nieuws

Duurstuit door instellen rechtsmiddel mogelijk?

Schade 694

In een zaak die werd voorgelegd aan de rechtbank Oost-Brabant stond de vraag centraal of door het instellen van een eis, ondanks royement, sprake is van een duurstuit.

Duurstuit door instellen rechtsmiddel mogelijk?

Eiser is op 4 oktober 1989 betrokken geweest bij een verkeersongeval en heeft daardoor schade geleden. NRS heeft als rechtsbijstandsverzekeraar werkzaamheden voor eiser verricht inzake het verhaal van schade op de aansprakelijke partij. Bij dagvaarding van 10 juni 2003 is een procedure gestart tegen NRS waarin aanspraak wordt gemaakt op dekking onder de door hem afgesloten rechtsbijstandsverzekering. Deze procedure is op 5 april 2006 ambtshalve doorgehaald.

Nieuwe procedure

Bij dagvaarding van 21 februari 2012 is een nieuwe procedure tegen NRS aanhangig gemaakt, nu NRS niet buiten gedaagde overging tot vergoeding van de kosten van juridische bijstand. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2013 is eiser in die procedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat tussen partijen over hetzelfde geschil en ter zake van vrijwel gelijkluidende vorderingen reeds een procedure aanhangig was bij de rechtbank. De nog lopende zaak tegen NRS is vervolgens opnieuw op de rol geplaatst. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2016 is in die zaak de vordering van eiser afgewezen, de vordering van eiser is volgens de rechtbank per 10 juni 2008 verjaard.

Het geschil

Eiser stelt dat haar voormalig advocaat een beroepsfout heeft gemaakt door de verjaring van de lopende vorderingen jegens NRS niet te stuiten. Volgens eiser is geen sprake van een duurstuiting, eiser beroept zich daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016. Het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2014 zou toepassing missen, nu het in het onderhavige geval om nakoming van een verzekeringsovereenkomst gaat en niet om een verplichting tot betaling van schadevergoeding uit hoofde van aansprakelijkheid.

Gedaagden (de voormalig advocaat als gedaagde 1 en zijn werkgever als gedaagde 2) hebben verweer gevoerd. Gedaagde 1 stelt onder meer dat de vordering op NRS niet verjaard is, daar de op 10 juni 2003 aanhangig gemaakte procedure heeft geleid tot een duurstuit, dus een stuiting voor onbepaalde tijd betreft.

Verjaring en stuiting; het juridisch kader

Algemeen

Stuiting is neergelegd in art. 3:316 lid 1 BW. In dit artikel is bepaald dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Ingevolge art. 3:316 lid 2 BW is, indien een ingestelde eis niet tot toewijzing leidt, de verjaring slechts gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt (eerste zin), en geldt voorts dat een daad van rechtsvervolging de verjaring niet stuit indien zij wordt ingetrokken (tweede zin).

Blijkens de wetsgeschiedenis bij art. 3:316 BW kan bij de zinsnede “of op andere wijze is geëindigd”, voor zover hier van belang, onder meer worden gedacht aan afstand van instantie of aan het geval van een schikking tussen partijen gevolgd door royement (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 934).

HR 14 november 2014

De Hoge Raad heeft in dit arrest beslist dat uit art. 3:316 BW volgt dat het instellen van een eis in rechte slechts dan geen stuitende werking heeft, indien zij niet tot toewijzing leidt en het geding “door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd” (zonder dat binnen een termijn van zes maanden een nieuwe eis is ingesteld die tot toewijzing leidt). De Hoge Raad geeft aan dat het “op andere wijze” eindigen van de procedure niet bewerkstelligd wordt door een enkele doorhaling op de rol. Art. 246 lid 2 Rv bepaalt immers dat de enkele doorhaling op de rol geen rechtsgevolgen heeft, maar enkel een louter administratieve mogelijkheid betreft om een zaak van de rol te krijgen (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 415).

Vervolgens beslist de Hoge Raad:

3.7.5 Indien partijen de rechtsgevolgen van het royement niet bij overeenkomst hebben geregeld, staat het royement op zichzelf dus niet eraan in de weg dat de stuiting, aangevangen door het instellen van een eis in rechte, voorshands voor onbepaalde tijd doorloopt. Behalve ingevolge de in de wet voorziene mogelijkheid van een regeling tussen partijen, dient te worden aangenomen dat eveneens geen sprake meer is van stuitende werking wanneer de gerechtigde afstand heeft gedaan van zijn recht om de procedure na royement te hervatten, of wanneer de schuldenaar op grond van de omstandigheden van het geval erop mocht vertrouwen dat de bewuste procedure niet meer hervat zou worden.”

HR 26 februari 2016

In deze kwestie heeft de Hoge Raad beslist dat in art. 7:942 (oud) BW bijzondere, van de algemene verjaringsregels afwijkende, bepalingen worden gegeven wat betreft de verjaringstermijn, het tijdstip waarop de verjaring begint te lopen, de wijze waarop een lopende verjaring dient te worden gestuit, en de gevolgen van een stuiting. Volgens de Hoge Raad moet art. 7:942 lid 2 (oud) BW zo worden uitgelegd dat in geval van een tweede (of volgende) schriftelijke aanspraak van de tot uitkering gerechtigde, na een eerdere afwijzing door de verzekeraar, slechts dan een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen indien de verzekeraar opnieuw bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen, onder de eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde rechtsgevolg.

Het oordeel in rechte

De rechtbank overweegt ten aanzien van gedaagde 2 dat geen sprake is van een beroepsfout, daar deze advocaat de zaak slechts tot maart 2007 onder behandeling had en de stelling van eiser luidt dat de vordering per 10 juni 2008 is verjaard. Er bestaat immers geen verplichting om reeds ruim voor het verstrijken van de gestelde verjaringstermijn de verjaring daarvan te stuiten.

Ten aanzien van gedaagde 1 geldt wel dat er sprake is van een beroepsfout, mits de vordering van eiser inderdaad verjaard is. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van 14 november 2014 een algemene uitleg heeft gegeven ten aanzien van de stuitende werking van verjaring en de gevolgen in dat verband van het doorhalen van een zaak op de rol. Volgens de rechtbank is de Hoge Raad in haar arrest van 26 februari 2016 niet op die uitleg (ten aanzien van de gevolgen van het doorhalen van een zaak op de rol) teruggekomen. Ten aanzien van de duurstuit dient dus de lijn uit het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2014 te worden aangehouden.

De rechtbank beslist vervolgens dat in sprake is van een duurstuit:

4.7 Het voorgaande brengt in dit geval met zich mee dat sprake is van een stuitende werking van de verjaring voor onbepaalde tijd. Niet in geschil is immers dat door het uitbrengen van de dagvaarding van 10 juni 2003 de vordering van [eiser] jegens NRS is gestuit. Gesteld nog gebleken is dat de vordering op dat moment reeds verjaard was. op grond van voornoemde jurisprudentie en wetgeving volgt voorts dat de enkele doorhaling op de rol de stuitende werking van het instellen van een eis in rechte niet doet eindigen. De stuiting, aangevangen door het instellen van de vordering bij dagvaarding van 10 juni 2003, loopt dus – ondanks de doorhaling op de rol – voor onbepaalde tijd door.  […]” (onderstreping dezerzijds)

Conclusie

Het oordeel van de rechtbank onderstreept dat ingeval van het doorhalen van een zaak op de rol voor de gevolgen de algemene uitleg inzake stuiting van de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van 14 november 2014 geldt, onafhankelijk van de vraag of er afwijkende verjaringstermijnen en dergelijke gelden. Aldus geldt hoe dan ook dat het instellen van een eis, ondanks eventueel royement, een duurstuit betreft.

Auteur: Imke Hofmans

Dit is een partnerbijdrage van Dirkzwager. Bekijk hier een volledig overzicht van partnerberichten van Dirkzwager.

Reageer op dit artikel