nieuws

Art. 185 WVW niet van toepassing op ongeval tussen scootmobiel en auto

Schade 2021

Het bijzondere aansprakelijkheidsregime van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) is niet naar analogie van toepassing op een ongeval tussen een scootmobiel en een auto. Dat oordeelde het Hof Den Bosch in een arrest van 26 september 2017. Of de bestuurder van een motorrijtuig bij een dergelijk ongeval aansprakelijk is, dient (uitsluitend) te worden beoordeeld aan de hand van art. 6:162 BW.

Art. 185 WVW niet van toepassing op ongeval tussen scootmobiel en auto

Art. 185 WVW geeft een bijzondere regel voor het geval dat een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer (voetganger of fietser) schade lijdt door een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is. De eigenaar van het motorrijtuig is in beginsel aansprakelijk voor de schade, tenzij sprake is van overmacht.  In de praktijk wordt overmacht niet snel aangenomen. In het kader van de omvang van de aansprakelijkheid kan de aangesproken partij een beroep doen op eigen schuld van het slachtoffer (art. 6:101 BW).

Indien sprake is van een verkeersongeval dat niet wordt beheerst door het regime van art. 185 WVW, gelden de normale regels van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De eisende partij moet in dat geval stellen – en bij betwisting bewijzen – dat het ongeval te wijten is aan een onrechtmatige gedraging van de aangesprokene.

Rechtsvraag

In de zaak die voorlag bij het Hof Den Bosch stond de vraag centraal of het aansprakelijkheidsregime van art. 185 WVW naar analogie van toepassing is op een verkeersongeval tussen een scootmobiel en een auto.

De bestuurder van de scootmobiel betoogde dat een scootmobiel weliswaar een motorrijtuig is, maar dat de bestuurder van een scootmobiel als zwakke verkeersdeelnemer te beschouwen is en daarom de bescherming van art. 185 WVW behoeft.

Daartegen voerde de WAM-verzekeraar van de auto aan dat het bijzondere regime van art. 185 WVW uitsluitend van toepassing is op ongevallen tussen voetgangers en fietsers aan de ene kant (‘zwakke verkeersdeelnemers’) en motorrijtuigen aan de andere kant. Volgens de WAM-verzekeraar behoort tussen ‘zwakke verkeersdeelnemers’ en ‘minder zwakke verkeersdeelnemers’ geen onderscheid te worden gemaakt.

Oordeel rechtbank

De bestuurder van de scootmobiel had in een deelgeschilprocedure verzocht om te oordelen dat de bestuurder van de auto op grond van de artt. 185 WVW en 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade. De deelgeschilrechter wees dat verzoek af. De deelgeschilrechter overwoog dat art. 185 WVW niet van toepassing is op een ongeval tussen een auto en scootmobiel, dat voor de beoordeling van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad nadere bewijslevering nodig is en dat een deelgeschil zich daarvoor niet leent.

Oordeel hof

Na daartoe verkregen verlof heeft de bestuurder van de scootmobiel op grond van art. 1019cc lid 3 Rv tussentijds hoger beroep ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking.

Het hof geeft in dat hoger beroep alleen een oordeel over de toepasselijkheid van art. 185 WVW nu de rechtbank alleen op dat punt een eindbeslissing heeft genomen (r.o. 3.6.1).

Het hof volgt de WAM-verzekeraar van de auto in haar verweer dat art. 185 WVW niet naar analogie van toepassing is. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis overweegt het hof dat de wetgever dit bijzondere aansprakelijkheidsregime heeft willen beperken tot ongevallen waarbij enerzijds een motorrijtuig en anderzijds een fietser of voetganger betrokken is. Indien de eisende partij geen fietser of voetganger is, dient hij derhalve overeenkomstig de gewone bewijsregels te stellen en te bewijzen dat de gedaagde partij een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Aangezien de deelgeschilrechter op dat punt niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, wordt de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

Conclusie en vervolg

In bovenstaand arrest heeft het hof bevestigd dat art. 185 WVW niet naar analogie van toepassing is op een ongeval tussen een scootmobiel en een auto. De onderhavige kwestie zal een vervolg krijgen bij de rechtbank. In die procedure zal de bestuurder van de scootmobiel moeten stellen – en bij betwisting moeten bewijzen – dat sprake is van een concrete onrechtmatige gedraging van de bestuurder van de auto. De bewijslast is in dat geval beduidend zwaarder dan bij het regime van art. 185 WVW.

Lees hier meer over art. 6:162 BW en het arrest van Hof Den Bosch van 26 september 2017.

Dirkzwager is aan de zijde van de verzekeraar betrokken bij de in dit artikel besproken procedure.

Auteur: Jaike Silvius

Dit is een partnerbijdrage van Dirkzwager. Bekijk hier een volledig overzicht van partnerberichten van Dirkzwager.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.