht niet is nagekomen na de adreswijziging en dat partijen het eens moeten worden de schade die door de adviseur moet worden vergoed. De adviseur stelt voor om € 15.000 te betalen, maar daar gaat de klant niet mee akkoord. De Ombudsman stelt vervolgens – we schrijven inmiddels maart 2013 – het volgende: “Gelet op mijn overwegingen zoals weergegeven in de reeds gevoerde correspondentie met partijen, kom ik tot de conclusie dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en voor zover hij een hogere vergoeding van de schade wenst dan het aangeboden bedrag van € 15.000, acht ik de klacht ongegrond.”

Verkoop woning

De klant heeft inmiddels de woning verkocht aan een holding waarvan hijzelf de aandeelhouder is. De opstalpolis loopt inmiddels bij Reaal. Generali vraagt de adviseur om een verklaring van Reaal dat het ook in 2007 mogelijk was geweest het leegstaand pand tegen volledige dekking (inclusief waterschade) te verzekeren. Maar aan dat verzoek komt Reaal niet tegemoet. Wel wordt aan de klant bevestigd dat het leegstaande pand anno 2012 wordt verzekerd tegen de extra uitgebreide dekking, inclusief een eventuele waterschade. “In 2007 zouden wij het pand op bovenstaande condities hebben verzekerd”, krijgt de klant te lezen. Een door de klant ingeschakelde assurantiemakelaar laat eveneens weten dat het mogelijk was om in 2007 het pand op de assurantiebeurs met extra uitgebreide dekking voor waterschade te verzekeren.

Leegstand noch bewoning bewezen

Voor de rechter eist de klant van het advieskantoor een vergoeding van € 55.599 plus btw en wettelijke rente. De rechtbank vindt dat hij moet bewijzen welke schade hij heeft geleden, maar oordeelt in 2015 dat hij daarin niet is geslaagd.

Het gerechtshof buigt zich vervolgens over de zaak, waarbij de eis is opgehoogd tot € 62.189.
Het hof oordeelt dat de adviseur is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht door niet te wijzen op de leegstandsclausule. “Het hof wijst er hierbij op dat de adviseur er tenminste rekening mee had moeten houden dat de verzekerde met zijn e-mailbericht van 11 oktober 2007 om handhaving van de verzekering vraagt tegen alle gevaren waartegen de woning ook was verzekerd toen hij deze nog bewoonde en dat in geen van de berichten van verzekerde valt te lezen of hij de woning al dan niet leeg achterlaat. Daarmee had de adviseur in elk geval rekening moeten houden met het feit dat de klant de woning leeg zou laten staan met handhaving van de verzekering tegen alle gevaren waartegen de woning ook was verzekerd toen hij deze nog bewoonde.”
De adviseur voert aan dat niet vaststond dat de woning na de verhuizing direct leegstond. Maar dat vindt het hof niet voldoende: “De adviseur hoefde dit alleen maar niet aan de klant mee te delen indien zij met voldoende zekerheid wist dat de woning niet leeg zou komen te staan na het vertrek van de klant.”

Niet gebruikelijk, wel mogelijk

Het hof acht verder bewezen dat de woning ook in 2007 verzekerd had kunnen worden tegen waterschade. Ook al wordt in de verklaring van de makelaar gerept van de coassurantiemarkt en is het niet gebruikelijk om particuliere risico’s op de coassurantiemarkt onder te brengen. “Dat het niet gebruikelijk is, betekent niet dat het niet mogelijk was om de leegstaande woning toch te verzekeren tegen de onderhavige waterschade. Daarmee heeft de adviseur in feite de naar behoren onderbouwde stelling van de klant dat het mogelijk was om de leegstaande woning tegen waterschade te verzekeren, zonder enige onderbouwing betwist. In een geval als dit mag van een assurantietussenpersoon als de adviseur worden verwacht dat zij een betwisting onderbouwt met minimaal één schriftelijke verklaring van een verzekeringsmaatschappij waarin valt te lezen dat het in 2007 niet mogelijk was om leegstaande woningen van particulieren te verzekeren tegen waterschade.”

Schadevaststelling

De schade stelt het hof vast op 40% van de naar de herbouwwaarde berekende schade, nu de klant feitelijk tot herbouw is overgegaan. Op meer heeft hij geen recht. “Uitkering van het meerdere vindt plaats onder overlegging van facturen, hetgeen de klant niet heeft gedaan.” En passant oordeelt het hof, net als de adviseur, dat vloerbedekking, ook als die is gelijmd, geldt als inboedel en niet binnen het bereik van een opstalverzekering valt. De totale schade wordt begroot op € 52.128, waarvan de adviseur 40% als schade aan de klant moet betalen.

Geen schuld door kennis

De adviseur brengt tot slot nog het argument in stelling dat de klant eigen schuld heeft: hij heeft als assurantietussenpersoon immers kennis van verzekeringen, polisvoorwaarden en risicowijzigingen. Maar dat staat buiten de verhouding consument – assurantietussenpersoon die er bestond, vindt het hof. “In het enkele feit dat de klant beweerdelijk kennis van verzekeringen, polisvoorwaarden en risicowijzigingen bezit, ziet het hof niet dat de schade (mede) een gevolg is van een fout van de klant. Uit zijn berichten blijkt immers dat hij zijn belangen juist volledig in handen wilde leggen van de adviseur.”

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.