nieuws

Facebookmoord: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden acht ouders 14-jarige dader ten onrechte niet-ontvankelijk

Schade 1160

Recentelijk heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de ouders van de destijds minderjarige dader van de Facebookmoord ten onrechte niet-ontvankelijk zijn geacht in hun hoger beroep tegen het veroordelend vonnis van de rechtbank Arnhem.

Facebookmoord: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden acht ouders 14-jarige dader ten onrechte niet-ontvankelijk

Op 14 januari 2012 is de dochter van verweerster in haar woning aangevallen en neergestoken door de zoon van eisers. Enkele dagen daarna overlijdt zij in het ziekenhuis aan haar verwondingen. De zoon van eisers is tezamen met de uitlokkers van de moord – hij was door twee andere minderjarigen aangezet tot het plegen van de moord – door de strafrechter veroordeeld.

Eerste aanleg

Verweerster heeft jegens de dader en de uitlokkers een civielrechtelijke schadevergoedingsvordering aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem. Zij vorderde in die procedure van de dader en de uitlokkers op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW vergoeding van door haar geleden materiële en immateriële schade, waaronder shockschade. De ouders van de dader (en van een van de uitlokkers die ten tijde van de procedure ook nog minderjarig was) zijn in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon in de procedure betrokken (artikel 1:245 lid 4 BW).

Daarnaast vorderde verweerster van de ouders van de dader vergoeding van haar schade op grond van artikel 6:169 lid 2 BW. Ingevolge artikel 6:169 lid 2 BW is de ouder van een kind dat de leeftijd van veertien jaar al wel, maar die van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zelf aansprakelijk voor de door het kind aan een derde toegebrachte schade, tenzij de ouder niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet. Dit betreft dus een eigen aansprakelijkheid van de ouders.

De ouders van de dader zijn niet in de procedure in eerste aanleg verschenen en aldus bij verstek – tezamen met de dader en de uitlokkers van de moord en dus hoofdelijk – veroordeeld in de schade van verweerster. De ouders zijn zowel q.q. als pro se veroordeeld. Dat wil zeggen dat de ouders naast de veroordeling in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon die ex artikel 6:162 BW aansprakelijk is geacht voor zijn daden (veroordeling ‘q.q.’), zelf aansprakelijk zijn geacht voor de schade van verweerster op grond van artikel 6:169 lid 2 BW (veroordeling ‘pro se’).

Procedure in hoger beroep

De ouders van de dader zijn in hoger beroep gekomen van hun veroordeling ex artikel 6:169 lid 2 BW (pro se). Er is géén hoger beroep ingesteld tegen de veroordeling van de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon (q.q.).

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) heeft de ouders bij arrest van 22 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Het hof meent dat de ouders geen belang in de zin van artikel 3:303 BW hebben bij dit hoger beroep, omdat hun aansprakelijkheid pro se (ex artikel 6:169 lid 2 BW) door een aansprakelijkheidsverzekering is gedekt.[1] Met een veroordeling pro se kunnen de ouders een beroep doen op de polis van hun aansprakelijkheidsverzekering, zodat zij er volgens het hof juist financieel belang bij hebben dat de veroordeling pro se naast de veroordeling van de ouders als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon (q.q.) in stand blijft. Tot een inhoudelijke beoordeling van de aansprakelijkheid van de ouders ex artikel 6:169 lid 2 BW, waartegen de ouders zich in hoger beroep hebben verweerd, komt het dus niet.

Hoge Raad

Het hof miskent hiermee, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 21 april 2017 (zie met name r.o. 3.3.2 en 3.3.3), dat het bij een veroordeling q.q. alleen gaat om de veroordeling van de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon. De wettelijke vertegenwoordiger is ‘slechts’ de formele procespartij, dat wil zeggen de partij die acteert in de procedure en de beslissingen neemt, terwijl de minderjarige de materiële procespartij is, te weten degene die aan de beslissing van de rechter gebonden wordt.[2]

Het hof gaat er ten onrechte van uit dat een veroordeling van de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers impliceert dat zij in hun eigen vermogen aansprakelijk zijn voor het bedrag waartoe hun zoon wordt veroordeeld. De zoon – die op 14 januari 2012 veertien jaar oud was en gelet op artikel 6:164 BW derhalve zelfstandig aansprakelijk is voor een door hem gepleegde onrechtmatige daad – is echter op grond van artikel 6:162 BW zelf gehouden tot schadevergoeding en deze schuld behoort dus tot zijn vermogen en wordt op het eigen vermogen van de zoon verhaald (artikel 3:276 BW).

De veroordeling van de ouders pro se betreft daarentegen de eigen aansprakelijkheid van de ouders uit hoofde van artikel 6:169 lid 2 BW. Bij deze veroordeling zijn de ouders de schuldenaren van de verbintenis tot schadevergoeding en deze schuld behoort dus tot hun vermogen.
Ook heeft het hof miskend dat de enkele omstandigheid dat de ouders voor hun op artikel 6:169 lid 2 BW berustende aansprakelijkheid verzekerd zijn, niet meebrengt dat zij geen belang hebben bij een beoordeling van hun aansprakelijkheid voor de gedragingen van hun zoon. Een aangesproken partij heeft immers belang bij de vaststelling of zij aansprakelijk is, óók indien zij verzekerd is tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid.[3]

Het hof heeft volgens de Hoge Raad ook geen (andere) omstandigheden vastgesteld waaruit volgt dat de ouders belang missen bij een beoordeling van hun aansprakelijkheid voor de gedragingen van hun zoon.
Het oordeel van het hof dat de ouders geen belang hebben bij hun hoger beroep geeft volgens de Hoge Raad aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting (zie ook de Tweet van de Hoge Raad).

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch mag zich thans gaan buigen over de aansprakelijkheidsvraag ex artikel 6:169 lid 2 BW.

Auteur: Lindy Westrik

[1] De aansprakelijkheid van de dader is niet gedekt onder de aansprakelijkheidsverzekering, naar mag worden aangenomen vanwege het opzettelijk karakter van zijn handelen, vgl. artikel 7:952 BW.
[2] Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands burgerlijk procesrecht, 2015/25; Snijders, Klaassen & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011/65.
[3] F.T. Oldenhuis, Onrechtmatige daad: aansprakelijkheid voor personen (Mon. BW B46) 2014, 24.3.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.